Samen Op Weg
Algemeen Kapittel CSSp in Maynooth, Ierland
Van
12 Juli tot 8 Augustus 1998 waren het Algemeen Bestuur van de Congregatie van de H. Geest
samen met gekozen afgevaardigden van alle afdelingen (Provincies, Districten, Stichtingen
en groepen) bij elkaar in Maynooth, Ierland. Gedurende deze bijeenkomst, Algemeen Kapittel
genoemd, werd geëvalueerd hoe in de voorbije zes jaar is gewerkt en er werden lijnen
uitgezet naar de toekomst toe. De discussies waren gebaseerd op de volgende themas:
Onze Missie
Onze bronnen van inspiratie
Ons samenleven
Onze samenwerkingsverbanden met leken.
Het Kapittel heeft duidelijk aangetoond dat de congregatie wel degelijk in nauw contact probeert te blijven met vragen die de actuele situatie in de wereld betreffen. Zij wil haar missionaire programma niet opstellen vanuit een comfortabele leunstoel in een of ander bureau en niet vanuit theoretische slogans.
Welke Vragen?
Over welke vragen, de actualiteit betreffend hebben we
het dan?
Gedurende het Kapittel werd duidelijk dat de bron, waaruit de vragen moeten worden geput,
vrij algemeen gezocht werd bij de mensen met wie de leden in contact zijn, met wie ze
samenwerken en samen leven. Die vragen komen uit de praktijk van het dagelijkse leven. Het
zijn de vragen die de mensen zich stellen, vragen die ze anderen stellen en dus ook ook
vragen, die ze onze leden stellen.
De congregatie heeft natuurlijk geweldige troeven in handen. In haar bijna drie honderd jarig bestaan heeft ze veel geleerd van haar successen en haar mislukkingen en van de successen en mislukkingen van anderen in vele landen, taalgebieden en culturen. Het is een schat aan ervaringen geworden die beschikbaar is voor ieder die ervan wil profiteren.
Congregatie en Missie
De congregatie werkt vanuit een missie, een universele
missie die formeel werd ontvangen van de Kerk maar die voortkomt uit het Evangelie. Die
missie houdt in; leven vanuit de Blijde Boodschap en deze bekend maken aan eenieder die er
voor open staat. Het kapittel was ervan overtuigd dat, gezien de situatie in de wereld,
deze Blijde Boodschap van het Evangelie ook vandaag nog iets te zeggen heeft, ook vandaag
nog iets te bieden heeft. Vandaag misschien meer dan ooit.
![]()
Toch is dat niet voldoende. Als je rondkijkt om te zien hoe mensen met elkaar omgaan en omgegaan zijn, ook na kennismaking met de Blijde Boodschap van het Evangelie, dan is het duidelijk dat missie nog niet is afgerond. Hier ligt nog een enorme opdracht.
Welke opdracht?
Het zal steeds weer onze taak zijn programmas te ontwerpen die ingaan op de werkelijkheid van alle dag, de werkelijkheid vooral waarin de mensen leven met wie de spiritijnen samenwerken en samenleven. Hiervoor is dan nodig een gedegen kennis van de werkelijkheid van alle dag, van de cultuur en de taal. Deze kennis, samen met de ervaring van de 300 levensjaren van de congregatie, kunnen, alleen, echter niet de antwoorden geven.
Antwoorden?
Het ideaal zou natuurlijk zijn dat onze actieve spiritijnen antwoorden zoeken op de wezenlijke vragen van de mensen samen met diezelfde mensen. Dat we samen, vanuit onze gezamenlijke ervaringen, reflecties en studies antwoorden zoeken. De Spiritijnen kunnen hieraan bijdragen met hun 300 jaar aan ervaring in het vertalen van de Blijde Boodschap van het Evangelie naar de realiteit van elke dag toe. Zij hebben door hun opleiding kennis kunnen nemen van de leer van de Kerk en die kunnen leggen naast die 300 jaar missie ervaring van de congregatie. Anderen kunnen inbreng hebben vanuit hun eigen ervaringen en studies.
Nooit zullen er echter antwoorden gevonden worden die eens en voor al gelden. Het samen zoeken moet steeds doorgaan. Het vertalen van het Evangelie naar het dagelijks leven toe is een taak die voortduurt. Wij kunnen hier nog veel leren van onze stichters François Poullart des Places en François Libermann.
