! Batouri en stadje, kokette stadje, bestolen, expulsie, geëxecuteerd, veranderen in een dier, Mammie Wata, Tovermiddeltjes, Vervolg verhalen

Mei 1965: Op naar Kameroen
OP NAAR AFRIKA...

In september 1950 brachten mijn ouders mij naar Weert, naar het klein seminarie. Ik was toen 12 jaar oud.  Ik kwam uit een warm nest in de Peel. We waren thuis met 8 kinderen en mijn ouders hadden een klein boerderijtje.

 

Familiefoto in 1950, vlak voordat ik naar het seminarie ging.

Ik ben de oudste van de jongens. Mijn jongste broer, onze Jos, was toen nog niet geboren.

 

 

Ons boerderijtje in de Tramstraat in Deurne.

                    De jonge kloosterling in 1956 !!!

Ik had wel eens te kennen gegeven dat ik naar Afrika wilde gaan als missionaris. Had ik "roeping", zoals men toen zei, of  wilde ik wat meer van de wereld zien dan de Peel?

Ik denk van  allebei een beetje. In ieder geval, mijn ouders waren heel blij dat ik naar het seminarie ging.  Ik voelde me best  gelukkig op het seminarie en met succes volgde ik de middelbare studies die zes jaar duurden.

En in 1956 - ik was toen 18 jaar - kreeg ik een grote zwarte toog aan. Ik was in die zes jaar seminarie ervan overtuigd geworden dat ik inderdaad priester wilde worden en dat ik later naar Afrika wilde gaan om me in te zetten voor de mensen daar.

In september 1956 begon ik in Gennep het Noviciaat, een proefjaar. We werden inderdaad op de proef gesteld. Of we voldoende wilskracht, doorzettingsvermogen en gezondheid hadden en ook voldoende religieuze bagage om de uitdaging van Afrika aan te kunnen.

Van 1957 tot 1963 maakte ik mijn hogere studies op het kasteel in Gemert. We hadden heel moderne professoren die ons klaar stoomden voor ons toekomstig werk. Zij zorgden er vooral voor dat we openstonden voor vernieuwingen die er in de katholieke aankwamen. Maar ook dat we openstonden voor andere culturen en andere manieren van denken en doen.

Ik werd in 1962 in Gemert priester gewijd. Wij stelden ons beschikbaar voor  posten in de wereld waarvoor moeilijk andere werkers te vinden waren.

De benoeming was vaak een hele verrassing en was vaak heel anders dan we gehoopt hadden. Wat dat betreft had ik geluk, want ik had Oost-Kameroen aangevraagd en ik werd ook daarvoor benoemd. Na een klein jaartje Parijs om de Franse taal goed te leren kwam eindelijk in mei 1965 de dag van het vertrek. IK vertrok voor vijf jaar.

Donderdag 13 mei 1965: Van Deurne naar Ndelele in Kameroen

De hele familie ging mee om me naar Roosendaal te brengen. Daar  stapte ik op de trein naar Parijs. Ik was er helemaal klaar voor en één en al enthousiasme. Ik dacht er geen moment aan, waar ik eigenlijk aan begon.

Toen we Deurne uit toeterden dacht ik even dat het toch wel iets aparts was, dit vertrek, en dat ik mijn vertrouwde wereld  ging achterlaten. Mijn moeder was erg stil onderweg. In Roosendaal, op het oude station, hebben we gezamenlijk goed gegeten. Toen ik in de trein stapte om 1 uur had ik even een belazerd gevoel. Zo van: "Zou ik het wel doen?" 
Maar  ik voelde me toch best gelukkig. Zo is het goed.

Ik vond het heerlijk om weer even in het mij zo bekende en vertrouwde Parijs te zijn. Ik zou twee dagen in Parijs blijven om afscheid te nemen van mijn vrienden daar. 
Zoals Mlle. Muratet, de oud-lerares. Zij  had al ruim 15 jaar lang conversatieles gegeven aan al die Hollandse paters die naar Franse gebieden werden uitgezonden. Als je bij haar kwam voor een les, kreeg je eerst een glas Muscadet-wijn en als je dat glaasje op had, praatte je als Brugman, maar dan wel in het Frans. Daar hebben we geleerd gemakkelijk Frans te praten.
En pastoor Le Roux in Villemomble. Een uitzonderlijk goede man.

Toen ik naar Parijs kwam om Frans te leren, werd ik al gauw aan het werk gezet.  Ik werd naar Villemomble gestuurd, een half uurtje treinen vanaf Parijs. Daar moest ik iedere zondagmorgen in twee eucharistievieringen (met preek) voorgaan. Dit was geprogrammeerd om ook in ons eigen "vak" de taal goed te leren. Het was een beetje mijn tweede thuis in Parijs.

Na twee dagen Parijs vertrok ik met een nachtvlucht vanaf Parijs naar Douala in Kameroen. Huub Zegers, een oudere Hollandse pater, die al sinds 1938 in de regio van Batouri werkt, vloog met me mee. We vlogen in een DC8 en er waren 90 passagiers aan boord. Een droom tegemoet.

Tegen 6 uur in de morgen kwamen we in Douala aan. Het is nog donker. Toen ik uitstapte was het net alsof ik in een oven stapte. Ongelooflijk heet! Meteen was ik kletsnat van het zweten. Een raar gevoel. Je ziet ineens niets dan zwarten om je heen. Ver weg zie je de hutjes liggen. Een grote roofvogel zweeft rondom het vliegtuig.

Om half negen worden we opgeroepen om in een oude bromvlieg van Cameroun Airlines te stappen. Hij zou ons naar Yaoundé brengen. Het was tjokvol. Het is bijna niet uit te houden van de hitte in het vliegtuig. Het oerwoud onder ons is precies een grote tuin met boerenkool.

Een Franse medebroeder kwam ons ophalen in Yaoundé. Hij mopperde nogal: "Kunnen jullie niet op een andere tijd aankomen? We hebben hier op zondagmorgen wel wat anders te doen dan paters af te halen!"

In ons huis in Mvolye zijn we maar gauw in de kapel mis gaan lezen. Wat is het toch heet! We barsten van de honger want we hebben niets gegeten sinds gisterenavond, maar niemand biedt iets aan. Père Smith, de overste van het huis is totaal overspannen, lijkt ons. Zo zitten we maar wat te mopperen en honger te lijden. We hadden niet de indruk dat we erg welkom waren...

Er was die dag een grote voetbalmatch: Douala-Yaoundé. De tribune stortte in: 16 doden en 35 zwaar- en 120 lichtgewonden. Een grote paniek in de stad.

's Avonds hoorde ik voor het eerst het geluid van de Afrikaanse nacht. Wat een herrie. Vooral een soort krekels maakt veel leven. Wat me ook opviel: vuurvliegjes, honderden. Net alsof ze hun lampjes aan en uit doen naargelang ze zin hebben. Dit was mijn eerste dag en nacht in Afrika.

De volgende morgen worden we om 5.15 uur gewekt door luid gezang. Het klinkt erg Afrikaans met een kerkelijk tintje. Het is de vroegmis in de kerk vlak bij ons huis.

We moeten maar afwachten hoe de reis verder zal verlopen. Er is verder niets geregeld. Ik koop maar een nieuwe hoed die me moet beschermen tegen de zon. In de loop van de morgen kan Huub Zegers al vertrekken met pater Joop van Loo naar Oost-Kameroen. En na de middag is er voor mij ook een gelegenheid om naar het oosten te vertrekken. De familie Hengst, een Oostenrijks echtpaar, dat werkt op de missie van Diang, was toevallig in de hoofdstad. Na de middag rijden ze terug naar Diang en hebben een plaatsje in de auto. Het is een lange reis naar Diang. Bijna 7 uur rijden zonder te stoppen.

Ik begon honger te krijgen. De natuur is prachtig met bossen en stukjes savanne. Wat zijn de hutten en de mensen langs de weg primitief. Je houdt je hart vast. Zal ik hier wennen? Je denkt zo veel onderweg. Waar begin je aan?

Diang is een grote missie maar volgens mij wel erg primitief geïnstalleerd. Ik hoop maar dat Ndelele er beter uit zal zien...

Ik vind hier mijn reisgezel, Pater Huub Zegers, terug. Hij is vanmorgen ook niet verder gekomen dan Diang. We blijven slapen in Diang en de volgende dag moeten we maar weer afwachten of er iemand is die ons meeneemt naar Bertoua.

We hebben de missie van Diang bekeken en werden wat ongedurig want we zouden liever verder reizen. Op het einde van de middag komt er een wagen voorbij, die ons meeneemt naar Bertoua de hoofdstad van Oost-Kameroen.

De principaal overste, pater Willem van Son, woont daar en hij moppert ook al dat we niet eerder gekomen zijn. Wat kunnen wij daaraan doen?

OP NAAR NDELELE

Op woensdag 19 mei zal het dan gebeuren. Pater van Son zou ons naar Ndelele brengen. Om 7.30 startte Willem zijn lelijk Eendje. Ik zat achterin tussen de koffers in en op een zak rijst, die ik meekreeg om de eerste tijd wat te eten te hebben.

Om 10 uur kwamen we op de missie van Batouri, een groot en naar mijn eerste oordeel ongezellig huis. Hier woont pater Harrie Sleegers, een oud dorpsgenoot uit Deurne. Harrie had een overjas aan, een das om en een hoed op. Hij rilde van de koorts maar vond dat verder normaal: "Een malaria-aanval", zei hij.

Vanaf Batouri was het nog 100 km rijden tot aan Ndelele. We moesten wel de grote rivier, de Kadei, oversteken om in Ndelele te komen. Er  was nog geen brug, maar een veerpont op uitgeholde boomstammen, en tot overmaat van ramp was de pont kapot en buiten werking. 
Wij zouden oversteken, in uitgeholde boomstammen gezeten, maar het lelijke Eendje kon niet oversteken. Pater van Son ging niet mee want hij wilde zijn Eendje niet in zijn eentje achterlaten en hij besloot terug te keren naar Batouri. Huub en ik zouden oversteken, ieder in een uitgeholde boomstam met onze bagage en aan de overkant maar hopen dat iemand ons komt halen. Voorlopig kwam er niemand en daar zaten we aan de oever van de Kadei. Dit lijkt op het einde van de wereld.

Het was avond en Ndelele is nog 23 km. Ik bleef wat zitten mijmeren op mijn bagage en dacht: "Als er nu een vliegtuig landt, ben ik weg en zien ze me hier nooit meer terug". Maar er kwam geen vliegtuig. Trouwens Pater Ben Visbeek in Ndelele was ook niet gewaarschuwd dat ik vandaag zou komen. Dus op hem hoeven we niet te wachten.

Uiteindelijk komt pater Nard van de Nieuwenhof om Huub Zegers op te halen. Nard heeft Hub tijdens de vakantie vervangen in de missie van Mindourou. Hub besluit om naar zijn huis in Mindourou te gaan. Ik mag een paar kilometer meerijden en dan laat hij me achter bij de blanken van de Seita. Bij de Seita (tabaksindustrie), woonden 3 fransen, waaronder Pierre DeVille.

Mijn reisgenoot, Huub Zegers, was dus vertrokken naar zijn missie en ik bleef logeren bij DeVille, die met zijn vrouw en 2 kinderen een comfortabele villa had. De volgende dag bracht Pierre DeVille me naar Ndelele, mijn eerste missie. (Pierre Deville en zijn vrouw zijn nog tot 1990 in Batouri gebleven en hebben zich daarna geïnstalleerd vlak bij Perpignan, waar ik ze nog heb opgezocht eind jaren '90)

De volgende morgen bracht Pierre Deville me naar Ndelele en daar waren de mensen ondertussen gewaarschuwd dat ik zou aan komen.

De aankomst in Ndelele was overweldigend. De kinderen stonden me op te wachten en te klappen. Veel grote mensen waren uitgelopen om mij te verwelkomen. Vooral de vrouwen schreeuwden alsmaar "oeloe oeloe oeloe oeloe oeloe"!  De mensen vond ik maar vies en ze stinken ook nog. De vrouwen hadden een groot gat in de bovenlip waar ze een dopje van een tandpastatube doorheen hadden zitten als versiering.

Ik voelde me heerlijk gelukkig om zo ontvangen te worden.
Ik voelde me meteen thuis bij pater Ben Visbeek, die ik nog goed kende uit de studententijd. Ben is maar een paar jaar ouder dan ik.


Dit is het woonhuis van de paters in Ndelele. 
Hier woonde ik met Ben Visbeek in 1965.

Ik was benoemd voor Yokadouma, nog 100 km verder het oerwoud in, maar ik zou een tijdje in Ndelele blijven om de Ewondo-taal te leren en om wat te wennen aan Afrika. Het leek allemaal erg primitief in Ndelele, maar ik had een erg dankbaar gevoel dat ik eindelijk aangekomen was op mijn missie in Afrika.

 

Zo kwam ik aan  in Ndelele in 1965

 

En terwijl ik mijn koffers aan het uitpakken was vond ik een papiertje dat ik niet kende. Het was het handschrift van mijn moeder. Mijn moeder had een afscheidsgedicht geschreven en tussen mijn spullen in de koffer gestopt in de veronderstelling dat ik dat gedicht zou terugvinden op mijn missie in Afrika en zo gebeurde het. Het is een ontroerend gedicht:

    


Harrie gaat naar de missie in Kameroen.                   Mei 1965.

Twee mensen zo klein met hun kleine gebaren

nemen afscheid van hun dierbaar kind.

Zeg wil je dit kruisje van moeder bewaren

Totdat je na jaren weer terugkomen zult.

Hij lachte en knikte en stond daar te turen

Hij kuste mijn ogen en drukte mijn handen.

Dag Moeder, Tot ziens, mijn leven wordt schoon.

De vlucht naar de verte,de wazige landen.

Een moeder,een offer, mijn jongen, mijn zoon.

Hoe vaart gij nu kind, nu daar in de verte?

Misschien zit ge te overwegen of bid ge daar

Den Albehoeder voor elke zus of broeder

Stuur dan ook van verre

een gebed voor vader en moeder.

Hoe vaart gij nu? Hoe wou ik graag

Nog eens bij u zijn met de vraag

Geef mij een kruiske.

Maar ik geef het u, mijn dierbaar kind

Misschien ten spel van weer en wind,

Vanuit ons huisken.   Moeder.

Terug naar Batouri

27 November 2008
Batouri wordt een stadje (Speciaal voor de Batouri-gangers)

Rond 1900 woonden er in  Batouri  nog maar weinig mensen.
De Kako’s hadden zich geïnstalleerd in Sambo bij de ingang van de stad.

Een andere groep Kako’s woonden op de plek waar nu de gebouwen staan van de Société Camerounaise du Tabac. Er woonden een paar Haoussa-families in Mokolo en dat was het dan. De Duitsers, die in die tijd de scepter zwaaiden in Kameroen, hadden Batouri maar links laten liggen, ook al omdat ze niet erg vriendelijk ontvangen werden door de Kako’s.

Na de Eerste Wereldoorlog werd het anders. De Fransen hadden dit gedeelte van Kameroen overgenomen en zij waren vastbesloten om het land goed te organiseren en de administratie, het onderwijs, de landbouw en de medische verzorging op poten te zetten, zoals in Frankrijk.

Ze gingen op zoek naar strategische punten om zich daar goed te installeren en om van daaruit het achterland te bewerken.

Na lange tijd rondgetrokken te hebben door Oost-Kameroen, staken ze uiteindelijk de Kadei over en arriveerden in een dorpje, dat sinds een paar decennia Batouri heette. Het was meteen raak.  "Hier gaan we ons installeren. Hier komt het centrum van de macht voor Oost-Kameroen.", was hun reactie, toen ze Batouri voor zich zagen. Waarschijnlijk was er in dat gezelschap een Franse stedenbouwkundige die meteen zag hoe hij hier een leuk stadje van kon maken.

Batouri is, zoals de Fransen zeggen, "une cuvette", een dalletje, ingesloten door heuvels. In het noorden, oosten, westen en zuidwesten van Batouri liggen heuvels rondom het centrum van de stad. In het zuiden ligt gelukkig geen heuvel zodat het regenwater via het zuiden weg kan stromen.

De Fransen gingen kennismaken met Damboura, de chef van de Kako’s. Damboura ontvangt de Fransen heel hartelijk en nodigt hen uit om zich in Batouri te komen vestigen. Tegen het einde van de jaren twintig was Damboura al bekend als een machtige chef die heel goed zijn Kako-volk bestuurde. Damboura voerde een verwoede strijd tegen de anthropophagie. Jazeker, menseneterij kwam tot ver in de jaren dertig nog veel voor in de streek. De Fransen steunde hem (uiteraard) in deze strijd en sloten vriendschap met Damboura en voelden zich goed thuis in Batouri. De Fransen maakten een plan om in en rondom dit dalletje, dat Batouri heette, een stad te bouwen.

Vanaf de Kadei ga je zachtjes aan naar boven toe, om zo Batouri voor je te zien liggen. Op de eerste heuvel hadden de Adventisten zich al geïnstalleerd, maar vlak na de missie van de Adventisten vonden de Fransen een heuvelrug die zich naar het Zuiden uitstrekte. Daar werd meteen een plan gemaakt om de gebouwen van de "Région" neer te zetten met daarachter de grote regeringsgebouwen zoals het Gerechtshof, de inspectie voor het onderwijs en de Agricultuur en andere departementen. In de bossen kwamen de villa’s van de chef de Région, Prefect en Sous- Prefect en de President van de rechtbank.

Van uit de toren van de kathedraal zien we voor ons het Maison Bourges, waar nu soeur Suzanne woont en waar ‘Terug naar Batouri’ logeert.

Achter het moeras zien we de heuvel waarop de administratie gebouwd heeft.

