Gedachten en Anekdotes
De Stichters
| Een
"Pittige" Stichter? |
Trots reed Claude François Poullart des
Places begin Oktober 1697 op een mooi zwart paard en omgord met zijn zwaard naar Nantes om
daar aan de universiteit te gaan studeren. Hij was samen met iemand anders. Toen zij
Nantes naderden, raakten zij in een twist met een "vrachtrijder". Waarschijnlijk
heeft het gegaan over wie voorrang had: de fiere ruiters of de armzalige boerenkar.
De twist liep zo hoog op dat Claude zich op een gegeven moment diep beledigd voelde. Hij
trok zijn zwaard en sloeg erop los. De man op de bok van de kar liep twee verwondingen op
en diende een aanklacht in bij de justitie.
Dit hoorde de vader van Claude. IJlings reed die naar Nantes en slaagde erin de aanklacht
in te laten trekken door de gewonde man schadeloos te stellen en door gebruik te maken van
een "advocatenstreek". Zo kon zijn zoon aan vervolging ontsnappen.
|
| Een Bange
Libermann? |
Toen de kleine Yekl Libermann eens op straat
een priester, gekleed in toog, terug zag komen van het kerkhof , werd hij zo bang dat hij
de eerste de beste winkel binnen vluchtte en zich daar onder een bank verborg, bibberend
van angst.
|
| Zwerver? |
Op weg van Rennes naar Rome verbleef
Libermann enige tijd in het Jezuďetenklooster van Lyon. Hij wilde zijn plannen aan de
overste daar vertellen. Deze luisterde een moment naar deze zwerverachtig uitziende
ex-seminarist met al zijn zenuwtrekjes en barstte toen in lachen uit. Zonder verder
nog een woord te zeggen verliet hij de kamer
|
| Verraad! |
In het noviciaat van de Congregatie van het
Onbevlekt Hart van Maria in Notre Dame du Gard stond pater Kobčs, de assistent
novicen-meester, juist aan de deur toen de postbode kwam. Er was een brief en hij
was dus de eerste die hem in handen kreeg. Het was de brief uit Rome met de
goedkeuring voor de fusie. Hij las de brief en stormde de conferentiezaal binnen,
waar Libermann juist bezig was een lezing te geven aan de novicen.
"Verraad" schreeuwde hij, "Wij zijn verraden." Noch hij, noch zijn
medebroeders hadden verwacht dat hun Congregatie van het Heilig Hart van Maria door de
fusie in feite zou worden opgeheven. Ze zou dus echter volledig geďntegreerd worden in de
Congregatie van de H. Geest.
|
| Zanzibar 1863 |
De paters Antoine Horner en Edward Baur en
de broeders Celestin en Félicien komen als eerste spiritijnen aan op Zanzibar op 16 juni
1863. Om 6 uur 's avonds krijgen ze de sleutel van de missie overgereikt. Een van de
eerste opmerkingen die de fris geschoren nieuwe paters te horen kregen, was dat zij hun
baard moesten laten staan. Volgens de kenners in Zanzibar was dat absoluut noodzakelijk
als ze niet als vrouwen aangekeken wilden worden en dus geminacht door de Arabieren. Zij
schrijven hierover: "We moeten onze baard laten staan. Dat is iets wat hier niet zo
erg aangenaam en geriefelijk is.We hebben hiervoor verlof aangevraagd aan de Zeereerwaarde
Pater Algemeen Overste. Die heeft ons een voorlopig verlof gegeven "tot nader
orde".
|
| Gedachten |
"Als een Spiritijn niet wenst te preken voor de
doden maar voor de levenden, moet hij uitgaan van wat er leeft onder zijn
toehoorders. Als hij dat doet, zal hij het fluisteren van de H. Geest horen in
wat er leeft onder de mensen. Je moet dan wel onderscheid kunnen maken tussen
wat van God komt en wat nergens toe leidt."
|
|
"Het geestelijk aanpassingsvermogen,
dat karakteristiek zou moeten zijn voor een Spiritijn, vraagt van hem, dat hij
de positie die hij heeft ingenomen, de richting waarin hij, God weet hoeveel
jaren, keihard heeft gewerkt zonder treuren meteen verlaat als blijkt dat hij
het verkeerde spoor had gekozen en dat zonder zich vast te klampen aan het
verleden."
|
|
Onze stichters hebben nooit zaken verabsoluteerd. Een voorbeeld hiervan is
Libermann die schreef in 1844: De hoogste autoriteit binnen de congregatie is
noch de leefregel, noch de overste, maar de meerderheid van de leden. (N.D,
4,191)
|
|
De derde Algemeen Overste van
de Monfortanen schreef in de 18e eeuw:, dat de Spiritijnen bereid
zijn daarheen te gaan waar er gewerkt moet worden voor het heil van de zielen.