Missie en Wereldproblematiek
Voor sommigen is de situatie in de wereld een reden om vragen te stellen over de zin van missie. Voor anderen is het een reden om vragen te stellen over het hoe van missie. Moeten we ons misschien ook afvragen of ook de H. Geest deze feitelijke situatie niet gebruikt om ons wakker te schudden, om ons brengen tot een andere wijze van kijken, van kritisch beschouwen van wat we gedaan hebben en van hoe we het gedaan hebben?
Wie moet die missie ondernemen?
De congregatie is ervan overtuigd dat God nooit
opgehouden heeft mensen uit te nodigen om met Hem deze missie te ondernemen. We mogen blij
zijn dat Hij niet alleen leden van de congregatie hiervoor roept, hiervoor uitnodigt. Dat
zou in de noordelijke landen b.v. een echt probleem worden. Gelukkig zijn het niet de
spiritijnen die alleen de charismas bezitten die nodig zijn voor deze enorme missie,
deze taak van evangelisatie. Elke gedoopte wordt immers, door het feit zelf van zijn
doopsel, uitgenodigd zijn specifieke capaciteiten en rijkdom aan mens-zijn in dienst te
stellen van de taak een wereld te scheppen waar het voor allen goed zal zijn te leven.
Elke mens bouwt die rijkdom aan mens-zijn op via zijn geloof, religie, cultuur, werk- en
familiesituatie. Hij/zij kan die dan in dienst stellen door het simpele feit van aanwezig
zijn voor anderen, maar ook door zich overtuigend in te zetten voor de opbouw van deze
wereld. In feite is dit dus ook tevens voor de opbouw van het Rijk van God, maar dan niet
het Rijk zoals vaak mensen dat willen, maar het Rijk zoals God het wil. Het is natuurlijk
lang niet altijd duidelijk wat dat in feite betekent. Het gaat in elk geval om mensen, om
alle mensen.
![]()
Als dit allemaal waar is, dan moet de congregatie ook bereid zijn met anderen te delen wat ze aan ervaringen, spiritualiteit en enthousiasme heeft opgebouwd. Er zijn veel tekenen van hoop! In steeds meer landen van de wereld hebben in de voorbije jaren niet-kloosterlingen interesse getoond voor deze eigenheden van de congregatie. Een aantal interesseert zich vooral voor het leven in gemeenschap, haar gebedsleven, haar reflecties, haar studies en haar meditatie. Anderen zijn meer geïnteresseerd in haar missionaire en sociale activiteiten. Weer anderen zoeken het in een combinatie van de verschillende elementen. Het is duidelijk dat de congregatie zelf ook heel wat zal ontvangen uit deze ontmoeting, dit samenzijn en dit samenwerken met niet-spiritijnen.
Hoe nu verder?
Als de Congregatie nu verder wil en toch in de geest van de stichters wil blijven, hoe zou ze dan verder moeten in deze tijd? Is het feit dat er blijkbaar spiritijnen en niet-spiritijnen zijn die zich tot elkaar voelen aangetrokken, een aanwijzing?
Aan de ene kant zijn er de gedoopten en ook niet-gedoopten die zich op hun zoektocht bewegen in de richting van religieuze tradities zoals die in hun actuele vormen beleefd worden in bepaalde religieuze gemeenschappen. Aan de andere kant zoekt de congregatie een weg om haar erfenis aan identiteit, charisma, spiritualiteit en traditie in dienst te stellen tot welzijn van allen. Het Kapittel heeft weer duidelijk gemaakt dat de overtuiging er is dat die erfenis het belang van een betere wereld voor allen kan dienen en dat deze tevens een troef kan zijn voor het vestigen van het Rijk van God. Bedoeld is dan het Rijk waar allen van welke achtergrond ook, tot echt menselijk leven kunnen komen.
Werkt dat?
In vele landen is er al ervaring opgedaan met dit soort samenwerken. Het getuigenis van
medestanders bewijst ook dat inderdaad zowel de congregatie als de medestanders zich enorm
kunnen verrijken aan elkaars schatten aan ervaring van religieuze en sociale
betrokkenheid. Het op deze wijze samengaan zou een chemische reactie kunnen opwekken welke
kan leiden tot een explosie, tot een kettingreactie zelfs van nieuw enthousiasme en nieuw
geloof in echt een betere toekomst.