 


De heuvelrug aan de noordkant was nog vrij en toen de (Nederlandse) paters in 1938 ook een terrein zochten, kregen ze van de Fransen de noordelijke heuvel toegewezen en ze hebben daar ook hun katholieke missie gebouwd.

Op de oostelijke heuvel woonde Damboura, de chef van de Kako’s. Later heeft zich daar ook de presbyteriaanse kerk geïnstalleerd. Op het einde van de jaren dertig woonden er een 100-tal Fransen, die zelf alle diensten in handen hadden. Ze hadden zelfs een eigen weekblad met nieuwtjes voor de Fransen van Batouri.

In de westelijke kant van de stad woonden de meeste Fransen en ze noemde die buurt daarom ook "Quartier Blanc". De Fransen brachten veel klerken en andere lagere ambtenaren mee uit de hoofdstad en uit de streek van de Boulous. Voor hen bouwden ze simpele huisjes. Vanaf de prefecture tot aan het centrum van de stad bouwden ze een heel quartier voor de ambtenaren en omdat het allemaal Kameroenezen waren heette die wijk: "Quartier Noir".

Er kwamen steeds meer mensen uit heel Kameroen zich installeren in Batouri, omdat ze zagen dat daar wat te verdienen viel. De Fransen leggen wegen aan in het Quartier Mokolo zodat de nieuwkomers zich daar konden installeren. De Bamileke en de Haoussa kwamen vooral vanwege de handel.

Helemaal in het centrum bouwden ze een grote markt precies op de plaats waar nu de kathedraal staat. En rondom de markt bouwden Franse, Griekse en Libanese handelaars hun winkels.

En zo werd er in een paar decennia een mooi koket stadje gebouwd.

Batouri in 1965 -1970

Ik woonde in die tijd in Yokadouma, 200 km. naar het zuiden op het einde van de wereld. In Batouri woonde Toon Evers, een oud-dorpsgenoot uit Deurne.

Regelmatig kwamen we naar Batouri, om er even uit te zijn en om het contact met de buitenwereld te onderhouden. 
Ik herinner me dat het voor mij een hele opluchting was om even op adem te komen. Letterlijk op adem komen zelfs. Je moet het meegemaakt hebben om te begrijpen dat het oerwoud erg deprimerend werkt. Je hebt geen enkel uitzicht. Je zit als het ware onder die geweldige bomen, die 40 meter hoog zijn of meer. Als je op reis bent, rij je door een galerij, want boven je hoofd over de weg heen hangen de takken van de bomen. Je ziet soms dagenlang geen zon.

Ik herinner mij dat de pygmeeën, die altijd onder de bomen in het oerwoud blijven, uit het bos werden gehaald en moesten defileren in de stad voor een minister die op bezoek was. En we zagen de pygmeeën, de één na de ander, flauw vallen omdat ze niet tegen de zon kunnen.

In ieder geval wanneer ik in de buurt van Batouri kwam, zette ik even de auto aan de kant om te genieten van de open lucht en het uitzicht over de savanne. Ik genoot van de zon, de open vlakte. Iemand die van nature al somber gestemd is, houdt het in het oerwoud niet uit.

Batouri en de Landbouw

Achter de prefecture, in de afdaling naar de Kadei, hadden de Fransen het centrum voor de Landbouw gevestigd. De grond is daar bijzonder vruchtbaar. Ze hadden hun centrum groots opgezet. Hectares fruitbomen van allerlei soorten.

Voor een paar centen kon je daar het lekkerste fruit kopen. Verder hadden ze de gewone groenten zoals sla, worteltjes, bonen erwten, kool en noem maar op en dat alles in grote hoeveelheden. Ze konden heel Oost-Kameroen van verse groenten voorzien. Zelfs aardappelen groeiden daar goed. De blanken konden iedere dag hun aardappelen eten. De Kako’s hadden als hoofdvoedsel de Maniok. Ze hadden grote machines om die maniok tot poeder te malen. Omdat die machines nu niet meer draaien, voert Adefka, de vrouwenorganisatie, nu een hele campagne om voor iedere dorp een kleine molen te kopen zodat ze hun maïs en maniok zelf kunnen malen. In grote gebouwen werden de tractoren en andere landbouwmachines bewaard en andere gebouwen werden gebruikt als opslagplaats van de producten die ze verbouwden.

Ik moest vaak op reis met de oude T23 vrachtwagen om materiaal te halen in Batouri of in Bertoua. Als ik geen vracht had, ging ik altijd naar de Agricultuur en kocht zakken vol gemalen Maniok en ook zakken vol sinaasappels, mandarijntjes, mangues of goyaves. En soms een zak vol boontjes of worteltjes. En dat verkocht ik dan weer in Bertoua met winst.

Ik erger me vaak aan artikelen in het Weekblad voor Deurne, waarin bepaalde mensen, die zich voordoen als ervaringsdeskundige van Batouri, net doen alsof in Batouri het wiel nog uitgevonden moet worden en alsof ze nog onderaan op de ladder van de ontwikkeling staan. Terwijl in de jaren '60 veel kennis op veel gebieden ruimschoots aanwezig was. Toen ik daar mijn vrachtwagentje vol kon laden met fruit en groeten waren het allemaal Kameroenezen die mij bedienden. Ze weten dus heel goed hoe het moet en als veel dingen nu niet meer werken, zoals toen, dan zijn daar andere redenen voor. Het is niet het gebrek aan kennis dat de oorzaak van het verval is. Het is niet eerlijk om de mensen in Nederland wijs te maken dat de mensen van Batouri nog primitief en onderontwikkeld zijn. Momenteel zijn ze wel arm en hebben ze veel moeten inleveren van hun welvaart van de jaren '60.

Batouri en de Tabak

Ten noorden van de stad ligt de concessie van de SEITA. In de villa's woonden een tiental Franse families, die werkten in de tabaksindustrie. De meest bekende was wel Pierre de Ville en Madame.  Met ruim 10.000 planters zorgden ze er voor dat de meeste mensen van Batouri een goed jaarinkomen hadden. In Augustus, onder de schoolvakantie, gingen zowat alle kinderen van Batouri een tijdje werken in één van de enorme fabriekshallen van de SCT. Zij moesten de tabaksblaren uitzoeken naar lengte, kleur en kwaliteit en daarmee verdienden ze hun schoolgeld en nog wat extra geld om schriften en schoolboeken te kopen.

De Tabaksindustrie gaf de mensen een bestaanszekerheid.

Bovendien hadden de meeste mensen ook nog een plantage van cacao of van koffie en men betaalde toen hun producten nog heel goed. De mensen hadden wat geld en er waren veel voorzieningen waarvan ze konden profiteren.

Het vliegveld

Batouri had een internationaal vliegveld. Er was een lijndienst van Brazzaville, Batouri, Djamena, Frankrijk. Begin jaren '60 is er op een avond een vliegtuig van de internationale lijn in Batouri van de startbaan geraakt en hadden ze ineens 60 passagiers -de meeste waren Fransen- te logeren voor de nacht. Ik heb een keer mijn koffers afgegeven in Batouri en 20 uur later kwamen ze netjes tegelijk met mij in Eindhoven aan. In de jaren '80 was er praktisch iedere dag een vliegverbinding met Yaoundé en Douala. Batouri was in direct contact met de rest van de wereld!

Het centrum van de stad


Dit is de oude markt van Batouri, zoals ik die in 1965 heb aangetroffen.

In 1980 heb ik op de puinhopen van deze markt de kathedraal gebouwd.

Rondom de markt bouwden de handelaars hun winkels. Mme. Schmitt had een winkel van allerlei huishoudelijke artikelen en verder verkocht ze petroleum en had ze een pompstation voor benzine en gasolie. In 1976 was ze oud en is ze vertrokken naar Zwitserland en heeft haar gebouwen aan de missie gegeven. In 1979 ben ik daar gaan wonen en heb van daaruit de nieuwe missie van Notre Dame gesticht. Naast madame Schmitt stond de villa van Paul Khuri, een Libanees, die rijk is geworden met het opkopen van koffie en cacao. Voor zijn huis had hij ook een grote winkel en een pompstation. In zijn villa woonde een Fransman, Mr. Guitare, een filosoof, door de Jezuïeten opgevoed en hij kwam vaak bij ons buurten. Hij deed de winkel. De vader van Paul Khuri was pope van de orthodoxe kerk in Yaoundé. Zijn vrouw zei tegen haar zoon dat hij de villa in Batouri aan Père Henri moest geven (om zijn slecht gedrag wat goed te maken).

In 1992 kreeg ik inderdaad de villa om de groep straatkinderen die wij in huis hadden daar te huisvesten. Maar toen Mgr. Van Heijgen dat hoorde reserveerde hij de villa voor de bisschop die binnenkort benoemd zou worden. Nu woont er de bisschop.




Dit is Huize Bourges nadat we het weer als villa hadden opgeknapt.

Zuster Suzanne woont er nu en nog vele anderen. Ze hebben veel aan het huis veranderd en veel kamersgebouwd. Terug naar Batouri heeft hier zijn thuis adres.

 


Aan de andere kant van de markt woonde meneer Bourges, een mysterieuze Fransman. Hij was transporteur en had een paar vrachtwagens die het transport naar Yaoundé verzorgden, maar hij zat ook in de handel van goud en diamanten. Hij kwam niet veel onder de mensen. In 1970 vertrok hij naar Frankrijk en gaf zijn villa aan de missie. Met Jan Huijbregts heb ik die villa helemaal opgeknapt. Later zijn daar de zusters in gaan wonen en soeur Suzanne ontvangt daar de gasten van 'Terug naar Batouri', die jaarlijks in januari naar Batouri gaan.

Naast de villa van Bourges woonde Nikolarides, een Griekse handelaar, die tevens voor de aanvoer van drank zorgde en hij had een prima bakkerij.

De Grieken hadden ook veel duiven en toen we de kathedraal gebouwd hadden kwamen die duiven door de luchtgaten met zijn allen de kathedraal binnen en alles zat onder de duivenpoep. Ik wilde de duiven vergiftigen, maar gelukkig waarschuwde mij een politieman om dat niet te doen want dan zouden die duiven ergens op de markt neervallen en zouden de mensen ze meenemen en opeten met vergif en al. Op een avond nam ik mijn luchtbuks en schoot 22 duiven in de kerk neer. Een paar weken later kwam de Griek bij ons op de koffie en vroeg of we zijn duiven niet hadden gezien, want ze kwamen niet meer thuis.

"Wat je zegt, ik heb ze de laatste dagen ook niet meer gezien", antwoordde ik. Eind jaren '80 zijn de Grieken met de noorderzon vertrokken.

Ook aan de andere kant van de markt werden alle winkels gerund door blanken. Op doorreis konden we in Batouri onze inkopen doen.

Het ziekenhuis

De medische verzorging was uitstekend in Batouri. In de Franse tijd was het het beste ziekenhuis van Oost-Kameroun en tot eind jaren '80 heeft het ziekenhuis prima gefunctioneerd met soeur Albertine en met docter Henri en anderen. Zelfs onze paters kwamen naar Batouri om in het ziekenhuis geopereerd te worden, zoals père Simon van Cuijk.

De meeste bevallingen vonden plaats in het ziekenhuis. Ik werd vaak genoeg ’s nachts naar het ziekenhuis geroepen om een kindje, van wie de geboorte niet goed verliep, te dopen totdat de vroedvrouw tegen me zei: "Mon Père, je hoeft niet iedere keer te komen om te dopen. Ik ben protestant en soms doop ik ook voor de protestanten, maar ik kan in tijd van nood toch ook wel voor jou dopen.". Ik vond het voorstel zo spontaan en goedgemeend dat ik zei: "Afgesproken. In tijd van nood doop je maar in mijn plaats.". De vroedvrouw was trouwens de moeder van Justin,de forestier. Wij gaan nu weer kraamklinieken bouwen omdat het ziekenhuis niet meer werkt!!

In Kambele bij de protestanten zat trouwens ook een zeer bekwaam tandarts, die ook hele tandprotheses maakte. Het was een Kako van Batouri  en hij was in Amerika opgeleid. Hij heeft 30 jaar lang mijn tanden prima verzorgd. De prothese, die hij voor me maakte in 1979,  is nog steeds goed.

Onderwijs

Het onderwijs was niet de sterke kant van de Fransen. Overal in de centra waar zij zich geïnstalleerd hadden, bouwden ze grote lagere scholen. In Batouri bouwden ze vlak bij het gerechtshof en die gebouwen staan er nog steeds. Ze lieten zelfs onderwijzers uit Frankrijk komen om les te geven in Batouri. Maar ze waagden zich niet buiten de stad. Buiten de stad waren er dus geen scholen. Vanaf de jaren '60 hebben wij daarom op een tiental plaatsen in de brousse schooltjes opgericht om de kinderen daar ook een kans te geven.

De Fransen zorgden voor de lagere scholen maar er was door hen niets voorzien als voortgezet onderwijs. Daarom ontstond op de missie het idee om een college te bouwen, en de kinderen de mogelijkheid te bieden om het middelbaar onderwijs te gaan volgen. Met de hulp van de Nederlandse regering werd het college BARY gebouwd. In september 1966 startte broeder Gabriel van der Linden zijn college Bary. In januari 1973 kwamen trouwens prinses Beatrix en prins Claus hoogstpersoonlijk naar Batouri om het college officieel te openen.

Wij hadden een beurs in Nederland voorzien voor arme studenten. De Kako- en Baya-kinderen van de hoogste klas van de lagere school, die goede punten hadden, werden ieder jaar door ons uitgenodigd om naar het college te komen en dan kregen ze een beurs, zodat ze gratis onderwijs genoten. Dit deden we om de plaatselijke bevolking ook een kans te geven. En dank zij die beurzen heeft het college Bary ministers en vertegenwoordigers van de Kako’s op alle belangrijke posten in de administratie voortgebracht. Het is eigenlijk jammer dat dit fonds van die beurzen nu niet meer bestaat.

Het college Bary staat in Kameroen nog steeds hoog aangeschreven en het is zeker een belangrijke bijdrage om de Kako’s te helpen zich een plaats te verwerven in de vaart der volkeren. Op dit ogenblik wordt het college geleid door Franse zusters van Sint Jan.

Vanaf 1988 heb ik trouwens geprobeerd, samen met de toenmalige burgemeester van Batouri, Mr. Adjibolo, om vriendschapbanden aan te gaan met Deurne, van waaruit ik indertijd naar Afrika was vertrokken. Toen de gemeente Deurne eindelijk in 1994 besloot eens te gaan kijken in Batouri, raadde ik de bezoekers aan om vooral ook het college Bary  te bezoeken. Ik kreeg toen als antwoord dat Bary door de contacten met de blanke missionarissen al ‘ bedorven’ was. Zij wilden contact zoeken met de "pure" echte Kako’s, alsof die al bestonden. Ik was wel erg teleurgesteld en die opmerking  heeft me wel pijn gedaan.  Alsof wij door onze aanwezigheid de mensen daar bedorven zouden hebben...Ik heb op den duur daarom ook afstand genomen van de vriendenkring Deurne - Batouri en werk nu met vrienden die op hun manier proberen zich in te zetten voor toekomstgerichte projecten in Batouri.

De fanfare van het college Bary rond 1980.


De Chef Bary

Bary was de laatste grote chef van Batouri.  In de jaren '50 trok hij door de stad, hoog op zijn paard gezeten, in traditionele klederdracht en vergezeld door 4 adjudanten. Hij werd door de Fransen erkend als chef  van de Kako’s.

Op 21 mei 1957 stuurt de chef Bary zijn ouderlingen naar de katholieke missie. Zij zeggen tegen de abbé Minkat Liboire, dat de chef ernstig ziek is en gedoopt wil worden. Maar Bary is een groot polygaam. Hoe moet dat dan??

De abbé gaat mee naar Bary en legt hem uit dat hij af moet zien van de polygamie als hij gedoopt wil worden. De abbé laat twee katechisten achter om de chef verder te onderrichten. De Franse dokter in het ziekenhuis zegt wel dat de toestand van de chef heel ernstig is.

Op 23 mei komt de (Franse) chef de division de abbé Liboire ophalen om samen met hem naar de chef Bary te gaan. Daar zijn de rechters van de rechtbank ook al aanwezig. De chef Bary laat zijn vrouwen één voor één naar voren komen en verklaart aan de één na de ander dat ze van nu af vrij zijn. Hij houdt Bougoue als enige vrouw en stuurt de anderen weg.

Diezelfde avond wordt Bary gedoopt.
Op 27 mei sterft Bary. Er waren ruim 15 000 man op zijn begrafenis. Zijn naam leeft voort in het College Bary.

Ten slotte

In Batouri is veel ontwikkeling en kennis aanwezig. Nu het wat slechter gaat economisch en nu er geen geld meer is en de mensen ook geen producten meer kunnen verkopen op de wereldmarkt, zijn er toch nog veel positieve krachten in Batouri. Mensen die samen wegen zoeken om te overleven en de crisis te boven te komen. Het is wel belangrijk voor ons dat wij die positieve krachten op het spoor komen en samen met hen wegen zoeken om het hoofd boven water te houden, wat er ook gebeurt.

Batouri, het kokette stadje van Oost-Kameroen


Toen ik in 1965 voor het eerst Batouri zag, was het net alsof ik een sprookjesstad binnenreed. Alsof ik weer in de bewoonde wereld kwam. We waren al 2 dagen onderweg vanuit Yaoundé, de hoofdstad van Kameroen. Wij reisden toen nog altijd via de noordelijke route (Nanga - Eboko, Minta, Diang, Bertoua).

De wegen waren erbarmelijk slecht. En wat we het meeste tegenviel op mijn eerste reis naar Batouri, was datgene wat ik zag aan huizen en mensen langs de weg. Wij reden door het oerwoud, uren lang, en zagen af en toe een min of meer grote nederzetting van allemaal dezelfde grijze lemen hutjes met een strooien dak. Golfplaten zag je bijna nergens. Het was zo eentonig en primitief, dat je er een sombere bui van kreeg. Ik hield mijn hart vast. Zou ik hier ooit kunnen wennen?    