Zij wijden zich bij voorkeur aan het werk voor de missie, in eigen land of daarbuiten.
Zij bieden zich aan daar te gaan en te leven in de armste en meest verlaten
plaatsen, die plaatsen waarvoor moeilijk arbeiders te vinden zijn.
|
|
Het naleven van deugden van
religieus leven moet voor de leden van de congregatie als doel en richting
hebben de specifiek apostolisch taken. Libermann ziet bv. niets in de
armoedebeleving als een doel op zich.
|
|
Over zich aanpassen gesproken! Libermann schrijft: Wij
mogen niet vergeten, dat we niet langer leven in een systeem dat zich in het
verleden gevestigd heeft. Het ongeluk van de geestelijkheid is dat zij altijd
blijven steken in begrippen van het verleden. De wereld gaat vooruit en wij
blijven er ver achteraan hobbelen. Wij moeten de wereld volgen terwijl wij de
geest van het evangelie vasthouden. We moeten goed doen en het kwade bestrijden
in de situatie en overeenkomstig de mentaliteit of het tijdperk waarin de wereld
leeft… Elke poging om zich angstig vast te klampen aan de “goede oude
tijd” maakt al onze pogingen zinloos. Laten we daarom eerlijk en simpelweg de
nieuwe orde accepteren en er de geest van het evangelie in brengen. (N.D.
10.151)
|
|
Libermann maakte aan zijn missionarissen heel duidelijk
de noodzaak om wijd open te staan voor de Afrikaanse culturele omgeving en hij
verbood hen ook maar de minste poging te wagen de lokale cultuur te vervangen
door die van Europa “Strip jezelf van Europa, haar gewoonten en haar
mentaliteit. Wordt zwart met de zwarten. Laat hen in hun wezen. Pas jezelf aan
aan de gewoonten, de mentaliteit en de wijze van doen van een volk van God. (N.D.
9.330) Opvallend is hier wel, dat Libermann al de moderne uitdrukking van
“volk van God” gebruikte.
|
|
Libermann had een armoede van geest of openheid naar de wereld met betrekking tot de
vorming van priesters. Hij relativeerde sterk de waarde van wat gewoon was in
een bepaalde tijd of in een specifiek land.
“Indien Ieren gevormd werden in Ierland of Engeland zou hun vorming tot
het priesterschap veel beter zijn dan de vorming die zij in Frankrijk krijgen…
En ze zouden beschermd zijn tegen de vele ondeugden die al zovele tot de
ondergang hebben gebracht.” (N.D.3, 135) Of: “Om het succes zeker te stellen
(van een stichting in België) moet de organisatie worden opgezet en geleid door
Belgische priesters…Vreemdelingen zouden niet voldoende de Belgische manier
van doen begrijpen en er mee om kunnen gaan.”(N.D. 8, 94)
|
|
Libermann beveelt met grote nadruk aan “niet vast te
blijven zitten aan ideeën… We moeten soepel genoeg zijn om onze plannen bij
te stellen en te veranderen. Ervaring zal daarbij onze gids zijn”
|
|
“Het is niet voldoende een vaag en algemeen idee te hebben
over situaties of de gang van zaken. Om dingen goed te verstaan, moeten ze
bekeken worden vanuit de praktijk”(N.D.7,82)
|
|
Libermann moest niets hebben van blinde gehoorzaamheid:
“Onze tijd is niet geschikt voor zo’n soort organisatie en blinde
gehoorzaamheid komt niet overeen met de mentaliteit van de huidige tijd. Vergeet
de Jezuiten. Laat die maar doen wat ze denken te moeten doen. Laat ons van onze
kant doen wat we denken te moeten doen en laat anderen maar zorgen maken om wat
zij denken te moeten doen. Laten we tolerant blijven.”(N.D.10, 231)
|
|
Over centralisatie binnen de Kerk zegt Libermann: “” De Geest van God zal
nooit daar zijn, waar deze tendens in zekere mate bestaat. De neiging hiertoe is
gevaarlijk voor degene die het introduceert. Het drukt een valse mentaliteit op
de zielen en op de werken welke geleid worden door zo iemand. Ik zeg ‘een
valse mentaliteit’ en daarmee bedoel ik een mentaliteit die zich bevindt
buiten de geest van het evangelie.”(N.D. 11,97)
|
|
Onze beschikbaarheid ten opzichte van God zou tevens een beschikbaarheid
moeten zijn ten opzichte van de medemens. Als de wereld verandert, "moeten
wij de wereld volgen, maar wel met behoud van de geest van het evangelie."