In de jaren tachtig vroeg een groepje jongeren in Nederland of er voor hen een mogelijkheid geschapen kon worden zich nauwer aan te sluiten bij de congregatie. De binding zou dan wel het "leek"-zijn, het niet-kloosterling zijn, volledig moeten respecteren. Ze voelden er niets voor als kloosterlingen verder te moeten leven. Leden van de Nederlandse Provincie van de Congregatie van de H. Geest gingen met deze vraag aan de slag. Uiteindelijk was de conclusie: "Het is een heel interessante uitdaging. Natuurlijk is het lang niet zeker dat het inderdaad de H. Geest is die ons met die vraag van jongeren in contact heeft gebracht en die ons nu vraagt ons te gooien in deze uitdaging. Op dit moment zien we echter, op het gebied van samenwerken, geen andere wegen om iets te ondernemen dat toekomstgericht is. Als we nu niet de vraag naar deze uitdaging positief oppakken dan missen we misschien de boot. Misschien is het inderdaad zo, dat de vraag een teken is van de tijd ingegeven door de H. Geest. De jongeren die erom vragen zijn enthousiast genoeg. Laten we het in elk geval proberen. Als het niet het werk is van de H. Geest dan mislukt het initiatief wel."
En dus wat nu?
Samen met de medestanders moeten wij het enthousiasme, de
creativiteit en de verbeeldingskracht de kans geven. Dat hebben ook onze stichters in hun
tijd gedaan en vele spiritijnen na hen. Er zijn in de geschiedenis van de congregatie al
heel wat hachelijke ondernemingen gestart. Sommigen daarvan zijn een succes geweest.
Anderen zijn mislukt. De poging nieuwe antwoorden te vinden op hedendaagse vragen en
behoeften, moeten we ondernemen samen met anderen, samen met de medestanders vooral.
![]()
De geschiedenis van de congregatie heeft ook aangetoond dat het een geschiedenis is met veel grote idealen en van geweldige vindingrijkheid. Natuurlijk is bij alle idealisme en vindingrijkheid niet altijd dat respect opgebracht voor mensen, voor culturen en situaties waarvan wij nu overtuigd zijn dat dat opgebracht had moeten worden. De geprofeste en niet-geprofeste enthousiastelingen willen samen doorgaan in het spoor van de congregatie en willen proberen het heilige en goede te ontdekken binnen de religieuze, sociale, culturele en politieke omstandigheden van deze tijd en binnen de huidige wereldmaatschappij. Samen willen we doorgaan mistoestanden aan te vechten. Samen moeten we de moed hebben om ons aan die actuele situatie te schuren en aan de verbetering ervan te werken.
J.B. Metz zei zoiets als: "Het religieuze leven moet komen tot het ontwerpen van een blauwdruk welke een bevrijdende tegenspraak tekent met het bestaande. Samen moeten we in staat zijn een nog duidelijker teken en instrument te zijn van het vestigen van het Rijk van God waar God eenieder roept met de rijke variëteit aan capaciteiten en ervaring die ieder zonder uitzondering heeft." Ik versta deze uitspraak van Metz dan zo dat het religieuze leven door een alternatieve manier van leven een symbool funktie moet hebben. Dit symbool moet dan duiden op de mogelijkheid gelukkig te leven terwijl de nadruk toch duidelijk meer ligt op waarden die in de bestaande maatschappij niet, niet meer of niet voldoende de aandacht lijken te trekken.
Algemeen Bestuur en MedestandersHet Algemeen Bestuur van de congregatie staat volledig achter de stap tot wederzijdse bevestiging van elkaars roeping en taak. Als we samen op weg gaan, komen we bij elke stap die we zetten, tot een verrijking van elkaar. Het moet hierbij duidelijk zijn dat het doel niet is de Congregatie van de H. Geest zelf. Het doel is te werken aan het komen van het Rijk van God, d.w.z. het vestigen van een betere wereld voor elke mens van welke cultuur, kleur en taal dan ook. Om zover te komen blijkt het nodig dat we positief reageren op de aanwezige tekenen van de tijd, op elk initiatief van de H. Geest. Daarvoor worden noodzakelijkerwijze risicos genomen. De geschiedenis heeft dat duidelijk genoeg bewezen. Natuurlijk zijn wij de H. Geest niet en we controleren hem ook niet. Zou dan het samen op weg gaan met medestanders toch niet een waarachtig teken van deze tijd kunnen zijn?
Frans Wijnen, CSSp
Ook internationaal hebben de Nederlandse medestanders contacten. Hiervoor wordt een van hen gekozen tot Europees coordinator.
Terug naar het begin van de bladzijde.