Zelfs Bertoua stelde niet veel voor. Een zandweggetje door het centrum met links en rechts een paar winkels en een paar gebouwen, weer een rij lemen hutjes en we hadden Bertoua gezien.

Wij rijden Batouri binnen:
Eenmaal de brug van de Kadei over,  rijden we met grote bochten naar boven de stad in.

Rechts bij de ingang van de stad staat hoog op een heuvel de missie van de Adventisten, met kerk, ziekenhuis, scholen en villa’s van de verantwoordelijken  van de missie. Prima onderhouden gebouwen. Een herademing na al die lemen hutjes. 


En meteen rechts zien we het paleis van Marigoh, met een verdieping erop en met een torentje, alles prima onderhouden. Sinds de onafhankelijkheidsdag in 1960 is Marigoh de tweede man van Kameroen. Hij woont hier als een koning met zijn 20 vrouwen.

En als je dan de stad inrijdt zie je links en rechts overal "echte" huizen, vaak in rode baksteen, met rode pannen of van die zware zinken golfplaten. Overal staan stenen huizen en in het centrum vinden we grote winkels waar je van alles kunt kopen. Veel winkels zijn nog in handen van blanken.

Maar wat maakt van Batouri zo’n apart mooi koket stadje??

De Flamboyants !!!!

Langs de straten in de stad staan overal rijen flamboyants. Die prachtige grote bomen met hun felrode bloesem. Helaas zijn de meeste van die bomen nu verdwenen. In de jaren zestig was de hele stad één bloemenzee. Alsof je in een sprookjesland binnenkwam.

De Fransen hebben de stad Batouri opgebouwd tussen 1930 en 1960 en ze hebben er een juweeltje van gemaakt. Maar daarover later.


Flamboyant in een straat in Batouri.

Foto gemaakt in 2007 door Marga Piepers.


Geschiedenis van Batouri

Rond het jaar 1850 heeft zich een groep Nigerianen uit Carnot in Batouri geïnstalleerd. Het zijn naar alle waarschijnlijkheid de eerste bewoners van Batouri. In de 19-de eeuw probeerden de muzelmannen een verbinding tot stand te brengen van Noord-Afrika naar donker Afrika, tot in Congo en Angola.

Ze stuurden hun mannen er op uit met wat geld en met de opdracht om op iedere 25 -30 km. afstand  nederzettingen te bouwen, zodat er een vaste verbinding kwam van eigen volk van noord naar zuid. Als er op de plek al andere mensen woonden, kochten zij gewoon een terrein en zelfs de hutten van de mensen en bleven daar wonen. Eenmaal goed geïnstalleerd kwamen ook hun  vrouwen hen achterna. Zo hadden ze veilige routes om daarlangs hun diamant, goud en ander koopwaar te vervoeren. Ze gebruikten die routes ook om de slavenhandel te organiseren.

Ik heb lang gewerkt in de zuidelijke missie en ik heb overal in het zuiden om de 25 kilometer die nederzettingen teruggevonden. In Ndelele, Yokadouma en Moloundou en verder aan de overkant in de Congo.

Batouri bestond in 1850 nog niet toen Meneer Sani en een paar anderen zich vestigden. Er woonde toen verder niemand. De nazaten van die meneer Sani  zijn al die tijd invloedrijk geweest in Batouri en ze wonen nog steeds vlak bij de moskee. El Hadji Sani was een persoonlijk vriend van de katholieke missie in onze tijd. Ieder jaar organiseerde hij een grote bedevaart naar Mekka voor een honderdtal muzelmannen. Wij hadden het agentschap van de Cameroons Airlines. Voor ieder biljet dat we uitschreven, hadden we 9% provisie. Tel uit de winst! Met dat geld  hielpen we de missie van Djouth te overleven...

De komst van de Kako’s

Waar komen ze vandaan?

De Kako’s woonden vreedzaam in de Soudan en hadden helemaal geen plannen om daar te vertrekken. Maar in het midden van de 19de eeuw, rond 1850 dus, kwamen er steeds meer Muzelmannen uit het Noorden en trokken door Soudan naar het zuiden. Ze waren zeer agressief: "Bekeer je of sterf" was hun devies en aangezien de Kako’s niets met de muzelmannen te maken wilden hebben en ook niet wilden sterven, besloten ze naar het Zuiden te trekken. Het zou een lange trektocht worden van misschien wel 40 jaar lang. Door de Centraal-Afrikaanse Republiek trokken ze richting Congo. Maar daar kwamen ze in het oerwoud terecht waar al veel mensen woonden. De Kako’s waren op den duur dappere strijders geworden en ook wel overmoedig. Ze dachten dat ze iedere stam wel aankonden. Ze hadden hun strijd altijd geleverd in de savanne. Ze hadden geen ervaring met het oerwoud en liepen daar dan ook nederlaag na nederlaag op. Ze werden teruggeslagen naar het noorden van de Centraal-Afrikaanse Republiek en omdat er in dat  gebied maar weinig mensen woonden installeerden ze zich  in kleinere groepen. Ze blijven voor langere tijd wonen in de streek van Gaza in de Centraal-Afrikaanse Republiek.

In Gaza ontmoeten ze Batouri , een oude Kako-strijder, die daar al jaren woonde. Batouri was een groot strijder en een groot jager. Toen Batouri zag dat er een aantal jonge strijders beschikbaar waren begon het weer te kriebelen en stelde hij voor om weer op oorlogspad te gaan. Hij nam de leiding van de expeditie op zich ondanks zijn leeftijd.  Ze trokken richting Kameroen en bijna alle groepen Kako’s, die in de Centraal-Afrikaanse Republiek woonden, sloten zich bij hen aan.

De vreedzame stam van de Kako’s, die vroeger in Soudan woonde, is niet meer die vreedzame stam van weleer. Het is een stam op oorlogspad geworden.

Het sociale leven van de stam past zich helemaal aan de nieuwe werkelijkheid aan. De moedigste strijder wordt de absolute leider van de hele stam. Hij maakt de plannen van de expedities en samen met de dappere strijders vallen ze de bosbewoners aan. Zij vormen de voorhoede van een stam op oorlogspad. Ver daarachter volgen de vrouwen en die zorgen voor de kinderen en de ouderen en degenen die ongeschikt zijn voor de grote strijd. Deze groep volgt de dappere strijders, maar halen ze nooit in. In deze groep organiseert het dagelijkse leven zich (waarbij de vrouwen een belangrijke functie hebben). De mannen trekken maar voort en bemoeien zich niet met de rest. (Later als de Kako’s zich definitief installeren blijkt dat de vrouwen heel veel macht houden en dat de man een tweede viool moet spelen, omdat hij vroeger ook nooit thuis was.)

Het was niet vanzelfsprekend voor hen om in het gebied van Batouri te komen. Ten oosten van Batouri woonden toen al de Bayas, die oorspronkelijk uit de Centraal-Afrikaanse Republiek kwamen, en die hun territorium tegen de nieuwkomers verdedigden. Verder naar het zuidoosten woonden de Bousoukous en in het zuiden zaten de Medjimés, Bangantous en allerlei andere bantoe-stammen. Ze konden alleen vanuit het Noorden richting Batouri optrekken.

Rond 1880 installeren zich Batouri met zijn mannen op de plek waar nu het vliegveld ligt. 


Het ijkpunt voor de landingen op het vliegveld van Batouri. 

Hier hebben de Kako’s zich voor het eerst geïnstalleerd op het eind van de 19de eeuw.


Ondertussen zijn de Duitsers zich aan het installeren in Kameroen en toevallig komen de Duitsers door deze streek en tot overmaat van ramp worden de jongemannen gevangen genomen en als slaven afgevoerd.

De Kako’s vluchten weer over de grens naar de Centraal-Afrikaanse Republiek, maar kwamen snel weer terug. Dit keer gingen ze wonen in Sambo en op het plateau waar nu de prefecture staat. Zij kozen voor deze plek omdat ze hun lesjes hadden geleerd van de bosbewoners. Achter Sambo begon het oerwoud en de Kako’s gebruikten dat oerwoud om zich daarin te verschuilen en om vanuit het bos de vijand aan te vallen.

In feite hadden de horden van de muzelmannen zich al een hele tijd niet meer laten zien. Ze hadden zich teruggetrokken in Soudan om zich te reorganiseren en rond 1890 trokken ze er weer op uit. Ze wisten dat de Kako’s nog steeds niet tot de Islam bekeerd waren en ze waren vast besloten de Kako’s te gaan uitroeien. De hele horde krijgers kwam in Batouri aan, maar de Kako’s zaten veilig verstopt in de bossen en de muzelmannen met hun paarden en lichte wapens konden helemaal niks in het oerwoud. Het zijn tenslotte de strijders van de savanne. Maandenlang stonden ze zo tegenover elkaar. De muzelmannen durfden het bos niet in en de Kako’s durfden er niet uit te komen.

Totdat het de grote krijger BATOURI te veel werd. Hij, als de moedige krijger, voelde het als een schande om zich te verstoppen en de strijd niet aan te gaan. Hij verzamelde zijn krijgers en viel aan, maar met hun primitieve wapens konden ze niet op tegen de muzelmannen. Tot overmaat van ramp werd Batouri getroffen door een pijl en stierf op het slagveld. Maar daarmee waren de Kako’s nog niet verslagen. De dood van hun grote leider gaf hen zoveel energie dat ze niet meer  te houden waren en de strijd doorzetten tot de dood of tot de overwinning, want ze wilde wraak nemen op de dood van hun leider. Ze slagen erin de muzelmannen te verjagen!! Ze waren hun leider kwijt maar ze hadden het wel klaar gekregen om de muzelmannen te verjagen en de Islamisering tegen te houden.

De Kako’s installeren zich verder in Batouri en rond de jaarwisseling, rond 1900, geven ze de stad een naam en wel de naam van hun grote leider Batouri. En die naam is gebleven.

En hoe zat het met de Duitsers?

Vanaf 1885 beschouwen de Duitsers de Kameroen als hun eigendom.
Ze sluiten overeenkomsten met de traditionele chefs in Douala, Yaoundé en verder in het hele land. Ze pakken het grondig aan zoals je van een Duitser kunt verwachten. Schepen vol personeel worden aangevoerd vanuit Duitsland. Zelfs de missionarissen, zowel katholiek als protestant, komen mee naar Douala. Overal worden garnizoenen gebouwd en een administratieve eenheid geïnstalleerd. In een korte tijd  hebben ze wonderen verricht in het land. Vaak is er gezegd dat de Kameroen er heel wat beter had uitgezien als de Duitsers wat meer tijd hadden gekregen. De Duitsers bezetten eerst Douala, Yaoundé en het Centre-Sud (Kribi Ebolowa Sangmelima). Overal kwamen er binnen de kortste keren scholen, ziekenhuizen, regeringsgebouwen. Ze trokken door het land op sidecars, zijspanmotoren.

Ze trokken ook al snel naar het Oosten. Via Akonolinga gingen ze naar Ayos en vandaar naar AbongMbang. In Doumé bouwden ze een groot fort. Doumé werd voor hen de hoofdplaats van het Oosten. Vanuit Doumé trokken ze verder naar het zuiden en binnendoor via Lila, Ndelele, Yokadouma gingen ze naar Moloundou. Ook in Moloundou bouwden ze een groot garnizoen. In Moloundou was een kazerne bemand door jonge Duitse militairen die de Kameroen moesten beschermen tegen de aanvallen van de Fransen die aan de overkant in de Congo zaten. In Moloundou,  helemaal op het einde van de wereld,  midden in het oerwoud praktisch op de evenaar, is in 1916 de Eerste Wereldoorlog uitgevochten. De Fransen kwamen met een stoomboot vanuit Ouesso in Congo naar Moloundou. Ze vielen de 18 Duitse militairen die daar de Kameroen zaten te verdedigen aan en vermoordden ze allemaal. De Bangantous hebben voor de gesneuvelden 18 grafmonumenten gebouwd, met ankers en roeren en andere onderdelen van oude schepen. Ik kon mijn ogen niet geloven toen ik in 1966 die grafmonumenten zag en het verhaal hoorde.

De Duitsers zijn dus vanuit Doumé binnendoor naar het zuiden getrokken en hebben Batouri links laten liggen. Er zijn wel wat Duitsers in Batouri geweest, maar ze hebben er niks gebouwd. Er woonden toen ook nog bijna niemand en ze vonden het waarschijnlijk niet belangrijk genoeg.

Na de Duitsers kwamen de Fransen. Zij maakten van Batouri de hoofdstad van de Oost en bouwden er een koket mooi stadje.

Ik had me voorgenomen dat mooie stadje van toen te beschrijven, maar toen ik even bezig was, werd ik zo geboeid door de geschiedenis van de Kako’s, dat ik het niet kon laten dat even te vertellen. Veel van die verhalen heb ik ook van horen zeggen en veel van die feiten zijn, zover ik weet, nergens opgeschreven, en het zou jammer zijn dat die kennis verloren zou gaan.

Met dit al is het verhaal alweer lang genoeg.
En hoe mooi en ontwikkeld Batouri in de jaren zestig van de vorige eeuw was kunt u lezen in een volgend verhaal.

Ben je wel eens echt bestolen?


Ik wel...en meer dan eens!

1                    De maandsalarissen van 15 onderwijzers gestolen

Wij gaan even terug naar 1973.
1973 is een rampjaar voor de katholieke missie van Yokadouma.

Sinds 1965 werkte ik in Yokadouma samen met pater Ties van de Mortel. Het was een glorietijd en iedereen wilde op de missie zijn. De missie werd een invloedrijk instituut. Twee jongens uit Yokadouma zijn al priester gewijd en kunnen het werk op den duur overnemen.

In de jaren zeventig dook er een nieuwe ziekte op: Hépathite virale australian, een ernstige leveraandoening. En het leek heel besmettelijk want als iemand op de missie het kreeg kon je er bijna zeker van zijn dat iedereen de ziekte kreeg. Niemand wist hoe men besmet raakte maar het was meestal wel raak.

Met Pasen 1972 ben ik doodmoe. Het was enorm druk met de  feestdagen en we moeten nodig even op rust, maar ik kom niet over mijn vermoeidheid heen. Op den duur begin ik steeds meer geel te worden en was het duidelijk dat ik hépathite kreeg. De dokter was op vakantie, maar de vrouwen van de missie maakten van gekookte planten een dikke witte pap, die ik voorgeschoteld kreeg en warempel: de gele kleur op mijn huid verdween.

Maar ik bleef heel moe en toen de dokter eindelijk kwam gaf hij me spuiten en verbood de inlandse medicijnen te gebruiken. Met al die spuiten werd ik alleen maar zieker zodat ik de dokter naar huis stuurde en verder ging met de inlandse planten, totdat er een vliegtuig naar Holland geregeld was.

Soeur Marie Berthe en Jacqueline Mougin (een Franse verpleegster) houden de polsslag in de gaten 
(Jacqueline  komt een jaar later om bij een auto-ongeluk op de weg naar Lomié).


In augustus 1972 komt ik terecht op de rimboe afdeling van het St. Franciscus ziekenhuis in Rotterdam en blijf daar een paar maanden liggen.

Na  8 maanden ben ik toch weer zover opgeknapt dat ik terug kan gaan naar Yokadouma.  Yokadouma is ondertussen ook drastisch veranderd.

Ties van de Mortel is ook geveld door de hepatitis, evenals soeur Marie Angèle Salden, een Belgische zuster. Zij worden niet meer beter en zullen allebei op den duur overlijden aan de gevolgen van de ziekte.

Ondertussen zijn er een 8-tal jongens uit Oost-Kameroen priester gewijd.
Eén van hen, Remy Zë, heeft al een jaar in Belabo gewerkt, maar blijkbaar heeft hij er in Belabo een potje van gemaakt, want de bisschop was genoodzaakt om hem daar na een jaar weg te halen en omdat Yokadouma toen leeg stond, heeft Monseigneur hem in Yokadouma neergezet. Wij hebben dat Monseigneur erg kwalijk genomen want ook in Yokadouma ging het helemaal mis met hem. 
Toen ik terug kwam na acht maanden, had Remy de missie overgenomen, en hij liet me ook meteen merken dat de tijd van de blanken voorbij was. Hij had bijvoorbeeld "onze " vrachtwagen (je weet wel : de vrachtwagen waarmee we de zieken gingen ophalen om ze naar het ziekenhuis te brengen), verkocht en de mensen waren daar niet blij mee. Het liep allemaal uit de hand en ik snapte er niks meer van. Ik had er al meteen spijt dat ik weer terug was gekomen naar Yokadouma...

In Mei  ga ik naar Bertoua om de salarissen van onze onderwijzers op te halen. Als ik thuis kom doe ik het geld meteen in de kluis, en ga even plassen. Ik laat voor die twee minuten mijn kamerdeur open en de sleutel van de kluis laat ik zomaar op mijn bureau liggen. Ik kom na twee minuten terug en u raadt het al.  De kluis staat op en het geld is weg. Dit kan alleen maar iemand gedaan hebben die heel goed de weg weet op mijn kamer. Ik ga tien minuten op mijn bed liggen om na te denken wat ik nu moet doen.

Ik ben thuis gekomen en meteen naar mijn kamer gegaan. Ik heb niemand gezien op de missie. Ik weet niet of er iemand thuis is.


Dit is de missie van Yokadouma.

Er kan best iemand op de missie zijn zonder dat je het merkt. Het is groot en onoverzichtelijk.