(N.D. 10, 151)
|
|
De armoedebeleving, welke Libermann vraagt van zijn
volgelingen is een apostolisch georiënteerde armoede, dwz. gericht op de verkondiging van het evangelie
aan de armen. Als zodanig vraagt het zo veel als mogelijk een identificatie met
de armen op het gebied van het eten, de kleding en de inrichting. (N.D. 2, 260f)
Hij was er niet op uit armoede al doel op zich te promoten, maar slechts in
zoverre het "een doel heeft en een richting welke specifiek
apostolisch is" Dat vraagt van zijn volgelingen dat zij "in de
uiterlijke beoefening van de armoede alles vermijden, wat de schijn zou hebben
excessief of overdreven te zijn voor buitenstaanders" (N.D. 10, 559f)
|
|
Meer nog dan op materiele armoede legt Libermann de nadruk op de armoede van
geest - dwz. op het niet gehecht zijn aan ideeën, gewoonten en wijzen van zaken
bekijken. Zijn mannen zouden wijd open moeten staan om meerdere opvattingen en
manieren van doen te accepteren als zij het apostolaat willen koesteren. Hij
verklaart ronduit, dat "het ellendige van de priesters altijd is geweest
dat zij blijven steken in begrippen van het verlden"terwijl de wereld
verandert. Zij zoude "eerlijk en eenvoudigweg de nieuwe orde hebben moeten
accepteren (N.D. 10, 151) Niet vooroordelen maar ervaring zoud onze gids moeten
zijn,, maar voor iemand die niet de armoede van geest bezit is niet in staat
"echte ervaring op te doen" (n.D. 8.47) om de eenvoudige reden dat hij
alles bekijkt en beoordeelt overeenkomstig zijn vooroordelen.
|
|
Zelfheiliging: Libermann verwachtte van zijn volgelingen heiliging van hun
persoon, maar vanaf het begin van de congregatie gaf hij een apostolische
dimensie aan deze eis. Hij vroeg van hen geen pure heiliging om hun eigen ziel
te redden, maar "met de bedoeling dat mensen er toe gebracht worden in hen
en in hun gedrag Degene te herkennen die hen gezonden heeft ... hun Heer en
Meester Jezus (N.D. 2, 237. Hij herhaalde deze aanrader in 1849 in de regels die
hij toevoegde aan de oude regels van de Spiritijnen als delers in het
apostolisch leven van Jezus . "Het is duidelijk dat de spiritijnen eerst
Gods Rijk in hun eigen hart moeten vestigen op de meest perfecte manier zodat
zij naar het voorbeeld van Jezus als model kunnen dienen (N.D. 10, 505, art 3)
|
|
Libermann heeft steeds aangegeven grote eerbied te hebben voor ieders
persoonlijke wijze van menszijn en wenste geen obstakels op te werpen tegen de
actie van de H. Geest op eenieder. ... "We moeten er altijd voor oppassen
het zoeken naar de ideale perfectie tegen te werken. Daarom, laat ieder in zijn
eigen wezen (dwz. zijn manier om dingen te zien, zijn karakter, zijn
manier van denken") God heeft de mensen gemaakt zoals ze zijn; Zij zijn
bereid alles te doen om het goede te verwezenlijken. We moeten hen aanmoedigen
en dan zal ieder handelen op de wijze die hem/haar van boven af is
ingegeven" (N.D. 8, 111ff)
|
|
Over een discussie over het verstaan van de
gehoorzaamheid bij andere congregaties schreef Libermann "Laten we
niet intolerant worden" (N.D. 10, 236) En in een
brief aan Le Vavasseur, die aandrong op een zombie-achtige gehoorzaamheid,
werkte hij dat verder uit: "Jij wilt je leden
van de communiteit zo perfect hebben en zo verzaakt aan alles, dat wij hen rond
kunnen sleuren als marionetten. Dat mag dan wel een mooie show lijken, maar het
heeft nooit bestaan en zal nooit bestaan in de kerk.... (
Denkend aan een bepaalde sociëteit, waarover gediscussieerd werd zei hij:
"Zij) zouden op zijn minst de helft van
hun leden weg moeten sturen als zij jouw principes zouden willen volgen." (N.D.8.38f)
|
|
De volgzaamheid van geest waar Libermann op aandringt, verwijst natuurlijk naar
het oordeel vanuit de praktijk over wat gedaan moet worden hier en nu en niet
naar een theoretisch oordeel over wat beter zou passen, effectiever zou
zijn of meer geëigend alsof je helemaal niet bij betrokken zou zijn. Libermann
erkent uitdrukkelijk, dat men in dat opzicht van mening kan verschillen met het
oordeel van zijn overste. (N.D. 9, 356) Sterker
nog, door te verklaren dat de hoogste autoriteit binnen de congregatie ligt in
de wil "van de meerderheid van haar leden" (N.D. 4, 191)
wil hij de leden duidelijk maken dat hij van de leden verwacht dat zij duidelijk
hun mening geven zodat er bindende beslissingen genomen kunnen worden. Het staat
ook vast, dat hij uitgaat van de redenering dat de gevraagde onderwerping
verwijst naar de praktische kant uit het apostolisch en religieus leven en niet
naar theoretische of wetenschappelijke onderwerpen uit andere koninkrijkjes. Het
zou in zijn ogen een waarlijk misbruik van autoriteit betekenen als een overste
zou beweren, dat hij zijn 'onderdanen' zou kunnen bevelen aan te nemen dat
2+2=5. (Er wordt gezegd dat er een novicenmeester is geweest die gewend was te
insisteren op dit absurde inzicht op gehoorzaamheid.)
|
|
Libermann drong er bij de oversten op aan gehoorzaam te zijn aan de H. Geest en
aan alles wat daarmee samenhangt. Aan oversten werd verteld te handelen "in
en door het licht van de H. Geest" (N.D. 2,312)
en hun functie niet uit te oefenen "in een geest van dominantie en
eigen-liefde", maar deze uit te oefenen zoals Christus het
uitoefende, "menselijk, met vriendelijkheid en bescheidenheid"
en allen te behandelen met een "vaderlijke tederheid", goed te letten
op hun "spiritueel en materieel eigendom, onderwijl hen gelukkig makend en
een voldaan gevoel gevend" (N.D. 2, 319, art. 18.f)
Libermann sloot uit van de functie van overste al degenen "die niet de
nodige sociale deugden en capaciteiten hadden zoals mensen met een rare manier
van denken of met rare manieren, een zwak of foutief oordeel, iedereen die
onbuigzaam was, hard, moeilijk, slecht gehumeurd of arrogant. Om gekozen te
worden, behoorden zij soepel te zijn, volgzaam, flexibel, nederig en capabel om
te schikken als dat nodig mocht zijn (N.D. 2, 321 ff)
|
|
De reden achter Libermann's zware eisen voor
het oversteschap was, dat hij zich sterk bewust was van het feit, dat
God nooit de typische eigenheid van een menselijk wezen zou willen
vernietigen. Hij respecteert het unieke ervan. (ND. 11, 546)
Als ieder van ons inderdaad een persoonlijke roeping van God heeft
ontvangen, dan volgt daaruit dat deze roeping met eerbied behandeld moet
worden ook door onze medemensen, en daar horen ook onze oversten toe.
Die persoonlijke roepingen mogen niet worden geperst in een en dezelfde
matrijs of vorm. Dat was ook de reden, dat Libermann zo sterk was tegen
uniformiteit en reglementering in het religieuze leven. Libermann
gebruikte zelden de term 'uniformiteit' en eiste het alleen in gevallen
dat het absoluut nodig was. Hij wenste bv. punctualiteit voor de
maaltijden en andere communiteitsactiviteiten - het is tegen de
naastenliefde anderen onnodig te laten wachten - en het nakomen van de
lokale vormen van beleefdheid als je in een ander land leeft. Maar hij
weigerde uniforme kleding voor iedereen ("We kunnen er niet
zo maar eentje in het bijzonder adopteren" N.D. 9, 589), en hij
verbood een onderscheiden kleding voor oversten ( N.D. 2, 333, art.
19)
|
|
Aanvankelijk verwierp Libermann uitdrukkelijk alle activiteiten in het eigen
land en verklaarde missies in "vreemde en verre landen" als de enige
aanvaardbare taken. Al snel realiseerde hij zich dat deze positie heel
gevaarlijk was en in 1847 schreef hij dat, als deze regel zou worden uitgelegd
in de zin dat in eigen land de congregatie alleen activiteiten mocht ontwikkelen
die bedoeld zijn ter ondersteuning van de missies "ad extra" het
"belangrijk is dat de constitutie van de congregatie wordt
veranderd"(N.D. 8, 293).
|
|
Libermann waarschuwde zijn volgelingen tegen trots op het eigen instituut en
afgunst vanwege andere instituten. De leden van de congregatie "moeten
oprecht en diep nederig zijn, ieder in het bijzonder, maar ook samen als
instituut... Zij mogen niet uit zijn op roem van het instituut of depressief
worden wanneer zij zien, dat het eigen instituut niet in hoog aanzien staat...
Zij moeten alles doen wat mogelijk is om de congregatie een trouwe dienares van
de kerk te laten zijn.( N.D. 2, 298, art. 23)
Terwijl de leden "dol moeten zijn op en gehecht aan de congregatie"(N.D.
2, 284, art. 22) zijn afgunst en jaloezie naar andere instituten toe uit den
boze; zij zouden "zich moeten verheugen als zij zien, dat andere instituten
in hoog aanzien staan en er met groot respect over hen wordt gesproken. ( N.D.