 


Ik sluit mijn deur weer en  ga aangifte doen bij de commandant de Brigade. De commandant de  Brigade komen met een paar andere gendarmes naar de missie en ze vinden daar de abbé Remy, die wel thuis bleek te zijn. Ze nemen de abbé mee naar het bureau, hoewel ik hiertegen protesteer omdat het mijn collega is. Maar ze namen hem toch mee, want, zeiden ze, hij moet weten wie er nog meer in huis was op dat moment en dat is belangrijk voor het onderzoek.

Na een uurtje komen de gendarmes terug op de missie met de abbé en de commandant verzekert mij dat het geld terug gevonden wordt. Ik moet mee naar het bureau om wat vragen te beantwoorden.

Op het bureau zit Modeste Alemba, onze  kok. De abbé Remy  heeft gezegd dat mijn kok hier meer van af weet en daarom hebben ze Modeste gearresteerd. "Modeste houdt natuurlijk zijn tanden op elkaar, maar we krijgen hem wel aan het praten", zei de commandant. In een lege kamer naast het bureau wordt een vuurtje aangelegd. Modeste, onze kok, wordt uitgekleed en aan een touw boven het vuur gehangen. Het vuur wordt aangewakkerd en de touwen worden gevierd zodat hij steeds dichter boven het vuur komt te hangen.

"Als je zegt waar het geld is, trekken we je weer omhoog en als je niets zegt, dan verbrand je levend.", zei de dienstdoende gendarme.

Ik kon het niet meer aanzien en zei : "Hij kan het geld houden maar hou hiermee op, dit is onmenselijk",  maar de commandant stuurde me weg en zei dat ik me niet met het onderzoek te bemoeien had. Punt uit.

Ik ging naar huis met gemengde gevoelens. In wat voor een wespennet ben ik nu weer verzeild geraakt. Wat moet ik doen? Ik weet het echt niet.
Mijn medepastor Remy is nergens te bekennen. Wat moet ik van hem denken?

In ieder geval om 21 uur (in Afrika is het dan al lang nacht) komen er een paar jeeps van de politie, luid toeterend, de missie opgereden. Wat nu weer...

Ze hebben het geld teruggevonden.
Uiteindelijk wist mijn kok er alles van en heeft hij tenslotte toch gesproken. Op 26 km. van de stad, achter het dorpje Landjoué, op de weg naar Lomié, stond het geld in de mik van een grote boom langs de weg. Het geld zat in een ijzeren kistje. Op een tientje na zat al het geld er nog in. Ik moest het meteen natellen en tekenen dat ik het geld terug had. In de jeeps zaten Modeste, onze kok, en een paar handlangers.

Het geld is terug, maar ik zit met een kater.

Gelukkig wordt onze kok niet ter dood veroordeeld. Dit omdat ik mijn deur open had laten staan en er dus geen geweld is gebruikt om binnen te komen. Hij kreeg wel 15 jaar gevangenisstraf. In Yokadouma wordt Modeste als gevangene meteen kok bij de prefect. Wat wil je: de kok van een blanke! Maar al gauw wordt hij overgeplaatst naar Douala.

Na verloop van tijd krijg ik een brief van Modeste vanuit Douala. In de brief zit een tientje, het geld dat er ontbrak toen de politie het kistje vond boven in de boom in Landjoué. In de gevangenis  in Douala leerde Modeste een Griek kennen die vanuit de gevangenis nog een heel crimineel netwerk leidde. Modeste mocht als kok vaak naar buiten en de Griek gebruikte Modeste om zijn contacten met buiten te onderhouden. Tijdens één van die gevaarlijke missies is Modeste toen door de politie doodgeschoten. Ik heb nooit enig vermoeden gehad dat Modeste niet te vertrouwen was.

Bovendien was er nog een ander probleem. Laurent en Etienne zijn de twee jongens uit Yokadouma die priester zijn gewijd en Modeste was getrouwd met het enige zusje van die twee abbés...Hoe zullen zij reageren?

Ik houd er een slecht gevoel aan over. Wat is de rol van mijn collega? Was hij op de hoogte? Hij heeft er wel voor gezorgd dat het geld terug kwam. Hij was duidelijk tegen de blanken en zat te popelen om alles over te nemen en ik moest dus ook weg, dat was duidelijk.

In juli gebruikte de prefect dit probleem om me een klap mee te geven, toen hij probeerde mij te expulseren. Wat doe ik eigenlijk nog hier als enige blanke op de missie? Maar ik vond ook dat ik de mensen niet in de steek mocht laten. Het escaleert steeds meer en uiteindelijk was de maat vol en besluit ik weg te gaan en een jaartje recyclage in Parijs te maken om alles eens op een rijtje te zetten. Zo gezegd zo gedaan. En ik vertrok naar Parijs.

2                    In Batouri word ik opnieuw bestolen

Na een jaartje recyclage in Parijs word ik gevraagd om in Batouri een stadsparochie op te richten. In 1977 kom ik aan op de oude missie van St Martin, om van daaruit iets in de stad te organiseren.  St Martin was toen een drukke missie. De paters Jos Schuch en Piet Bennebroek woonden op St. Martin, evenals Joseph Roulling, een Belgische priester, die verantwoordelijk was op de Leproserie. En verder Rosemarie Hösch, een Duitse verpleegster. Wij hadden vaak gasten. Paters en zusters uit het achterland van Yokadouma en uit Berberati in de Centraal-Afrikaanse Republiek, op doorreis naar Bertoua of Yaoundé bleven vaak een nacht over bij ons.

Op 12 juli 1978 word ik om kwart voor zes wakker.

Ik lig in mijn onderbroek op het matras van mijn bed. Het licht is aan en de deuren staan open en ik heb het koud. Ik zie dat de kastdeuren openstaan en dat de kleerkast leeg is. Voor mijn bed zie ik een dikke knuppel liggen van 2 meter lang, zo dik als een arm, en aan de ene kant scherp aangepunt (om me kalm te maken als ik tijdens hun werkzaamheden  wakker zou worden). Ik had een vieze smaak in mijn mond alsof ik pas geopereerd was.

Langzaam drong het tot mij door dat ik vannacht bestolen was.
Hoe is het mogelijk? Wij sliepen met 6 man in huis en niemand heeft iets gemerkt, terwijl ze toch een hele tijd op mijn kamer aan het werk zijn geweest.

Hoe zijn ze te werk gegaan?

Om te beginnen hebben ze gedroogde planten, die een hallucinerende uitwerking hebben, in een potje voor mijn raam laten branden. Wij hadden geen glas in de ramen maar persiennes. Dat zijn schuine latjes die we in het raam  zetten zodat er altijd frisse lucht naar binnen komt. In dit geval kwam de verdovende lucht dus ook naar binnen, zodat ik in een diepe slaap verdween.

De ramen waren wel op slot en zaten met een ijzeren pin vast in de vensterbank. Zij hadden een handboor bij zich en hebben gaatje voor gaatje de vensterbank open geboord. Er zaten wel 15 gaatjes in de vensterbank. (Als je naar Batouri gaat kun je waarschijnlijk die geboorde gaatjes nog zien want dat hebben als souvenir zo gelaten.) Ze hebben daar best een tijdje op staan te werken. Eenmaal binnen gekomen zagen ze dat hun gedroogde planten hun uitwerking hadden. Ik sliep als een os. De kasten en bureaula’s werden leeggehaald en afgevoerd. Maar dat niet alleen. Ze hebben me van het bed gelicht en de lakens en de deken onder me uit getrokken en mijn pyjama uitgetrokken en alles mee genomen. Dus ik lag daar in mijn onderbroek op het matras...(Gelukkig ben ik niet wakker geworden toen ze met me bezig waren. God weet wat ze dan gedaan zouden hebben...)

Zo werd ik dus wakker en ik had het koud en er was niets meer op mijn kamer om me mee te bedekken. Ik riep Jos Schuch en vertelde mij wat er gebeurd was en of hij wat kleren kon brengen. De 5 anderen die op de missie waren kwamen kijken en iedereen was stomverbaasd dat zoiets mogelijk was.

Een pater uit Berberati zei dat vannacht de waakhond stevig te keer ging en dat hij was opgestaan en een keer had rondgelopen, maar niets verdachts had gezien.

En wat nu gedaan? 
De mensen uit de buurt moeten toch ook iets gemerkt hebben. Om half zeven begint de vroegmis en Jos legt de mensen uit wat er gebeurd is en hij zegt dat we in staking gaan en geen mis meer doen voor het volk, zolang dit probleem niet opgelost is, want, zei Jos, "Jullie weten altijd alles van elkaar en als het over ons blanken gaat dat weet je niks."

Tot onze verwondering komen de mensen uit de buurt tegen een uur of tien het één en ander terug brengen. Het paspoort en rijbewijs en andere papieren die ze meegenomen hadden. Dat hadden ze gevonden in de bosjes vlak bij de missie. De dieven hebben waarschijnlijk op hun gemak daar alles zitten uitzoeken. Van het geld en de kleren hebben we nooit meer iets gehoord.

Waarom hadden ze juist mij uitgekozen?  
Ik had de opdracht een nieuwe kerk te bouwen in de stad en de laatste weken waren we druk bezig om de papieren in orde te maken op het kadaster voor de nieuwe kerk. Ze hadden misschien gedacht dat ik het geld had om een kerk te bouwen.

Ik ga naar het politiebureau om aangifte te doen. En wie tref ik daar: Liliane.
Liliane is een Oostenrijkse verpleegster, die op de missie van de Adventisten werkt bij de ingang van de stad. Zij is de enige blanke op de missie van de Adventisten. Zij is erg geliefd bij de mensen en doet alles voor ze. Ze komt ook vaak bij ons en als we iets te vieren hebben, wordt ze altijd uitgenodigd. En zij nodigt ons ook bij haar uit. Ze was wel erg fanatiek in het geloof en kwam daar ook openlijk voor uit. Zo zaten we een keer wat uit te rusten op de veranda en toen vroeg ze mij:  "Père Henri,  geloof jij echt dat de Heer Jezus weer terug komt op aarde om iedereen te oordelen? En dat de Heer Jezus zelfs binnenkort kan terugkomen?" Ik antwoordde: "Natuurlijk geloof ik dat, want dat staat ook in de Bijbel." En zij antwoordde: "Père Henri, je moet je schamen. Je zit daar gewoon een sigaret te roken en een biertje te drinken, terwijl je weet dat de heer Jezus ieder moment terug kan komen." "Ach Liliane", zei ik, "Hij mag gerust terugkomen maar volgens mij is Hij niet zo streng als je denkt." "Ik hoop dat je gelijk hebt, want je bent eigenlijk toch wel een goed mens.", zei ze.

Maar wat deed Liliane daar op het politiebureau? Juist in dezelfde nacht was ze ook bestolen, op dezelfde manier. Bij haar waren ze door het plafond naar binnen gekomen en hadden alles, ook haar beddengoed meegenomen.

Nadat ze haar relaas had gedaan moest ze tekenen om een aanklacht in te dienen tegen een onbekende, maar dat deed ze niet. Ze zei: "God, de almachtige, zal de dieven wel straffen en dat is voldoende." En daar zat de politie voor schut.

Ik deed ook mijn relaas en omdat ze door te boren het raam hadden opengebroken, zei de commandant: "Als we de dieven vinden worden ze ter dood veroordeeld."
Dat was ook weer niet de bedoeling. Ik moest even slikken. Stel je voor dat de dieven gevonden worden en geëxecuteerd worden. Dan heb ik een probleem. Na wat wikken en wegen trek ik mijn aanklacht ook weer in. Ik wil niet het risico nemen dat ze ter dood veroordeeld worden.
Dit werd mij niet in dank aangenomen. Wij zijn hier om voor jullie veiligheid te zorgen maar jullie werken niet mee en jullie accepteren onze wetgeving niet. In dit geval niet dus.

Ik heb verder nooit meer iets gehoord van de gendarmes noch van de dieven.

3                    Soms konden we er ook om lachen

Zo kwam ik een keer thuis in de regentijd met mijn schoenen helemaal onder de modder. Ik doe mijn schoen uit op de veranda en ga naar binnen om een kop koffie te drinken. Toen ik weer buiten kwam, waren mijn schoenen verdwenen. Ik heb waarschijnlijk een paar keer stevig gescholden en ben naar mijn kamer gegaan om daar een paar nieuwe schoenen aan te trekken. 

Want zo was dat toen: Vanuit Holland nam je 5 paar extra schoenen mee naar de missie, voor alle zekerheid. Maar het gerucht van die schoenen ging de stad in en de gendarmes hoorden dat ook. "Die dief  vinden we wel", zeiden ze. In feite liep toendertijd zowat iedereen nog blootsvoets. En  schoenen uit Holland zoals die van mij waren er al helemaal niet. 

In feite liep de dief met mijn schoenen aan te paraderen op de markt en hij werd in zijn kraag gegrepen. Na de middag kan de gendarme met de dief naar de missie.
"Mon père, we hebben hem te pakken." De gendarme ging stevig tegen de dief tekeer en ik stond daar in mijn deur met mijn nieuwe schoenen aan.

En toen zei de dief: "Mon Père, wat is eigenlijk het probleem? U heeft prachtige nieuwe schoenen aan. Ik heb nu ook een paar schoenen aan en zo’n mooie heb ik nog nooit gehad. Dat is toch prachtig. Waar maakt u zich druk om?" "Nou je het zegt: je hebt eigenlijk gelijk. Hou die schoenen maar.", zei ik. Maar dat viel natuurlijk verkeerd bij de gendarme. Ik moest mijn schoenen terug nemen en de dief droop blootsvoets af. En de gendarme vroeg een cadeau voor alle moeite die hij had gedaan om de dief te pakken te krijgen.

     -----ooooo-----

En op 1 mei, de dag van de arbeid, zegenden wij het gereedschap dat de mensen mee naar de kerk brachten. De kerk zat dan stampvol en iedereen had wat bij, zoals een hak of schop of boor of wat voor gereedschap ook.

     -----ooooo-----

In 1969 zit de kerk afgeladen vol. En daar komt een opkoper van cacao met zijn bascule op zijn schouder de kerk binnen. Iedereen begint met een boegeroep, want het was bekend dat deze opkoper iedereen bedonderde door valse loodjes ergens in de weegschaal te monteren. Ik heb hem duidelijk gemaakt dat ik zijn bascule eerst eens goed moest onderzoeken alvorens tot de zegening over te gaan. Hij droop af zonder zegening.

     -----ooooo-----

Mboutou Lazare, iemand uit de buurt die nogal eens in de gevangenis zat omdat hij gestolen had, zat vooraan in de kerk met een splinternieuw sportpak aan en nieuwe kousen en voetbalschoenen. Ik word profvoetballer, zei hij. En ’s avonds komen ze me vertellen dat Mboutou gearresteerd is omdat hij die sportspullen daags te voren in een winkel gestolen had.

     -----ooooo-----

Met Kerstmis 1970 zitten we allemaal in de nachtmis in Yokadouma. Een ideaal moment voor de dieven. Zij kiezen dit jaar voor het huis van de zusters. Bij de zusters stond een heerlijke "Bûche de Noël" op tafel, een Franse specialiteit voor Kerstmis. De zusters hadden het gebak al klaar staan op tafel om meteen na de nachtmis aan de slag te kunnen.

De dieven zagen dat lekkere gebak en lieten er geen gras over groeien. Zij gingen aan tafel zitten en aten de helft van ons kerstgebak op. Ik zei dat we niet ontevreden moeten zijn want ze hebben toch nog een stuk voor ons overgelaten. Soeur Gaby zag dat ze ook op haar kamer waren geweest en haar schooltas hadden meegenomen. De zuster stond op de veranda te schelden en te zeggen dat er alleen maar schoolboeken in de tas zaten en dat ze geen les meer wilde geven. De dieven zaten vlak achter de missie in de bosjes nog na  te genieten van het gebak en toen ze hoorden dat er in de tas alleen maar schoolboeken zaten, schoof één van hen de tas met alles erin over de veranda naar ons toe en schoot toen zelf weer gauw de bosjes in.

Dus de boeken waren weer terug en we hebben nog kunnen genieten van een stukje "Bûche de Noël".  Wat wil je nog meer??

Expulsie


En toen werd ik het land uitgezet. Of niet?

Ik kan me wel voorstellen dat mijn optreden in Yokadouma een doorn in het oog was van bepaalde politieke en administratieve overheden.

Ze eisten alle macht voor zich op en iedereen die hen iets in de weg legde werd met harde hand tot de orde geroepen. Maar wij, buitenlanders, waren een probleem. Ze konden ons niet zomaar aanpakken.

In de jaren '60 kwamen de mensen met duizenden naar de missie. Ze wilden per sé gedoopt worden en "erbij horen". Vanuit hun traditionele geloofsopvatting dachten ze in het nieuw geloof extra bescherming te vinden. Vooral omdat wij de strijd aanbonden met de tovenaars en kwakzalvers, hoopten zij bevrijd te worden van die machten, want zeiden ze:

"De God van de paters is sterker dan de tovenaars en heksen."

De politieke machthebbers hadden geen grip op ons omdat wij de mensen toespraken in onze eigen kerken in het Ewondo, een taal die de machthebbers lang niet altijd kenden en ook omdat zij niet konden bepalen wat wij tegen de mensen zeiden. Ik denk dat ze vaak jalours waren dat er zoveel mensen op de missie kwamen en dat wij zoveel invloed hadden.

Van de andere kant hadden we over het algemeen heel goede relaties met de overheden en ze kwamen graag bij ons om wat te buurten en een glaasje drinken en wij werden altijd bij hen uitgenodigd.

Voor de krijgsraad

           

De BRIEF  van de prefect


Op 26 juli 1973 om 3 uur na de middag komt de bode van de prefect een brief brengen waarin staat dat ik om 4 uur op het bureau van de prefect moet komen. Ik moet tekenen dat ik de brief ontvangen heb.