2, 298, art. 23)
|
|
In de revisie van de Voorlopige Leefregel, welke werd opgesteld nadat de
Congregatie van het H. Hart van Libermann was opgegaan in de Congregatie van de
H. Geest, verbreedde Libermann in 1849 het werkterrein om meer ruimte te maken
voor apostolische inspanningen in het eigen land. In het openingshoofdstuk van
de nieuwe Constituties verklaarde hij, dat de algemene doelstelling van de
Congregatie was te werken aan "de redding van de zondaars" en
speciaal voor "hen in de grootste nood en voor de meest verlatenen".Trouw
aan deze algemene doelstellingen vereist, dat slechts activiteiten ondernomen
worden om die mensen te dienen die zich bevinden op "de weg van de
ondergang"; of "van zonden te vrijwaren diegenen die het gevaar lopen
tot zonden te vervallen; of "de waarheid te leren van onze heilige
godsdienst aan hen die er niets van af weten".
|
|
In 1842 schrijft Libermann: Als de H. Geest ergens inspireert tot een nieuw
werk, geeft Hij bijna nooit een volledig uitgewerkte blauwdruk voor de
ontwikkeling ervan, maar leidt Hij (de H. Geest) het werk als vereist gebruik
makend van de gelegenheden, die zich voordoen. Niettemin ligt de gehele
ontwikkeling van dit werk van het begin af aan bevat in het principe waarmee Hij
degene bezield aan wie Hij de inspiratie gegeven heeft om dit werk aan te
vangen. Daarbij is er een zekere onderlinge verbondenheid door al die
verscheidenheden heen. (N.D. 3, 158)
Wie zou durven beweren, dat Libermann gedurende zijn
leven als christen niet was geďnteresseerd in het belang van de opleiding van
priesters? Is het zo vreemd, dat Libermann de H. Geest zag achter het idee dat
hem ertoe bracht te zoeken naar een opleiding van priesters zelfs buiten de
missies? En dat interesse in de opleiding van jonge mensen in de missie,
waar een kleinseminarie was dat ongeveer dezelfde opleiding had als een college
(N.D. 13, 38) vervolgens leidde tot het accepteren van opleidingsmogelijkheden
in het eigen thuisland?
|
|
Een traditionele manier om naar de missie van de congregatie aan de armen en de
verlatenen te kijken is door te zeggen dat evangelisatie ons eerste doel is en
dat activiteiten welke niet direct met de verkondiging van het Goede Nieuws
van heil en redding te maken hebben slechts ondernomen mogen worden
als middelen om de evangelisatie te bevorderen. Economische ontwikkeling door
agricultuur en industrie, opleidingen, bevrijding van allerlei soorten van
onderdrukking, zorg voor de zieken, enz. vallen binnen deze categorie als
indirecte middelen om het doel te bereiken. Dit lijkt een zeer aanvaardbare
manier te zijn om de hiërarchie aan te brengen in de prioriteiten en in de
uitgave van 1958 van "The Spiritans" volgde ik deze opvatting wanneer
ik sprak over de missionaire methode van de congregatie (Hfdst XIX, pp 454-474)
Ongelukkigerwijze zit er een fout in dat onderscheid tussen directe en indirecte
middelen van evangelisatie. Wanneer wij de hongerigen voeden, de zieken
genezen, de onwetenden een opleiding bezorgen alleen maar als een middel om hen
zover te krijgen dat zij het heil en de redding van Christus accepteren en het
geluk van de hemel bereiken, dan bieden we hen wereldlijke steekpenningen voor
hun bekering. Wij zouden niet anders zijn dan politici die stemmen kopen in de
verkiezingstijd, en onze actie zou niet de ware liefde voor de
armen en de lijdenden laten zien. Als we oprecht zijn, dan zouden we hen bij
deze opvatting moeten vertellen:
"Jullie honger en ellende interesseren me eigenlijk niet; ik heb iets anders voor
de geest. Ik ben slechts gekomen om jullie comfort aan te bieden voor na jullie
dood. Maar als jullie bereid zijn dat geluk te accepteren ben ik van mijn kant bereid om
jullie nu al enig wereldlijke ondersteuning te geven."
|
|
Met gerechtvaardigde woede zouden onze missionarissen zo'n absurde
beschuldigingen ver van zich af geworpen hebben. Zij waren oprecht geďnteresseerd ook in het geluk van de
mensen op deze aarde. Echter dit laat alleen maar zien, dat hun manier van
werken niet strookte met de traditionele theorie, niet dat hun theorie correct was. Als we de beroemde uitspraak van Maurice Merleau-Ponty mogen
parafraseren: Om uit te vinden wat het volk werkelijk in beweging zet, kijk dan
niet naar hun mooie theorieën, maar kijk naar wat werkelijk hun drijvende
kracht is, die ervoor zorgt, at zij in beweging komen. Op zijn eigen wijze had Karl Marx hetzelfde inzicht
verkondigt, noch ideeën. noch duidelijk uitgesproken bedoelingen bepalen
het verloop van de geschiedenis, maar dat doet alleen de interne logica die
inherent is aan onze acties.