Ik werd er zenuwachtig van want het is niet normaal dat ik zo naar het bureau geroepen word. Ik heb trouwens geen goede verstandhouding met deze prefect. Maar ik heb uitstekende contacten met de commandant, de veiligheidsdienst en de meeste van de machthebbers in Yokadouma. Dus waarom zouden we ons druk maken, dacht ik.

Om 4 uur meld ik me bij de prefect. De prefect zit achter zijn bureau en tegenover hem staan een rij stoelen en daarop zitten al de volgende personen:

  • De commandant van het leger en hij is gewapend

  • De baas van de veiligheidsdienst,

  • De baas van de geheime politie, en,

  • De baas van de regeringspartij.

De middelste stoel was leeg en daar moest ik gaan zitten. Ik zit voor een soort militaire rechtbank. Dit is goed mis...

De prefect sloeg een dik dossier open en begon me te zeggen dat ik de bevolking ophits tegen de regering en dat ik niet aan politiek hoor te doen. Toen begon hij voor te lezen uit zijn dossier (en dat duurde ruim een uur!).

Zowat alles wat ik in de afgelopen acht jaar gezegd zou hebben, alles wat ik gedaan heb, wist hij en  hij wist precies dag voor dag en uur voor uur waar ik op een bepaald moment was. Zelfs een preek, die ik gehouden heb op vier dagen lopen afstand van de missie, hadden ze opgenomen. Wat werkt hun geheime politie toch goed, was mijn eerste gedachte. Ik wist wel dat we steeds in de gaten gehouden werden en van sommige mensen wisten we al dat het spionnen waren. Maar dat er een heel legertje spionnen door de regering goed betaald werd om mij in de gaten te houden en alles te noteren, daar schrok ik een beetje van. Ze hadden dat geld beter kunnen gebruiken om hun onderwijzers te betalen.

Ik werd er zenuwachtig van een uur lang te luisteren naar alles wat ik gezegd had in de loop van de jaren. Want het klopte allemaal. Alleen is het niet eerlijk mijn woorden uit z'n verband te rukken.  Wat een raar idee is het om er achter te komen dat er altijd een paar spionnen om je heen draaien om te noteren waar je bent, wie je ontmoet en wat je zegt. Ik zou best een kopie willen hebben van dit dossier om te weten wat ik allemaal uitgevreten had, want ikzelf had dat niet allemaal opgeschreven.
Het is onvoorstelbaar. Volgens mij hebben ze van ieder van ons zo een dossier en als ze dan iemand een hak willen zetten halen ze dat dossier maar voor de dag.

De aanleiding

Wat was er gebeurd?
In Biwouala, 40 km ten zuiden van Yokadouma, stroomt de grote rivier de Boumba. Om aan de overkant te komen werd gebruik gemaakt van een pont of van uitgeholde boomstammen. En ook hier verdwenen regelmatig mensen tijdens die oversteek, zogenaamd omdat de geesten van de Boumba die mensen opeisten. Omdat  juist in dit dorp veel christenen wonen, kwam ik daar vaak en probeerde ik er achter te komen wie er achter deze moorden zat, maar ik kwam er maar niet achter.

Met Pinksteren is er weer iemand verdwenen tijdens het oversteken van de rivier en de gendarmerie heeft het lijk van het slachtoffer gevonden in de rivier. De 4 mannen, die verantwoordelijk zijn voor het overzetten van reizigers, worden gearresteerd.
Aangekomen op het politiebureau in de stad werden de verdachten ondervraagd en, zoals dat meestal gebeurt, werden ze ook flink afgeslagen en wel zodanig dat een van de verdachte ’s avonds dood was (doodgeslagen door de gendarme, zei iedereen). De volgende morgen zei de andere verdachte dat hij ook niet veroordeeld zou worden en hij stierf aan diarree (lijkt wel een vergiftiging). De prefect was persoonlijk aanwezig bij de begrafenis van de twee verdachten en houdt daar een speeche.

Na een paar dagen zag ik mijn katechist uit Biwouala, Fidèle Mpet, in de stad. Ik nam hem mee naar de missie om hem te vragen of hij wist wat er precies aan de hand was. Het waren tenslotte zijn familieleden die op het politiebureau waren gestorven. Fidèle vertelde mij dat de andere katechist uit het dorp, Jacques Bengono, opgehaald was door de veiligheidsdienst en dat de prefect aan Jacques had gevraagd om een aanklacht in te dienen tegen de commandant van de brigade, omdat de commandant verantwoordelijk was voor de dood van de twee verdachten. En de aanklacht was ingediend. 
Ik snapte er niets van. Maar omdat ik al lang aan het zoeken was wat er aan de hand was in het dorp Biwouala, volgde ik dit van dichtbij. Jacques Bengono kwam ook op de missie vertellen wat er aan de hand was. Jacques vertelde mij dat de prefect hem gevraagd had een aanklacht in te dienen en de prefect weet precies wat er gebeurd is, zei hij.

Blijkbaar is onze katechist na ons gesprek door mr. Shall Ernest van de geheime dienst ondervraagd en mr. Shall heeft een verslag gemaakt van ons gesprek en aan de prefect gegeven.

Na een uur spervuur over alles wat ik de afgelopen jaren hebben gezegd en gedaan, leest de prefect het verslag voor van het gesprek dat ik gisteren heb gehad met de katechist. 

"Weet u hiervan?", vroeg mij de prefect. Ik zei dat ik inderdaad een gesprek heb gehad met mijn katechist. En dat er in het verslag nogal wat dingen staan die niet waar zijn. Ik zou tegen de katechist gezegd hebben dat het de prefect was, die de aanklacht tegen de commissaris had geredigeerd, terwijl ik daar helemaal niets van af wist. Ik zei wel tegen de prefect dat ik het betreurde dat er mensen zijn, die er op uit zijn om mij aan te klagen en mij tegen te werken. Ik begrijp niet waarom ze dat doen.

De dreigementen

Na dit alles begon de prefect mij allerlei vragen te stellen en ik wist niet goed wat ik iedere keer moest antwoorden. Naast mij zat het hoofd van de geheime dienst. In het dagelijkse leven was hij ook een gedegen katholiek die bij ons in de kerk kwam en vaak de lezingen deed. Ik keek hem aan en liet hem merken dat ik niet wist wat te zeggen. Hij keek naar het puntje van zijn schoen. Ik zag dat hij kleine bewegingen maakte met zijn schoen van links naar rechts en omhoog en omlaag.  Dat betekent : Ja of Nee.  Hij hielp me dus...

"Pater, wat denkt u van mij?", was de eerste vraag. Ik zag het puntje van de schoen ‘Nee’ zeggen.  Niet op deze vraag ingaan dus. Ik zei dat dit niet de plaats en het moment  is om hierover te gaan praten. Verder weiger ik te antwoorden, als hij de vraag opnieuw stelt.

"Pater, welke is mijn rol in de zaak van de twee doden op de gendarmerie?"

Ik weiger te antwoorden. Hij blijft zijn vraag herhalen en ik zeg: "Monsieur Le Préfet, ik snap uw vragen niet.  Stel mij een duidelijk vraag zodat ik ook een antwoord kan geven."
En zo ging dat maar door.

Ondertussen was ik helemaal tot rust gekomen en dacht bij mezelf: Die man speelt wel hoog spel en waarom zou ik bang voor hem moeten zijn. Ik zal hem eens laten merken dat ik niet bang voor hem ben. En toen de prefect zei dat hij de macht had om mij het land uit te zetten antwoordde ik: "Dat moet u zeker doen en niemand zal zo blij zijn als mijn moeder, dat ik weer thuis kom. En ik word daar met open armen ontvangen."

De prefect was behoorlijk in de war met dit antwoord en voelde dat het mij verder niks kon schelen. Hij zei dat hij mij beschouwde als een subversief element, die de bevolking ophitst tegen de regering en dat hij een groot dossier tegen mij heeft en dat hij genoodzaakt is mij van dichtbij te surveilleren.

Na 1½ uur spervuur was ik toch helemaal van de kaart gepraat. Ik kreeg er een diarree van. Ik ging naar huis en zei tegen de zusters dat ik vannacht naar Doumé zou gaan, naar de bisschop om de bisschop in te lichten over wat er gebeurd was en omdat ik me in Yokadouma niet meer veilig voelde.

Tussenkomst van de bisschop

Doumé ligt op 360 km. van Yokadouma en met de slechte wegen, reken ik ongeveer 8 uur reizen.  Om 2 uur ’s nachts stap ik in mijn 2 CV-tje. Na 4 uur rijden kom ik bij de pont van Pana. Het is net 6 uur. De pontwachters zijn al wakker en zetten mij over de Kadei. Om 8 uur ben ik bij Toon Evers in Batouri om koffie te drinken en om 11 uur ben ik in Doumé. Tot mijn verwondering weet de bisschop al wat er gisteren is gebeurd. Hij is door de veiligheidsdienst ingelicht. De secretares van de bisschop vraagt mij precies te vertellen wat er gebeurd is en zij maakt daar een verslag van. Na de middag gaat de bisschop met dit verslag naar de hoofdstad.

"Ik ga naar de president om te vragen uit te zoeken wat er aan de hand is", zei de bisschop. Ik moest maar in Doumé blijven totdat hij terug kwam uit de hoofdstad. Na twee dagen kwam de bisschop terug en vertelde mij dat er een grote ruzie was tussen een paar hoge ambtenaren in Yokadouma en dat ze mij daarin probeerde te betrekken. De prefect wordt door de regering in de hoofdstad ervan beschuldigd dat hij zijn boekje te buiten is gegaan. Hij wordt door de president uit zijn functie ontheven en er wordt binnenkort een nieuwe prefect benoemd. Hij heeft hoog spel gespeeld maar heeft wel verloren. Ik kan rustig terug gaan naar Yokadouma en verder niet meer praten over wat is voorgevallen. Wat geweldig dat Mgr. van Heijgen meteen opgetreden heeft om de verdediging op zich te nemen. En met succes!

Ik bleef zitten met het onbehagelijk gevoel dat ik voortaan weet dat iedere stap die ik zet en ieder woord dat ik spreek door één of andere spion wordt opgetekend en dat ze precies weten wie je bent en wat je doet.

Een ter dood veroordeelde wordt geëxecuteerd


Wij laten nu de tovenaars, heksen en Mammie Wata’s even met rust en gaan luisteren naar verhalen uit het dagelijkse leven van een missionaris in Oost Kameroen. 

"Jullie gingen erg jong naar Kameroen en bleven daar voor de rest van jullie leven. Waarom deden jullie dat? Wat deden jullie daar? Wat was jullie opdracht?"
Vragen die ik vaak hoor bij vrienden en kennissen en daarom zal ik proberen iets te vertellen over ons dagelijks leven in de missie van Yokadouma of van Batouri.

Toen ik als jonge pater in Kameroen aankwam, ik was toen 27 jaar, mocht ik eerst een tijdje inNdelele bij pater Ben Visbeek blijven om wat in te burgeren en de taal van het land, het ‘Ewondo’ te leren. Ndelele ligt 100 km ten zuiden van Batouri. In juli 1965 ging ik nog eens 100 km. verder naar het zuiden naar de missie, waarvoor ik benoemd was door de bisschop, de missie van Yokadouma, waar pater Ties van de Mortel op mij zat te wachten.

De taken werden verdeeld en als jonge pater kreeg ik, zoals dat op alle missies gebruikelijk was, de scholen, de ziekenzorg, de gevangenis, huisbezoek, en de organisatie van de kerk van het centrum. Ties van de Mortel was heel veel tijd ‘op tournee‘ om de 80 bijposten te bezoeken. Van noord naar zuid was onze parochie 280 km. lang. De oppervlakte was 1½ keer Nederland.

Ik had 11 scholen en 19 onderwijzers. Op de missie waren 6 onderwijzers voor 500 kinderen. Ik moest er voor zorgen dat het allemaal doorging: Gebouwen onderhouden, boeken, krijt en schoolboeken (en tot 1975 leien en griffels) kopen en ruzies oplossen. Ik werd officieel door de inspecteur van het onderwijs benoemd als directeur van die scholen.

Melaatsenkamp

De ziekenzorg hield vooral in dat ik het melaatsenkamp moest bijhouden. In Yokadouma heerste nog veel melaatsheid en het kamp was echt zoals we dat uit oude missieboekjes kennen. Helemaal afgesloten van de bewoonde wereld. Iedereen is bang om besmet te raken . Alles is er heel vies en het stinkt er verschrikkelijk. En voor hun hutjes zitten ze dan bij tientallen met hun afgerotte handen, voeten en neuzen.

           

Eén van de melaatsen die ik regelmatig ging opzoeken


Toen ik daar de eerste keer kwam, dacht ik dat ik moest overgeven en ik moest al mijn energie bijeen rapen om niet meteen rechtsomkeer te maken. Want ze kwamen meteen naar me toe om de nieuwe pater te groeten en een hand te geven en te omhelzen. Ik heb de hele nacht niet geslapen en steeds maar gekeken of ik nog geen vlekjes op de huid kreeg.

Iedere vrijdag ging ik ze opzoeken en nam wat eten en kleren voor ze mee.

Ik heb altijd geprobeerd om voor de mensen te kiezen en dit zijn ook mensen die op mijn weg komen en die kun je niet zomaar laten vallen. Met deze ervaring heb ik me later in Batouri ingespannen om het Pavillon Lèpre et Tuberculose op te richten (waar Silvana altijd gewerkt heeft). Silvana en haar équipe hebben de melaatsheid praktisch uitgeroeid in de streek.

Een paar keer per week ging ik naar het ziekenhuis om de mensen op te zoeken, en met mijn oude vrachtwagen bracht ik de ernstig zieken naar het ziekenhuis.

Aalmoezenier van de gevangenis

Als aalmoezenier van de gevangenis was ik zelfs officieel benoemd door het ministerie van de strijdkrachten en had ik vrije toegang tot de gevangenis.

In Yokadouma zaten veel politieke gevangenen. Het waren vaak hoogontwikkelde mensen, die op het moment van de onafhankelijkheid de leiders waren van de verkeerde partij. De meesten hadden levenslang of zaten te wachten op executie en dat kon jaren duren voordat ze aan de beurt waren.

Ik ging vaak bij hen op bezoek om wat met ze te praten en naar hun verhalen te luisteren en zorgde dat ze voldoende lectuur hadden. Zo zat daar een zekere Bismarck al jaren te wachten op de executie. Omdat hij een Duitse naam had, heb ik hem voorgesteld om voor de afleiding Duits te leren en dat deed hij met veel enthousiasme en zo ging de tijd voorbij. De meeste van hen zitten vastgekluisterd aan een ijzeren bol, die 15 tot 20 kilo weegt, om de enkels geklonken. Ze kunnen dus niet weglopen. De meesten van hen sterven in de gevangenis aan longontsteking of tuberculose, want ze zitten dag en nacht in hetzelfde vochtige hok.

Het Galgenmaal

Als één van de gevangene geëxecuteerd wordt, krijg ik daags van tevoren een telegram van de minister van strijdkrachten met het verzoek om die avond aanwezig te zijn in de gevangenis en  met de veroordeelde de maaltijd te delen (wij zouden zeggen ‘het galgenmaal’ want het is zijn laatste maaltijd).

Ik word door de minister uitgenodigd de gevangene mede te delen dat dit inderdaad zijn laatste maaltijd is en dat hij morgen aan de beurt is en wat zijn laatste wens is...

Het verhaal van de gendarme

In de nacht van 12 op 13 september 1968 werd in de rivier de Bangue, vlak bij het woonhuis van de Sous Prefect, het lijk gevonden van een gendarme. Er lag ook een bromfiets bij hem in de rivier (die daags tevoren ergens gestolen bleek te zijn). Die bromfiets was daar in de rivier gegooid om een ongeluk te simuleren.

In de stad begonnen de geruchten de ronde te doen. De gendarme was die nacht bij één van de vrouwen van Monsieur Metindi. Waarschijnlijk is hij daar door ‘iemand’ doodgeslagen en daarna met een gestolen bromfiets in de rivier gegooid. Metindi is de politiek leider van de partij, die aan de macht is en hij is ook Deputé en als zodanig onschendbaar. Hij zou de eerste verdachte zijn, omdat het om zijn vrouw gaat, maar vanwege zijn onschendbaarheid staat hij buiten de wet. 
Er wordt toch een verdachte gevonden en die wordt zelfs schuldig bevonden en ter dood veroordeeld en meegenomen naar de hoofdstad. Eigenaardig genoeg wordt de vrouw van de Deputé ook veroordeeld en wel tot 15 jaar gevangenisstraf. De bevolking dacht er het zijne van...

Wat betreft de Deputé: Iedereen gaat er vanuit dat zijn aandeel bij deze moord ter sprake komt als over een paar jaar zijn mandaat afgelopen is. Monsieur Metindi kwam inderdaad een paar dagen voor het einde van zijn mandaat bij ons op de missie afscheid nemen met de mededeling dat hij de volgende dag zou emigreren naar Centraal Afrika. En hij is met de Noorderzon vertrokken!!

De gendarme zal geëxecuteerd worden

Op 17 juli 1970 krijg ik een telegram van het ministerie dat ik vanavond in de gevangenis aanwezig moet zijn bij de laatste maaltijd van de verdachte op de moord op de gendarme (twee jaar geleden) en dat ik hem moet mededelen dat hij de volgende dag geëxecuteerd wordt en vragen wat zijn laatste wens is. Ondertussen rollen tientallen militaire wagens de stad binnen. Iedereen is gespannen wat er gaat gebeuren. En wat moet ik doen? 
Ik ben principieel tegen de doodstraf. Hoe moet ik die man uitleggen dat hij geëxecuteerd wordt terwijl ik er van overtuigd ben dat hij het niet heeft gedaan? Hoe moet ik me gedragen en waar zullen we het over hebben tijdens het galgenmaal? Ik weet echt niet wat ik moet doen...Ga ik voor het galgenmaal of ga ik niet?