We mogen hieraan toevoegen dat, ofschoon Libermann
soms spreekt over economische en sociale ontwikkeling als een middel tot
evangelisatie, hij niet zegt dat deze ontwikkeling alleen maar een middel
is. Hij beweert juist het tegenovergestelde in een richtlijn, waarin hij
aangeeft, dat als
bepaalde mensen "zich verzetten tegen de stem van het geloof, de
missionarissen niet moeten stoppen hen de nodige menswetenschappen en vakkennis te
geven en wel met dezelfde liefde en zorg als (zij laten zien) naar diegenen toe die
het geloof aanvaarden". (N.D. 10, 515 f)
|
|
De traditionele benadering van evangelisatie is: evangelisatie
beschouwen als evangelisatie alleen maar als het direct met God, met Jezus, met de
Bijbel of met de kerk te maken heeft of eerder nog alleen maar als het woord
God, Jezus of Bijbel exclusief en uitdrukkelijk gebruikt wordt in een tekst, in
een lied, in een voordracht, enz..
Het voornaamste bezwaar tegen deze kijk op het begrip evangelisatie is dat het
een kijk is met oogkleppen op.
Deze kijk lijdt aan dualisme: hemel tegenover aarde, ziel tegenover lichaam,
religieuze behoeften tegenover wereldlijke behoeften. Het tegenovergestelde van
dit dualisme is een holistische benadering, een die de mens ziet als volledig
menselijke wezens, geschapen door God. Door deze benadering te volgen wordt onze missie niet
slechts voornamelijk, maar in zijn totaliteit een missie van evangelisatie. Het is
dan niet
een missie alleen maar om zielen te redden voor de hemel of alleen maar om lokale kerken te
vestigen met als enig doel zielen te redden voor de hemel, maar dan gaat het om de verkondiging van
Christus de Redder, wiens hele leven openbaring was: Jezus' leven liet zien dat het
werkelijk mogelijk is voor ons als menselijke wezens om te beginnen samen te
leven als Gods zonen en dochters zelfs hier op aarde, ofschoon duidelijk is dat
we het perfecte samenzijn in liefde voor elkaar pas bereiken op het einde van
onze aardse pelgrimstocht.
|
|
Het bezwaar zou kunnen worden gemaakt, dat onze hoop op succes van onze
missie is gebaseerd op de eerste plaats op "het kruis van
Christus", dwz. op onze heiligheid, en slechts op de tweede plaats door
gebruik te maken van de meest effectieve middelen zoals die ontwikkeld
zijn in de moderne wetenschap. De manier waarop dit bezwaar is geformuleerd, is
belast met de stilzwijgende vooronderstelling dat er een fundamentele kloof
bestaat tussen het kruis en de moderne wetenschap. Het veronachtzaamt de
mogelijkheid dat het Kruis, d.i. de Christelijke heiligheid, mogelijk al is
geďncarneerd in de moderne beschaving en in zijn wetenschap als een
"universum van cultuur", een karakteristiek welke gemeenschappelijk is
aan alle culturen in onze tijd. Natuurlijk, niemand wil claimen dat Christelijke
heiligheid op een perfecte wijze is geďncarneerd in de moderne wereld, maar we
mogen ons wel afvragen of die incarnatie niet minstens in die mate gebeurd is dat
we ons zijn gaan aanpassen. Laten we proberen dit
aan te tonen:
Indien de volgelingen van Christus het kruis hebben
opgenomen op een betekenisvolle manier, dan moet het dragen van het kruis toch
enige blijvende indrukken hebben achter gelaten op de wijze van omgaan met de medemens.
De aanvaardbare wijze moet er dan een zijn geworden welke meer liefde en
onbaatzuchtigheid toont naar elkaar toe, op zijn minst tot een bepaalde hoogte.
Het absolute minimum
van deze liefde en onbaatzuchtigheid voor de Christelijke gemeenschap is vastgelegd in de Christelijke
wetten. Zij bepalen het minimum van ons handelen bepalen als volgelingen van
Jezus.
|
|
De
onderscheiden christelijke manier van leven begon in de tijd van de apostelen,
toen christenen zich van anderen onderscheidden door hun liefdevolle
betrokkenheid op de armen en verlatenen: "Zie hoe zij elkaar beminnen"
(Aanhaling uit Tertulianus). Bekeerlingen werden aangemoedigd hun slaven vrij te
laten en dat deden ze ook. Duizenden werden inderdaad vrij gelaten. Op het
moment dat het zover was, dat de kerk invloed kon uitoefenen op de keizer,
werden wetten aangenomen om de mensenrechten van slaven te beschermen, etc.
Toen er in de middeleeuwen abdijen en kloosters ontstonden, werden ze centra van
ontwikkeling en van christelijke liefdewerken. Van hieruit ging de zorg voor anderen over naar de
opkomende steden. Het was natuurlijk allemaal nog heel primitief, maar voor die
periode was er niets beters mogelijk. De slavernij kon, volgens de inzichten van
die tijd, niet worden
afgeschaft zolang slavernij werd gezien als een noodzaak - zelfs nog in
de 16e eeuw kon zelfs St. Thomas More zich geen perfecte maatschappij
voorstellen zonder slaven zoals hij beschreef in zijn UTOPIA - maar er werden
wel pogingen ondernomen om hun situatie dragelijker te maken. Weinig
zieken konden worden genezen zolang er geen effectieve geneesmiddelen waren
ontdekt, maar wel werden de zieken omgeven door mensen die om hen gaven en die
er alles aan deden om hun pijnen te verlichten. Dit alles hielp mee om het
Europees geweten te vormen. Toen vervolgens de moderne wetenschap werd geboren
en het duidelijk werd dat slavernij niet nodig was en dat zieken vaak konden
worden genezen, vroeg dit geweten om steeds meer zorg voor de zieken en om het
afschaffen van de slavernij. Opvallend is ook, dat het opkomen van de moderne
wetenschap er niet kwam zonder de drijfkracht welke voortkwam uit het
Christelijk geweten.
|
|
Sommige
invloeden of eisen van het christelijk geweten, bv. het afschaffen van de
slavernij, de zorg voor de zieken en de armen, vrijheid van religie, zijn nu
algemeen geaccepteerd door alle geciviliseerde naties, op zijn minst op papier.
Je hoeft geen christen meer te zijn om deze te accepteren. Er wordt van gezegd,
dat zij "geseculariseerd"zijn. Maar het zien als
secularisatie is slechts een van de manieren om te kijken naar wat er is
gebeurd. Wanneer we het van de andere kant bekijken kunnen we ook zeggen, dat de
acceptatie van zulke eisen laat zien dat de wereld gechristianiseerd is en wel
zo, dat de wereld respect en liefde voor de medemens is gaan accepteren. Wat
veranderd is, is dat zulke opvattingen niet langer het monopoly van de kerk of
kerken zijn. En daarbij is het duidelijk, dat ware liefde de voorkeur geeft aan
de meest perfecte middelen boven de minder effectieve. Dit alles laat zien, dat
het eenvoudige onderscheid tussen "perfecte middelen" en "het
kruis van Christus" geen recht doet aan de complexiteit van het gegeven;
deze twee overlappen elkaar.
|
|
Volgens een
astronomische berekening was het op de 28ste mei in het jaar 585
voor Christus, dat in de avond de Griekse filosoof Thales van Miletus naar buiten
zijn
achtertuin inliep om de eclips van de maan te observeren welke hij had voorspeld. Hij
keek zo strak naar de hemel dat hij niet oplette waar hij liep en in een
modderige sloot viel. Bij het zien van haar bemodderde baas, die naar binnen
kwam om zich te wassen, lachte de huishoudster om hem en zei: "Hier is een
man, die alles over de hemelen wil weten, maar die zelfs niet weet hoe hij in zijn
eigen tuin moet rondlopen."Zij verkneukelde zich in de duidelijke
verlegenheid van deze beroemde man van de oude wetenschap, maar Plato prees hem.
Voor Socrates heeft iemand die tot de waarheid wil komen, geen tijd te verliezen
met "de dingen van de wereld" en voor Plato zijn degenen die zich
toewijden aan "de ziel en de waarheid", niet thuis en willen zij niet thuis
zijn op deze wereld (Theaetetus 176b). Aristoles zegt precies hetzelfde. De mens
zoekt het geluk, maar geluk is alleen maar te vinden in de beschouwing van de
waarheid. Dat is de reden dat iemand, die authentiek mens wil zijn en oprecht
vrij, zichzelf zo veel als mogelijk toewijdt aan de beschouwing van de eeuwige
en onveranderde waarheid en hij vermijdt het zich te mengen in het leven van
alle dag van deze wereld (Nic. Ethics 1,6) Aristoteles had nog een reden om de
wetenschap te zien als een wetenschap die zich alleen maar bezig houdt met de
eeuwige en goddelijke waarheid.
|
|
Aristoteles
vond dat materie te grillig en te veranderlijk was om begrijpelijk te kunnen
zijn - het was eerder het waarachtige principe van onbegrijpelijkheid - zodat er
geen verwachting kon bestaan om ooit enige hoop te kunnen koesteren vooruitgang
te boeken in een waar verstaan van materiele zaken. Bovendien was er geen
motief of prikkel om te trachten enige mate van begrip voor materie te bereiken,
omdat alles wat nodig is voor het leven en voor comfort van leven allang ontdekt
was of uitgevonden; Dus waarom zou een wijs iemand zich druk maken om er zijn
aandacht aan te geven. Niet belemmerd door wereldlijke beslommeringen is de
authentieke mens helemaal vrij. Hij heeft vrije tijd waarin hij zijn waarachtig
menselijke mogelijkheden kan ontwikkelen in contemplatie.