Het is een mens en een mens mag je niet in de steek laten, zeker nu niet.

Zet je verstand op nul en ga er naar toe en probeer zoveel mogelijk te luisteren en zo weinig mogelijk zelf te praten, zeiden de zusters tegen mij. Ik ging dus naar de gevangenis. Omdat er een fles wijn op tafel stond en omdat ik er ook nog eens bij kwam zitten voelde hij al meteen wat er aan de hand was.

Ik hoefde niets te zeggen. Hij ging te keer om uit te leggen dat hij niet schuldig was en dat hij de veroordeling niet accepteerde. Zijn laatste wens was dan ook dat hij vrijgelaten zou worden. De commandant stond in de deur mee te luisteren en schreef in zijn boekje: "Laatste wens :Vrijlating".
En ik voegde er aan toe dat er onder de mensen van Yokadouma veel over dit geval gepraat wordt en dat de mensen veronderstellen dat deze man het niet heeft gedaan. En dat ikzelf ook van mening ben dat hij het niet heeft gedaan. De commandant ging weg met een bedenkelijk gezicht.

De volgende morgen begeeft het vuurpeloton zich naar de plaats van de executie. De bevolking verzamelt zich daar ook, want het is een publieke executie. Maar de tijd verstrijkt en de autoriteiten lopen rond met ernstige gezichten. Er klopt iets niet...Totdat de commandant de mensen verzoekt om naar huis te gaan en dat er complicaties zijn en dat de executie niet doorgaat.

Ik heb nooit geweten wat er precies is gebeurd. Ik werd wel ontboden bij de veiligheidsdienst en werd daar stevig aangepakt. Het was mijn taak om als priester de veroordeelde voor te bereiden op de dood en eventueel de biecht af te nemen, maar zeker als buitenlander had ik me niet met de politiek te bemoeien en als ik ergens een andere mening over heb mag ik dat verder niet laten merken zeiden ze. Ik antwoordde dat ik daar anders over dacht en dat ik naar Kameroen gekomen was om de mens als mens bij te staan en te verdedigen indien nodig tegen een overmacht die de mens bedreigt. Zij zeiden dat ik mijn functie als priester niet goed begrepen had en dat ze me in de gaten zouden houden.

In ieder geval is onze gevangene van de doodstraf gered.

Een paar dagen later is er een meeting van de staatspartij. Zoals altijd ga ik daar naar toe. Maar ik word al meteen door de veiligheidsdienst tegengehouden en naar huis gestuurd want ik heb me niet met politiek te bemoeien werd me medegedeeld.

Bismarck wordt geëxecuteerd

Op 20 december 1970 krijg ik het bericht van de minister van de strijdkrachten dat ik monsieur Bismarck moet voorbereiden op de executie.

Ik had er echt weer moeite mee en wist niet goed wat te doen. Ik heb hem ruim vier jaar lang bijna iedere week opgezocht. Ik had veel respect voor hem en we waren echt goede vrienden geworden. Ik ga naar de gevangenis en ga bij hem aan tafel zitten niet wetend hoe te beginnen. Hij begreep al meteen wat er gaande was en hij zag ook dat ik er moeite mee had om het slechte nieuws te vertellen. "Laat ze mij maar dood schieten", zei hij, "want zo heb ik ook geen leven en ze laten mij nooit uit deze gevangenis vrij."  Hij was er dus klaar voor.

Ik heb nooit geweten wat hij eventueel verkeerd heeft gedaan, behalve dan dat hij lid was van de verkeerde partij. Het galgenmaal verliep heel goed. Hij bedankte mij dat ik hem steeds ben komen opzoeken en ik vond het ook een verrijking iemand zoals hem ontmoet te hebben. 
Hij had ook een laatste wens en wel dat ik bij hem zou blijven tot op de plek waar hij vastgebonden zouden worden aan de executiepaal. "Laat me niet alleen", vroeg hij. De commandant nam notitie van die laatste wens. De rechter vond het goed dat ik hem tot het einde zou begeleiden. Ik zei wel dat ik toch nog een probleem had. Ik ben namelijk principieel tegen de doodstraf. Ik wil Bismarck wel begeleiden tot het einde, maar dan eis ik dat hij pas geëxecuteerd word als ik het terrein heb verlaten. En wonderlijk genoeg wordt dat geaccepteerd.

De volgende morgen ben ik al vroeg in de gevangenis. Het executiepeloton is daar ook. Bismarck is rustig en is blij dat ik gekomen ben. De militairen zijn zeer opgewonden, alsof ze gedrogeerd zijn. Ze proberen de veroordeelde te schoppen en te slaan. Waarom eigenlijk? Ik ga tussen hem en de militairen instaan om eventueel de klappen op te vangen.

Hij krijgt een zwarte doek over zijn hoofd om afgevoerd  te worden in de overvalswagen. Ik hou zijn hand vast en klim met hem in de wagen.

Op de executieplaats hebben zich duizenden mensen verzameld. Er zijn tientallen militaire wagens in de stad om de mensen, tot meer dan 10 km. ver, op te halen. Iedereen hoort er bij te zijn. Tot mijn ergernis hebben ze ook alle schoolkinderen opgehaald om deel te nemen aan dit spektakel.

Wij stappen uit en over een loopplank gaan wij samen tussen de rijen mensen door naar de paal waaraan hij vastgebonden wordt.. Het is doodstil en de duizenden mensen houden hun adem in. De zwarte doek wordt van zijn hoofd gehaald. Wij bidden samen een Onze Vader en ik geef hem de Zegen.

( Bismarck is protestant maar wat maakt dat uit...)

Ik geef hem de hand en zeg: "Tot ziens, later".

Onder doodse stilte hoort iedereen mijn voetstappen op de loopplank en mijn lelijk Eendje, dat ik start. Ik ben al een heel eind weg als ik de schoten hoor.

De commandant geeft nog een nekschot om er zeker van te zijn dat hij dood is.

Thuisgekomen geeft zuster Marie Berthe mij een calmant en zegt dat ik eerst wat moet rusten. Ik voelde me erg betrokken bij dit voorval en het lijkt me allemaal zo onwaarschijnlijk, maar wat kun je er aan doen. Ik droom dat het zo goed is en dat ik toch maar weer mijn best heb gedaan om een mens te verdedigen tegen een overmacht die hem bedreigt. Want dat is wel één van de redenen waarvoor we naar Afrika zijn gegaan: De mensen te bevrijden van de macht van overheersers en onderdrukkers (en van de tovenaars).

De gevangenis en alles wat met militairen te maken heeft mocht niet gefotografeerd worden vanwege de staatsveiligheid. Vandaar dat er geen foto’s zijn. 

Kan iemand zich veranderen in een dier?


Volgens mij niet.
Maar de bewoners van Oost-Kameroen denken daar heel anders over.

1                    La Femme Panthère: De vrouw die zich in een panter verandert... 

In Yokadouma, niet ver van de missie, woonde een vrouw op leeftijd.  
Ze zei dat ze zich in een panter kon veranderen. En als die vrouw ruzie kreeg met iemand, dan was die persoon te beklagen want binnen een paar dagen zou die persoon  aangevallen worden door een panter (altijd ‘s nachts wanneer iedereen sliep). Het slachtoffer werd meestal zo erg toegetakeld door de  panterklauwen dat hij dood ging vanwege bloedverlies.

Het was vlak na de onafhankelijkheid in Kameroen en in de wet stond uitdrukkelijk dat het verboden was zich in een dier te veranderen en als iemand beweerde het toch te doen en als zodanig mensen aanviel zou hij of zij veroordeeld moeten worden (voor crimineel gedrag).  De wet was duidelijk maar de Afrikaanse politiemannen en rechters en iedereen, die verantwoordelijk was voor de goede orde, iedereen was doodsbang dat in dit geval de vrouw zich tegen hen zou keren en hun vrouw of kinderen zou komen verminken.

Op 24 oktober 1968 kwam daarom de commandant van de brigade van de Gendarmerie naar me toe en smeekte me bij de Femme Panthère de duivel uit te drijven. Want ze vonden wel dat deze vrouw aangepakt moest worden. Ze had al verschillende slachtoffers gemaakt. Maar ze durfden het niet aan om deze vrouw op te pakken en in de gevangenis te zetten en daarom was ik aan de beurt....

De duivel uitdrijven...Ik kende de vrouw ook wel en ik had ook gehoord dat ze soms haar panter stuurde om iemand te vermoorden en soms zelf als panter er op uit trok. Ik was al eens bij haar op bezoek geweest en toen zei ze: "Mon père, dat is sterker als ikzelf. Wanneer iemand mij kwaad heeft gedaan word ik zo kwaad dat ik automatisch in een panter verander en de persoon in kwestie aanval." 
Ik had wel het gevoel dat het een gevaarlijke vrouw was, maar ik kon er niks van geloven, dat ze zich in een panter kon veranderen.

Totdat op een dag iemand uit de buurt in hoge nood naar me toe kwam.  
"Mon père, la Femme Panthère heeft gezegd dat ze zich in een panter gaat veranderen en mij een lesje komt leren en ze komt vannacht heeft ze gezegd."
Ik ging meteen naar de commandant van de brigade en ik zei tegen hem: "Vannacht komt la Femme Panthère in een huis vlak bij de missie om iemand een lesje te leren. Ik stel voor dat je vanavond een tiental gendarmes, goed gewapend,  rondom de hut van het slachtoffer opstelt. Komt er een panter aan dan kun je die het beste maar meteen laten doodschieten. Is het een man of een vrouw, die de hut binnen wil gaan, dan moet je die laten arresteren."
De commandant vond het een goed plan en stelde zijn manschappen met geweer in de aanslag op rondom de hut. Ik was benieuw wat er zou gebeuren.

Tegen 2 uur ‘s nachts hoorde ik overal schreeuwen en roepen in de buurt.
Wat was er gebeurd?

De soldaten, die de wacht hielden, hoorden midden in de nacht dat de man in de hut begon te schreeuwen. Ze gingen naar binnen en vonden de man op de grond liggen met overal bloedende wonden alsof panterklauwen hem bewerkt hadden. Ze hadden noch de pantervrouw noch de panter gezien. Waren ze dan ingeslapen of durfden ze niet te zeggen wat er gebeurd was?? Voor ons een raadsel.

Met soeur Marie Berthe, onze Amerikaanse ziekenzuster, gingen we meteen om 2 uur ‘s nachts naar het ziekenhuis en vonden de man daar. Hij was vreselijk toegetakeld en het leek echt wel door de klauwen van een panter. Ik heb er niets van begrepen. De gendarmes moeten zeker iets gezien hebben maar geen van hen durfde dat toe te geven. Ze waren bang van de Femme Pantère.

En wat heeft de Femme Panthère gedaan deze nacht?? Het was ons bekend dat in Kongo de zogenaamde pantermannen klauwen van (gedode) panters in hun handen meenamen en dat die mannen het slachtoffer bewerkte, zodat men de indruk kreeg dat er een panter was geweest. Deed onze pantervrouw van Yokadouma ook zo iets? Ik heb het niet kunnen achterhalen.

En steeds opnieuw moest ik toegeven dat ik in een wereld terecht was gekomen waar van alles gebeurde wat ik niet begreep en waar ik ook geen greep op kon krijgen. Ik zei tegen de commandant dat hij de Femme Panthère moest arresteren en dat ze veroordeeld moest worden voor crimineel gedrag. Maar dat was een stap te ver voor de commandant, want dat durfde hij niet. Hij was bang dat de vrouw zich dan tegen hem zou keren. En zo kon de vrouw haar gang gaan. Er was niemand die haar tegen kon houden. Iedereen was bang. En ik wist echt niet wat ik zou kunnen doen omdat te veranderen.

2                    Hij veranderde zich in een gorilla

In 1976, het laatste jaar dat ik in Yokadouma was, gebeurde het volgende:

Pater Marius Brands, die samen met mij toen in de missie van Yokadouma werkte was op groot tournee naar Moloundou (230 km naar het zuiden).

Tijdens zijn verblijf in Moloundou kregen twee mannen grote ruzie met elkaar en één van de twee zei toen: "Morgenmiddag stuur ik mijn gorilla naar je toe en die zal je wel eens een lesje leren." Iedereen was in paniek, want het was bekend in Moloundou dat de man in kwestie een groot tovenaar was en dat hij zich kon veranderen in een gorilla. Op dat moment was een afdeling van het Kameroenees leger in Moloundou en er werd besloten dat een 20-tal soldaten, gewapend, zich zouden opstellen rondom het huis van het beoogde slachtoffer.

Tot verrassing van iedereen kwam er tegen de middag  een geweldig grote gorilla door het dorp gelopen en ging recht naar de hut van het slachtoffer. Daar stonden de soldaten klaar en die schoten de gorilla  dood met ruim 20 schoten. Père Marius heeft een foto van de gedode gorilla gemaakt.
 


De beruchte gorilla van de tovenaar  in Moloundo


Maar nu komt het: 
Ze gingen naar de hut van de tovenaar die zogenaamd de gorilla had gestuurd en wat vonden ze??

De tovenaar lag dood op zijn bed, doorzeefd door kogels. 
Alsof al die kogels, waarmee ze de gorilla doodgeschoten hadden, ook de tovenaar hadden getroffen. Iedereen ging in stilte naar huis. Wat moet je hier nu van denken?

Heeft de tovenaar,toen hij zag dat zijn gorilla doodgeschoten was, zichzelf ook doodgeschoten? Heeft hij iemand gevraagd hem dood te schieten? Maar niemand in zijn buurt had schoten gehoord. Bovendien hoe kan het dat iemand een gorilla kan commanderen? In de buurt van Moloundou zat het vol gorilla’s, maar dat iemand een afspraak kan maken met een gorilla die dan ‘s middag om 2 uur moet opdraven en naar de hut van het slachtoffer moet gaan, dat is voor mij een brug te ver. Mijn verstand stond stil. Wat gebeurt hier? Er gebeuren dingen die we gewoon niet begrijpen. Na zoveel jaren Afrika ervaar je dan dat je ergens toch maar een vreemdeling blijft.

3                    De Belg, de gorilla en de Pygmee

Een merkwaardig verhaal. Het is bijna niet te geloven en toch precies zo gebeurd.

In de zomer van 1969 kwam een Belg bij ons aan in Yokadouma. Hij kwam voor de grote jacht. Het leek wel iemand van het vreemdelingenlegioen.

Een vreemde figuur. Hij trok naar het zuiden naar Moloundou en behalve olifantstanden beloofde hij een Bongo, het grote hert, dat bijna niet meer te vinden was, mee te brengen. Na 14 dagen kwam hij bij ons terug. Hij zei dat de jacht voorspoedig was geweest, maar dat hij huisarrest (bij ons) had, want hij moest voorkomen op de rechtbank.

Wat was er gebeurd?

Hij was aan het jagen in Moloundou. Er zat een grote gorilla boven in een hoge boom. Hij schoot de gorilla af, maar die bleef dood boven in de boom aan een tak hangen. De jager dacht bij zich zelf:  Ik kijk of er nog iets interessant te schieten is in de buurt en dan ga ik een pygmee halen om die gorilla uit de boom te trekken.

Ondertussen kwam daar een pygmee voorbij. Hij zag die grote gorilla boven in de boom hangen en zag dat er verder niemand in de buurt was.

DUS : Hij klimt in de boom en probeert de gorilla los te maken, maar dat ging niet zo gemakkelijk . Je moet weten dat het beest minstens twee maal zo groot en zeker 4 maal zo zwaar was dan hijzelf. Hij kreeg het beest niet los.

ONDERTUSSEN had de jager besloten terug te gaan naar het dorp. En toen hij langs de boom kwam waar zijn gorilla in hing, zag hij dat de gorilla bewoog met zijn armen en met heel zijn lijf (want die pygmee zat net onder de gorilla en probeerde die los te trekken.) De Belgische jager besloot het dier een genadeschot te geven. En jawel hoor. Voor zijn voeten valt er een Pygmee uit de boom. Hij had de Pygmee geraakt. De pygmee was dood .

Hij beweerde dat hij die Pygmee niet had gezien.
Hij gaat meteen naar de gendarmerie en legt uit wat er gebeurd was. De gendarmes gaan mee en maken een verslag op en lieten de jager terug gaan naar Yokadouma onder voorwaarde dat hij het proces zou afwachten.

Wat een raar verhaal maar het wordt nog veel gekker...

Het Proces

De Belgische jager zat in het beklaagdenbankje. De familie van de omgekomen pygmee was er ook als aanklager.

Maar met die familie van de pygmee ging het al meteen mis. Ze moesten zich identificeren. In die tijd kwamen de pygmeeën pas uit de bossen en hadden nog geen identiteitspapieren. Het gevolg was dat ze ook geen "partij" konden zijn bij de rechtbank. Voor de rechtbank bestonden ze als het ware niet en ze konden daarom ook achter in de zaal gaan zitten en verder stil zijn. Ook de pygmee die doodgeschoten was, had natuurlijk geen identiteitspapieren. Tot mijn verwondering hoorde ik de rechter beweren dat de pygmee, toen hij in die boom zat, zich ook in een gorilla had veranderd en dat was bijzonder dom van hem want de jager dacht natuurlijk dat er nog een gorilla zat en schoot niet een pygmee maar een gorilla dood. In zijn val naar beneden veranderde de gorilla weer terug in Pygmee. 

Ik kon mijn oren niet geloven. Hoe is het mogelijk dat de officiële rechter zoiets zegt?  Mijn indruk was echt wel dat de rechter omgekocht was door de Belg om tot deze uitspraak te komen om de Belg te redden (maar dat is mijn mening want ik heb geen enkel bewijs of zo verder om dat te denken).

En nu komt het pas:

De Belgische jager werd veroordeeld tot een hoge geldboete omdat hij een gorilla, een beschermd dier, had doodgeschoten en dat is bij wet verboden. Over de gedode pygmee werd geen uitspraak gedaan, want de pygmee was immers geen partij.

Ik was vreselijk kwaad: Een gorilla heeft een beschermde status in Kameroen, maar een pygmee heeft geen beschermde status (als uitstervend ras bijvoorbeeld)  en wordt ook niet als mens erkend.

Een Pygmee is dus altijd vogelvrij verklaard en kan geen kant uit.

Ik heb protest aangetekend bij de rechtbank tegen deze gang van zaken en dat is me niet in dank afgenomen, maar daar horen jullie later nog wel van. Voor ons was het wel een aanleiding om een fotograaf naar de pygmeeënkampen te sturen om pasfoto’s te maken en identiteitskaarten te maken zodat ze als mens erkend werden met hun rechten en plichten.

En toen ze eenmaal een identiteitskaart hadden, kwam er meteen een agent van de belastingdienst bij hen langs met een belastingaanslag...

4                    En toen kwam de gorilla voorbij.. .

In 1968 was ik op tournee in de dorpen tussen Yokadouma en Ndelele. De eerste 50 kilometer is het domein van de Mbimous, een onderafdeling van de Bidjoukis. De Mbimous vormden de meest achtergebleven  stam van de streek. Het was er enorm vies. De maniok, die ze als avondeten presenteerden, zat altijd vol zand en was niet te eten. In de jaren '50 waren deze dorpen gedecimeerd door een epidemie van slaapziekte en de overlevenden van die tijd zaten er nog steeds als verdoofd bij. Ook voor de missie was niet veel belangstelling. Ze wilden eigenlijk helemaal niks.

Maar nu even te zake. Ik zat die avond in het dorp Monzopia en had mijn woordje gedaan en daarna barstte er een ruzie uit tussen twee dorpsgenoten. Eén van hen was de tovenaar en jawel hoor. Hij zei tegen zijn tegenstander: "Wat denk je wel. Ik stuur vanavond mijn gorilla en die zal je wel eens onder handen nemen."

Grote paniek in het dorp. Ik had een gammele hut in het centrum van het dorp en de dorpshoofden kwamen naar me toe. Ik moest naar binnen en mijn hut werd stevig gebarricadeerd, zodat de gorilla, als hij langs kwam, niet binnen kon komen. Want de gorilla komt zeker langs vannacht. Ik geloofde niets van het hele verhaal maar werd toch met het uur nieuwsgieriger.
 

Hier zit hij dan voor zijn hutje .   
In afwachting van  wat er komen gaat.

 


Aan de voorkant vond ik een grote kier in de buitenmuur en kon zo precies zien wat er gebeurde op straat. En jawel hoor: Tegen middernacht hoorde ik wat aankomen. Helaas was er geen maan die nacht zodat ik niets kon zien maar ik hoorde wel dat het een heel gevaarte was dat voorbij kwam, en het geknor was duidelijk het geknor van een gorilla. Dus toch...Ik kon mijn ogen en oren niet geloven. Hoe kan dat nou??

Verder hoorde ik niks meer. 
's Morgens vroeg kwamen de mensen zeggen dat de hut van het beoogde slachtoffer kort en klein was geslagen, maar de bewoner was ‘s avonds van te voren het oerwoud in gevlucht en was dus ongedeerd.

Dit heb ik zo meegemaakt. Ik stond met de mond vol tanden. Wat moet ik hiervan denken? Er gebeurt van alles in die dorpen waar we geen vermoeden van hebben en waar we niets van afweten. En iedereen is doodsbang voor elkaar en daarom zullen we nooit iets hierover naar buiten brengen en zeker naar buitenlanders, want dan zouden ze hardhandig afgestraft worden.

5                    Het verhaal van Doumé

Nu we het hebben over mensen die zich in dieren veranderen wil ik u het verhaal van Doumé niet onthouden.

Doumé ligt op 150 km ten westen van Batouri en was in de jaren '70 de grote missie waar de bisschop woonde met zijn staf en veel paters, broeders en zusters. Er was een seminarie en een uitstekende middelbare school onder leiding van Nederlandse broeders van de christelijke scholen.

De missionarissen hadden zelfs een paar jagers die er regelmatig op uittrokken om voor vlees van de jacht te zorgen voor de blanken. Ze gingen met vier man op buffeljacht. De buffeljacht was één van de gevaarlijkste jachten in de streek. Als je de buffel niet meteen doodschoot, dan richtte de buffel zich tegen je en had je maar weinig kans om het er levend af te brengen.

De eerste missionaris die in Batouri kwam, was een Oostenrijkse dominee van de Adventisten kerk. Rond 1920 ging hij in de streek van Gadji op buffeljacht. Hij raakte de buffel maar half en werd doorboord door de scherpe hoorns van de buffel en hij was op slag dood.

Welnu :  Het was in de jaren tachtig :
Vier jagers vertrokken op buffeljacht. Het wou maar niet lukken, Er was geen buffel te zien, totdat ze iets zagen bewegen in het struikgewas. Dat moet een buffel zijn en één van de jagers schoot. Het werd stil in het struikgewas en ze slopen met het geweer in de aanslag naar de plek waar ze dachten een dode buffel aan te treffen en wat vonden ze daar: de vierde jager. Zonder erg was één van hen een beetje vooruitgelopen. De anderen dachten dat het een buffel was die daar bewoog.

Ze hadden een jachtcompagnon doodgeschoten. En wat nu??

Maar het was toch een buffel waar ik op geschoten heb...Maar wat deed hij dan zo ver weg...?? Waarom is hij niet bij ons gebleven?

Hij zal zich toch niet in een buffel veranderd hebben? Het is net zo’n type, die zoiets wel eens kan doen. "Dat is het." zei de andere jager,"Hij heeft zich in een buffel veranderd. Het is daarom zijn eigen schuld dat we hem dood geschoten hebben." En zo komen de praatjes in het land.

Ze gingen met zijn drieën ‘s avonds terug naar de missie en gingen bij de bisschop hun verhaal doen en uitleggen dat de vierde jager de stommiteit had uitgehaald om juist tijdens de buffeljacht zich te veranderen in een buffel en dat het zijn eigen schuld is dat ze hem doodgeschoten hebben. De bisschop stuurde ze door naar de gendarmerie. Jullie hebben iemand doodgeschoten en de gendarmes moeten maar uitzoeken hoe het gebeurd is, maar met dit verhaal komen jullie niet klaar. Ze werden alle drie gearresteerd in afwachting van de eventuele veroordeling van de rechter. Op de dag dat hun geval voorkwam, zat de rechtszaal overvol. Iedereen was benieuwd wat de rechter zou zeggen.

En jawel hoor:  
De jager die doodgeschoten was werd door de rechter ervan beschuldigd dat hij juist tijdens een buffeljacht zich had veranderd in een buffel. Het is zijn eigen schuld dat hij doodgeschoten is door de andere jagers.

De drie jagers werden vrij gesproken. Ze hadden dan geschoten op een buffel  (wat achteraf geen buffel bleek te zijn). Maar het jachtseizoen was geopend en ze hadden een geldige jachtvergunning.
De bisschop en de paters en zusters waren totaal in de war. Hoe is het mogelijk? Wat is dit voor een rechtbank. Er klopt niets van.

Het probleem is dus dat wij zeker denken te weten dat iemand zich niet in een buffel kan veranderen en dat zij ervan overtuigd zijn dat het  wel kan.

De Mammie Watta van Batouri


We hebben allemaal wel eens verhalen gehoord over Zeemeerminnen. Ze kwamen veel voor in de mythologie van het oude Griekenland. Ze woonden in de zee, en, half vrouw half vis, kwamen ze af en toe boven de golven uit om mensen te verleiden of om mensen af te schrikken.

Batouri ligt aan een grote rivier, de Kadei. Het is een rivier, die 100 meter breed is of meer. Er is een behoorlijk snelle stroming en door de hoogteverschillen zijn er nogal wat stroomversnellingen. Omdat de rivier erg bochtig is, zijn er op veel plaatsen heel gevaarlijke kolken die je meezuigen de diepte in. Een stukje stroomafwaarts zit een hele kolonie nijlpaarden in de Kadei. En een stukje stroomopwaarts zit de rivier vol krokodillen, en vooral die laatste zijn levensgevaarlijk.

Zo was ik in de jaren '70 op de nationale feestdag in het stadje Moloundou, 430 km ten zuiden van Batouri. Er was een wedstrijd gepland. Wie het snelste de rivier overzwom zou een wisselbeker krijgen. Er waren een 30-tal deelnemers. En terwijl ze over de rivier zwommen, werd er één uitgepikt door een krokodil en mee naar beneden getrokken. We hebben nooit meer iets van hem terug gezien. Voor ons was dat reden genoeg  om daar nooit te gaan zwemmen.

Overal in de Kadei zitten van die meters lange zwarte slangen. Die bijten niet maar als je al zwemmend in hun buurt komt dan draaien ze zich in een mum van tijd om je heen en dan verdrink je. Kortom de grote rivier zit vol gevaren.

Er zit natuurlijk ook veel heerlijke vis in de rivier. De meeste stammen zijn bang voor de rivier en durven vaak ook niet te vissen, maar de Kako-stam had daar geen moeite mee en viste er vrolijk op los. Bij de ingang van de stad, achter het houtbedrijf van Justin, gingen ze naar beneden naar de Kadei om te vissen.

En laat dat nu juist de plek zijn waar volgens de ingewijden "de Mammie Watta" woont.
En nu begint het verhaal van Mammie Watta.

Uit alle delen van Afrika, uit Tanzania, uit Ghana en Nigeria, uit Congo en uit Zuid-Afrika horen we verhalen van Mammie Watta. (Mammie is de Moeder en Watta is een vervorming van het woord Water.) Overal in alle rivieren zit als het ware een vrouw, een koningin, die de baas is over alles wat in de rivier zit. 
En u vermoedde het al: Vlak bij de ingang van de stad Batouri  woont de Mammie Watta in de Kadei.
En omdat de Kako’s steeds maar vis uit "haar" rivier halen, is de Mammie Watta niet tevreden. Er moeten offers gebracht worden.

Hoe wisten wij dat Mammie Watta daar in de rivier woonde ?

Ik ben begonnen dat overal na te vragen. Iedereen is ervan overtuigd dat de Mammie Watta daar woont. Maar niemand heeft haar ooit gezien. En bijna niemand wil daar over praten. Het is iets waar ze bang voor zijn.

Iedereen kent ook de kleine groep van ingewijden (allemaal mannen), die het kontact onderhouden met de Mammie Watta. Ik wist ook heel goed wie de mannen waren, die zeiden, dat ze met de Mammie Watta konden praten, maar ook mijn helderziende zei me uitdrukkelijk om geen contact te zoeken met één van die heren. Ik was er van overtuigd dat die heren van het geheim genootschap de mensen bedrogen met hun verhalen. Maar de mensen geloofden hun verhalen. Eerlijk gezegd heb ik het nooit aangedurfd om de confrontatie aan te gaan met deze heren. Ik was toch wel een beetje bang dat ze zich zouden wreken, misschien niet direct op mij, met wel op iemand uit mijn naaste omgeving.

Wat is het verhaal van de heren van het Mammie Watta-genootschap ?

Ze komen met 3 of 4 man bij iemand op bezoek. Ze vertellen dat ze de Mammie Watta hebben gesproken en dat de Mammie Watta hun dochter opeist. Ze komen altijd op bezoek bij een familie, waar ze een dochtertje van tussen de 10 en de 15 jaar hebben. De Mammie Watta eist regelmatig een jong meisje op. Dat meisje wordt dan door de mannen van het geheim genootschap "geïnitieerd" en voorbereid om naar de Mammie Watta toe te gaan. 

In feite is na verloop van tijd het meisje, dat tot slachtoffer is gekozen, niet meer te houden. Ze wil de Kadei in lopen (en dus verdrinken). De familie doet alles om het meisje tegen te houden maar er is geen houden meer aan. Vaak wordt het meisje vastgebonden in de hut maar als ze het klaar krijgt om zich los te werken loopt ze zo de rivier in en verdrinkt.

In de jaren tachtig gebeurde het regelmatig in de streek van Batouri dat een jong meisje werd opgeëist en de Kadei in liep en verdronk. 

Wat te doen?? 

Voor mij waren er een heleboel vragen op te lossen.

Waarom deden die heren van het geheim genootschap zoiets ?

Financieel leverde het niets op. De meisjes liepen de Kadei in en daarmee was het verhaal afgelopen. Er was geen geld mee gemoeid. Machtsmisbruik lijkt me de enige reden .

Wat deden die heren precies?

Na een paar bezoeken van de heren van het geheim genootschap, waren de meisjes die tot slachtoffer gekozen waren totaal veranderd. Ze waren als behekst, als door de duivel bezeten, als gehypnotiseerd of als totaal onder invloed van één of ander hallucinerend middel. 
In trance waren ze...Je kon ook geen contact krijgen met het meisje, dat, zoals de ingewijden zeiden, uitverkoren was om naar Mammie Watta toe te gaan.
 

Helaas ben ik er nooit achter gekomen wat die heren met het slachtoffer deden. En niemand heeft me ooit geholpen om iets van dit geheim te weten te komen.

In de jaren '80 ben ik verschillende keren geroepen om iets te doen om zo’n meisje te bevrijden en te redden,  maar ik wist er geen raad mee .Wat moest ik doen?
Van collega’s uit Brazilië hoorde ik dat ze bij soortgelijke gevallen een soort duiveluitdrijving toepasten. Dat helpt vaak goed. En ook als het  meisje niet van de duivel bezeten is, kan een duiveluitdrijving psychologisch zoveel invloed op het slachtoffer hebben dat alles weer goed komt.

In de jaren '80 zaten we in de kerk in een periode dat de meeste medebroeders niet veel heil zagen in duiveluitdrijvingen. Alles moest psychologisch verklaard worden. Maar ik zat met het probleem dat regelmatig jonge meisjes behekst werden of wat dan ook en dat die meisjes dan verdronken in de Kadei.

En zo kwam op een middag een goede vriend ( Hij woonde vlak bij het vliegveld.) me zeggen dat hij zijn dochtertje had vastgebonden in de hut en dat het kind was behekst en werd opgeëist door de Mammie Watta. En nu is het genoeg geweest, dacht ik en ik zei: "Ga maar naar huis ik kom dadelijk."

Wijwater en wijwaterkwast en een paarse Stola opgezocht en een paar formules, die ik had gevonden in gebedenboekjes, om duivels uit te drijven en ik ging op pad. Alle buren hadden zich verzameld bij de hut waar het meisje vastgebonden zat. Het meisje draaide zich in alle bochten en liet duidelijk merken dat ze mijn bezoek niet op prijs stelde. Het leek echt wel op het gedrag van mensen die we kennen uit de Bijbel en die door de duivel bezeten waren...

Ik begon meteen het meisje met wijwater te besprenkelen en  mijn zegeningen en ook mijn formules om de duivel uit te drijven over het meisje uit te spreken met harde stem, zodat het indruk maakte, ook op het meisje. Toen ik klaar was, zei ik tegen de vader:  "Maak je kind maar los. Ze is bevrijd. Ze loopt niet meer de Kadei in." Het was van mijn kant wel erg pretentieus om zoiets te zeggen. Wie weet loopt het kind meteen weg de Kadei in... 
Maar er gebeurde niets . Het kind bleef kalm en rustig en ze was uit haar ban bevrijd.

Wat was er in feite gebeurd?

Ik heb er nog steeds geen enkel idee over. Ik geloof niet dat het kind door de duivel bezeten was. Maar die heren van het geheim genootschap hebben zeker iets gedaan of iets te eten of te drinken gegeven zodat het meisje als in trance raakte. Door mijn stevig optreden met machtsgeweld en veel overtuigingkracht, heb ik misschien de ban gebroken en is het meisje bevrijd uit haar trance en weer zichzelf geworden.

Het ging als een lopend vuurtje door de streek dat de pater een meisje kan redden uit de ban van Mammie Watta. Ik ben nog een paar keer geroepen en dezelfde ceremonie herhaalde zich en het meisje, dat bezeten leek te zijn, werd weer normaal.

Zelfs een muzelman kwam me roepen om zijn dochter te bevrijden, en ik herhaalde dezelfde ceremonie over hun kind, dat, zoals al die andere, ook bevrijd werd. En daarmee hadden we weer een taboe doorbroken. Want de heren van de geheime genootschap kwamen niet meer (want hun pogingen om meisjes de rivier in te lokken werden toch teniet gedaan door de pater!).

Tot vandaag de dag komt in andere delen van Afrika het nog veel voor dat de Mammie Watta haar slachtoffers opeist.
Wie weet is Mammie Watta weer opnieuw actief in Batouri nu ik weg ben. Als er weer een delegatie naar Batouri gaat zouden ze dat eens na kunnen vragen, hoewel...aan blanken zullen ze niet gauw iets loslaten over dit soort zaken.

De Kadei in Batouri. Hier zou Mammie Watta wonen...

Het verhaal van Lila

Lila is een klein dorpje, ten zuiden van Batouri. Bij het gemeentehuis ga je een klein weggetje in naar Mongo-nnam en na een klein half uurtje kom je voor een pont. Je steekt over en je bent in Lila.

Lila ligt tussen twee rivieren in. Aan de ene kant de Kadei en aan de andere kant de Doumé. Om verder te komen moet je nog een  keer met een pont oversteken. Tot de jaren '60 was dit dé weg om naar het zuiden (Yokadouma - Moloundou) te gaan., want de weg over Pana was er nog niet.

De Duitsers hadden rond 1900 een garnizoen in Doumé en in Moloundou. Om in Moloundou te komen moesten ze oversteken in Lila, en dat was voor hen een gevaarlijk punt. Ze hadden al een paar keer manschappen verloren in Lila. De mensen van Lila zeiden dat de geest van de rivier die Duitsers had gedood. Maar in Batouri en in Yokadouma werd verteld dat die Duitsers in Lila door de bevolking zijn gedood en door hen zijn opgegeten...En niet alleen die Duitsers. Regelmatig verdwenen er reizigers die op weg waren naar het zuiden en in Lila de rivieren niet overkwamen.

Toen ik in Kameroen aankwam, en in het zuiden benoemd werd , kreeg ik de waarschuwing mee:   "Reis niet over Lila want daar wonen menseneters en die hebben het vooral gemunt op reizigers, die daar voorbij komen."

En in 1968 werd de dreiging actueel. Een Italiaanse houtvester, meneer Pedrini ,was op weg naar Yokadouma, maar de pont in Pana was kapot en hij moest dus via Lila reizen. En jawel hoor… 
Over de eerste pont kon hij netjes in Lila komen, maar toen bleek dat de tweede pont kapot was. Hij werd door de mensen daar 3 dagen lang vastgehouden en was doodsbang want hij had de verhalen over Lila ook gehoord.. Na drie dagen kwamen er een groep Fransen voorbij en meneer Pedrini kom met hen mee oversteken. Die pont was dus niet kapot.

Een paar weken later moest ik ook op reis en de enige mogelijkheid was om te reizen via Lila. En wat ik gevreesd had gebeurde:

Het werd avond en nacht en ik kon nog steeds niet oversteken.

Ik kreeg een hut toegewezen om te overnachten. Wat was ik bang...Met de boy en de andere reizigers, die bij me waren zijn we hele nacht wakker gebleven en bleven opletten of er soms iets zou gebeuren. De volgende dag konden we gelukkig verder rijden.

Waren het in Lila menseneters?

Iedereen zei het. Ik heb er nooit iets van gemerkt, maar het zou best kunnen.
Later ben ik ook nog in Lila geweest om te kijken of ik er iets kon bereiken op kerkelijk gebied. En terwijl in de andere dorpen de mensen vol belangstelling luisterden en mee wilden doen, zag ik dat de mannen van Lila vanuit de hoogte op ons neerkeken. Zo van: "Wat kom je eigenlijk hier doen" en "Denk erom hier zijn wij de baas."  Ze gaven ook geen enkel teken dat we er welkom waren en we zijn dan ook maar weer gauw vertrokken.

Menseneters. Dat er mensenvlees gegeten werd is zeker, maar stiekem want het was door de regering verboden en er stond een lange gevangenisstraf op. Vooral van de Bobilis van Belabo werd gezegd dat ze graag mensenvlees aten.

Ik hoorde ook wel, dat mensen uit Batouri en omgeving die problemen hadden en die problemen wilden laten oplossen door een traditionele ziener, vaak naar Lila gingen want in Lila waren zieners, tovenaars en kwakzalvers, die tegen een stevige vergoeding alles voor je lieten uitzoeken door hun ‘Medium’.

Lila was een van de weinige dorpen, waar ik me helemaal niet thuis voelde. Er hing iets in het dorp dat me niet aanstond.

Ik heb gehoord dat de werkgroep "Terug Naar Batouri" ook al eens een medium hebben bezocht in Lila (en dat ze blij waren dat ze weer met de pont konden vertrekken). Maar ik hoor ook dat Adefka, de vrouwenbeweging die de werkgroep heeft opgericht, in Lila goed loopt. Ik hoop echt dat dit dorp ook meekomt in de vaart der volkeren en dat ze nu wel bereiken wat wij nog niet klaar kregen.

Tovermiddeltjes


Hoe zit dat nou met die geheime middeltjes van de tovenaar...

Dit zijn verhalen uit de periode dat ik in Yokadouma zat (van 1965 tot 1976 ). 

Ik ging er van uit dat tovenaars er op uit waren om te laten zien dat zij de baas waren, en de macht in handen hadden. Ze kenden elkaar en vormden een soort geheim genootschap. Zij hadden een grote kennis van de natuur en  kenden heel veel middeltjes uit de natuur om mensen te vergiftigen, om mensen dood te laten gaan en mensen te doen verdwijnen. Wat wel opvalt is dat ze hun middelen alleen maar gebruikten om andere mensen kwaad te doen. Omdat ze zoveel kwaad deden was iedereen bang voor hen en durfde vooral niemand hen te verraden of aan te vallen. Iemand die dat toch deed, riskeerde ook niet lang meer te leven.

Over het algemeen kende iedereen de tovenaars en heksen. De mensen gingen vaak naar hun tovenaar of heks om hen raad te vragen (maar bijv. de heksen die ik in Mokolo heb laten arresteren kenden we niet...)

Hoewel ik NIET geloofde dat tovenaars enige buitennatuurlijke macht hadden, gebeurde er om me heen toch veel dingen waarvoor ik geen verklaring kon vinden. Je zou het bijna geloven dat het waar is. Ik snapte er niks van...

"Tovermiddeltjes" van de tovenaar.

1   Strophantus

Strophantus groeit aan lianen, die in de grote woudreuzen van het tropisch oerwoud hangen. Als kleine bolletjes hangen ze aan de lianen.
Door de Cardiologen in Europa wordt strophantine gebruikt om het hart een opkikker te geven als dat nodig is. Maar een overdosis kan het hart niet aan.
In de streek van Yokadouma hadden ze in iedere geval ontdekt dat met dit middel iemand gemakkelijk vermoord kon worden.

Ze gaan als volgt te werk:

Ze stoppen flink wat strophantus - poeder achter de nagel van hun duim en gaan naar een feest waar ook het beoogde slachtoffer zou zijn. Er waren steeds overal feesten, al was het maar vanwege een begrafenis. Vooral ‘s avonds laat gaat het er tijdens de feesten nogal ruw aan toe. Wij werden vaak ook uitgenodigd op feesten maar vanaf 21 uur gingen we meestal naar huis en dan begon het feest pas helemaal op zijn Afrikaans. Er word gedanst op tromgeroffel. De mannen zijn er allemaal een beetje verdoofd door eigengemaakte sterke drank en vaak ook door doping. Ze hebben allerlei hallucinerende middelen tot hun beschikking. En dat speelt zich allemaal af in het schemerdonker, want behalve een houtvuurtje is er geen licht. De mannen hebben hun overhemd al uitgedaan en dansen met ontbloot bovenlichaam.

De tovenaar kan binnenkort 
toeslaan ..

Het wordt donker...

 


Degene die op het feest was gekomen om iemand te vermoorden wacht rustig zijn kans af. Als het dansen op zijn heftigst is en iedereen op de dansvloer rondtolt probeert hij achter het beoogde slachtoffer te komen. Hij geeft met de nagel van zijn duim een stevige kras op de rug van het slachtoffer, net boven het linkerschouderblad. Door alle drank en andere oppep - middelen voelt het slachtoffer amper dat hem iets overkomt. Bovendien kan hij niet zien wat er op zijn rug gebeurt en kan hij er met zijn handen net niet bij om te voelen wat er aan de hand is. 
Door de kras begint het wat te bloeden en de strophantus,die achter zijn nagel zat, vermengt zich met het bloed en omdat de plek niet ver van het hart verwijderd is, riskeert het slachtoffer binnen een kwartiertje dood neer te vallen. 

De omstanders zien het wondje op de schouder en weten meteen wat er gebeurt is. Maar wie is de dader?? 

Omdat het donker is en omdat iedereen aan het dansen is en omdat bijna iedereen is verdoofd door drank of iets anders is het heel moeilijk te achterhalen wie het gedaan heeft. En ze zijn ook bang voor elkaar. Ook al hebben ze een vermoeden. Niemand zal de dader durven aanwijzen. Want dan zou hij wel eens het volgende slachtoffer kunnen zijn. We hebben lang moeten zoeken om te ontdekken dat dit één manier van de zogenaamde tovenaar is om iemand te vermoorden en vooral in Yokadouma kwam dat, toen ik daar werkte in de jaren 60, heel vaak voor.

Dit is Mbondja Joseph. 

Tot 1972 werkte hij bij ons op de steenbakkerij. Het was een goede steenbakker

Maar vaak was hij een paar weken verdwenen. Wat deed hij en waar was hij dan?? 
We hebben het nooit geweten. 

In 1972 lag hij dood in zijn bed. Wij vermoeden dat hij ook in het tovenaarscircuit zat.


2   Snorrenbaard van de panter

In Yokadouma waren nog veel panters in het oerwoud. Ze kwamen soms ’s nachts wel tot vlak bij de hutten om een schaap of en geit te stelen. De mensen maakten jacht op de panter, vooral als hij te dicht bij het dorp kwam. Als ze een panter gedood hadden, eiste de tovenaar de snorrenbaard op.  De panter heeft een lange harde snorrenbaard, zoals een poes dat ook heeft maar dan vele malen groter dan bij een poes.

Wat deed de tovenaar met die snorrenbaard.?

De harde haartjes van die baard werden tot heel kleine stukjes gesneden. Zo klein dat je ze bijna niet meer zag . De tovenaar heeft weer iemand op het oog om uit de weg te ruimen. (Soms moordt hij ook op bestelling en tegen betaling. Zo iets van: Je krijgt 1000 euro als je die of die vermoordt...)

Hij gaat ergens naar toe (vaak weer een feest) waar het slachtoffer ook is.
Hij heeft de fijngesneden snorrenbaard van de panter bij zich. Het moment dat er gegeten wordt is het moment van de tovenaar. Hij probeert vlak bij het beoogde slachtoffer te staan wanneer er gegeten wordt en als niemand oplet strooit hij de kortgeknipte snorrenbaard in het eten van het slachtoffer. Die eet zijn portie rustig op en heeft niets in de gaten. Er gebeurt voorlopig niets. Eindelijk, na een maand of drie, krijgt het slachtoffer steeds meer buikpijn en soms wat bloed bij de ontlasting. Degene die geld genoeg heeft om zich te laten onderzoeken in het ziekenhuis krijgt van de dokter te horen dat zijn darmen over de hele lengte op tientallen plaatsen geperforeerd zijn en dat er verder niets aan te doen is. De kleine stukjes snorrenbaard zijn in de darmen blijven hangen en hebben overal een ontsteking en daarna een perforatie veroorzaakt. En  het slachtoffer sterft binnen een paar weken. Iedereen weet dat dit het werk is van een tovenaar, maar zoek maar eens uit waar en wanneer 3 of 4 maanden geleden iemand die snorrenbaard in zijn soep heeft gestrooid.

Wij waren niet zo bang dat we vergiftigd werden. Wij als paters werden verondersteld toch een hogere macht te hebben. En ik gebruikte ook wel eens grote woorden zo van: "Onze God is machtiger dan de geest van de tovenaar".  

Bovendien als buitenlander hadden we een beschermde status. Onder elkaar vielen er in de dorpen veel slachtoffers door de tovenaar maar daar kraaide verder geen haan naar. Dat bleef onder ons. Bovendien, als er al eens een tovenaar veroordeeld werd begon de tovenaar de rechter te bedreigen en die was doodsbang dat hem iets overkwam en als de tovenaar dan toch in de gevangenis kwam zei hij tegen de bewaker: "Als je me er niet meteen uitlaat, leeft je vrouw over een week niet meer." De gevangenbewaarder liet hem voor alle zekerheid maar meteen ontsnappen.

Als ons blanken iets zou overkomen zou dat nieuws in de buitenlandse kranten komen en daat zat de regering niet op te wachten. Als ons iets overkwam stuurde de regering meteen een vergeldingspeloton en die gingen een paar dagen zo te keer in dat bewuste dorp waar iets gebeurd was en dat optreden van dat peloton was wel zo wreed en dodelijk dat ze daar bang voor waren als voor de dood.

Maar toch : In sommige dorpen waar het niet pluis was, durfde ik niet zomaar mee te eten en ik had altijd iemand bij van de missie, die dan op mijn eten moest passen en die dan voor mij een eigen prakje klaar maakte in de hut waar ik die dag verbleef.

Trouwens in Yokadouma woonde ook een helderziende. Hij heette Louis XIV, jawel zoals de zonnekoning van Frankrijk. Van hem werd verteld dat hij, toen hij nog in Betare in de goudmijnen werkte, dood was gegaan maar de volgende dag weer is verrezen. Regelmatig riep hij me bij zich en waarschuwde mij dat ik niet naar een bepaald dorp moest gaan, want dat ik dan gevaar liep. En soms zei hij ook dat ik niet naar een bepaalde receptie moest gaan , omdat hij niet kon instaan voor de veiligheid tijdens het eten. Hij zelf kon niet meer zo goed praten en zijn vrouw legde mij dan uit wat het "Orakel" me te zeggen had.

En meestal kwam het ook uit wat hij voorspelde. Hij heeft me misschien wel een paar keer het leven gered.

In gesprek met de vrouw van Louis XIV
in Yokadouma in 1968.

Ik luisterde goed naar de raadgevingen.


3   Een buikspreker als tovenaar

Vlak bij onze missie woonde iemand, die vertelde dat hij regelmatig contact had met de geesten. Hij woonde trouwens vlakbij Louis XIV ,mijn helderziende  raadgever.

De buikspreker ging als volgt te werk:

Bij hem achter het huis stond een heel oude boom. In die boom zette hij een brandende kaars. Hij zei dat de Geest regelmatig in die boom kwam en dat de Geest hem dan aansprak en vragen stelde. En wat voor vragen??
De Geest deelde mede dat hij boos was op iemand uit de buurt. De bewuste persoon  moest zich bij de boom presenteren, morgenmiddag om 15 uur. Dan kan er een schikking gemaakt worden om alles weer goed te maken.

De tovenaar ,want het was ondertussen een berucht tovenaar geworden, ging naar de man toe om hem te  waarschuwen dat  "de Geest in de boom hem morgen om 15 uur wil zien".  Het slachtoffer ziet de bui al hangen. De Geest zal hem zeggen dat hij een flinke som geld onder de boom moet komen leggen voor vanavond 17 uur en dan is alles weer geregeld. Legt hij het geld er niet neer, dan zal hem of zijn vrouw of zijn kind iets ernstigs overkomen.

Het slachtoffer zit voor de boom waarin de kaars staat te branden. De tovenaar zit iets verder op en die stelt de vraag: "Goede Geest , hier voor u zit monsieur Jean, die u opgeroepen hebt en voor wie u een boodschap heeft."

Dan gaat de tovenaar verder mijn zijn buiksprekerstem (alsof de Geest zelf sprak): "Ja Jean , ik ben blij dat je gekomen bent. Je hebt iets heel ernstig misdreven. Als je voor vanavond  hier 200 euro komt offeren dan is de zaak afgehandeld. Zoniet dan wordt morgen jouw dochter ziek en gaat misschien wel dood."
Indien iemand het geld niet vond om te offeren, dan stuurde de tovenaar één van zijn handlangers om strafmaatregelen te nemen of om iemand af te maken...

Zo was op een gegeven moment één van mijn onderwijzers aan de beurt en omdat hij op de missie werkte werd hij stevig aangepakt. Hij moest volgens de Geest voor vanavond ruim 500 euro betalen en als hij dat niet deed zou hij vanavond  voor het donker werd nog sterven. De onderwijzer kwam met zijn verhaal naar de missie toe gehold en hij zweette alsof hij al aan het doodgaan was.

"Pater, je moet dat geld voorschieten (8 maanden salaris), anders ga ik dood."

Ik had het geld niet in huis en bovendien principieel deed ik niet mee met dit soort praktijken. Ik moest er niet aan denken geld aan tovenaars te geven!! 
Maar wat nu. De onderwijzer riskeerde dood te gaan alleen al van de schrik en van het idee dat de tovenaar had gezegd dat hij dood zou gaan als...

Ik had een kratje bier staan. En ik zei tegen hem:  "Dan is er niks meer aan te doen, want geld hebben we niet. Om het verdriet wat te verlichten drinken we nog maar een flesje bier." Gulzig dronk hij zijn flesje leeg en nog één en nog één, en we begonnen overal over te praten. En het werd 17 uur en het werd donker en hij was helemaal vergeten dat hij voor het donker werd eigenlijk dood had moeten zijn.  Ik zei tegen hem: "Je hebt geluk gehad dat je naar de missie gekomen bent. Want nu ben je ‘vergeten ‘ dood te gaan en heb je niets hoeven te betalen."

En hij ging naar huis, schreeuwend.

"De God van de pater is sterker dan de tovenaar." En hem is niets overkomen. En anders was hij misschien wel doodgegaan alleen al van de schrik. Ik sta er nog steeds versteld van dat ik toen op het idee kwam om hem dronken te voeren en hem zo "te bevrijden" van de ban van de tovenaar.

Hoe kwam ik er achter , dat deze tovenaar een buikspreker was???

Hij woonde vlak bij de missie niet ver van het huis van Louis XIV en die had het mij uitgelegd. Louis XIV wist alles.

In de strijd tegen de macht van de tovenaar gebruikte ik ook de preekstoel en 's zondags, als de kerk vol zat, probeerde ik de mensen uit te leggen wat buikspreken inhoudt en hoe het werkt en hoe de tovenaars de mensen bedriegen met allerlei geheime middeltjes.  Daardoor probeerde ik het taboe te doorbreken en de mensen te bevrijden van de macht van die tovenaars.

Ook het verhaal van de strophantus en de snorrenbaard van de panter en nog vele andere werden in de kerk uitgebreid besproken. De mensen vertelden me ook steeds meer over al die duistere praktijken, zodat ze inzagen dat ze bedrogen werden en dat de tovenaars criminelen waren. Van de andere kant waren de mensen nog terughoudend omdat ze doodsbang waren het slachtoffer te worden van die criminelen. Het is een lang proces en tot de dag van vandaag is de macht van de tovenaar in donker Afrika nog groot.