|
|
Omdat
wetenschap noch in staat was de mens te leiden in de praktische bezigheden van
zijn wereld van alle dag noch het wilde, kon de wereld van het werk slechts
geleid worden door een ongepolijste ervaring, ontdaan van enig begrijpelijk
verstaan; b.v. eieren worden hard en boter smelt in een hete pan, maar waarom
dit zo is blijft voor altijd onbegrijpelijk. Op deze manier kon werk gemakkelijk
gezien worden als iets dat mensen, die op zoek zijn naar de ware vrijheid,
onwaardig is; het was eerder iets dat overgelaten moest worden aan submensen of
slaven. De komst van het christendom bracht geen fundamentele verandering in
deze kijk op de wereld. Haar predikers volstonden er mee deze Griekse filosofie
te "dopen" en er theologische conclusies uit te trekken, zoals; het
geluk van de hemel bestaat in de contemplatie van het wezenlijke van het meest
pure wezen, God zelf. Of; een christen zou zich niet druk moeten maken
over zijn lot in deze wereld, maar slechts over zijn uiteindelijke bestemming in
de hemel. Een beetje geduld werd gevraagd voor het miserabele lot van de
"verbannen kinderen van Eva" hier op deze aarde, maar spoedig zouden
hun zielen zich verheugen in de eeuwige gelukzaligheid van de contemplatie van
God. (Maar haasten we ons te zeggen dat de christelijke praktijk over het
algemeen veel beter was dan deze "christelijke" theorie en het laat
daarmee eens te meer zien dat theorie en praktijk niet altijd hand in hand
gaan)
|
|
Werk werd
nog steeds gezien als iets vernederends - en daarom gedaan door religieuze orden
- als een straf voor de erfzonde maar natuurlijk ook als een noodzaak voor veel
mensen. Deze ongewenste bezigheid kon worden geheiligd door het formuleren van
een goede intentie. Zo kon je het werken opdragen als offer voor de arme zielen
of voor de bekering van de zondaars. Er was echter een opvallend verschil tussen
de Griekse en de christelijke houding ten opzichte van werken. Hoewel ze de
Griekse begrippen van wetenschap en werk overnamen, maakten Christenen een
onderscheid tussen werk en arbeiders. Zij vroegen om liefde en respect voor de
arbeiders die net zo goed als hun meesters, waren verheven tot de waardigheid
van de kinderen van God, broeders en zusters van Christus. Zij kwamen niet tot
een theologie van de arbeid, maar zij ontwikkelden wel een theologie van
christelijke liefde voor arbeiders; arbeiders waren mensen. Christenen eisten
dat hun rechten als menselijke wezens werden gerespecteerd, zelfs als zij slaaf
bleven.
|
|
Maar
onder degenen die geen slaaf waren, moesten de meesten toch gewoon werken:
"Iemand die niet wenst te werken, heeft ook geen recht op eten,"zei de
H. Paulus. Maar buiten dat zouden die personen met werken iets moeten verdienen,
zodat zij ook iets konden geven aan de armen, de weduwen, de wezen, de zieken,
enz. Met andere woorden, zij zouden iets moeten kunnen geven aan diegenen die
staan buiten het circuit van de gewone structuren van de werkende wereld.
Zij zouden liefdadigheid in de praktijk moeten brengen. Christelijke
liefdadigheid stond buiten de normale wereld; mensen deden er aan in hun vrije
tijd en gaven van hun overvloed. En het was gericht op mensen in buitengewone
omstandigheden, op hen die niet langer in staat waren om voor zichzelf te
zorgen. Bovendien werd het leeuwenaandeel van deze werken van liefdadigheid
uitgevoerd door mensen die zich uit het gewone leven hadden teruggetrokken om de
buitengewone staan te omhelzen van leden of geaffilieerde leden van religieuze
instituten. Uiteindelijk was in de meeste gevallen het doel om lijden en noden
draagbaar te maken, niet om ze op te heffen. Want dit laatste stond nog buiten
de horizon van de visie van de mens. Had Aristoteles zelf de wereld niet verteld
dat alles wat er aan behoeften en comfort nodig is in het leven al voorzien was en dat er geen vooruitgang
verwacht kon worden in de toekomst?
|

Weert, Klein Seminarie. Uit het dagboek.
| 1946 |
Voor de Paasvakantie van 1946 gaan de
seminaristen van Weert eerder naar huis, omdat de spoorwegen na Aswoensdag geen studenten
meer vervoeren. |
|
| 30 September 1946 |
Godfried Bomans op bezoek
Het gedeelte vóór de pauze valt in de smaak, maar
"na de pauze, waarin het
souper genuttigd werd, scheen hij als het ware niet meer te weten dat hij sprak voor
priesterstudenten. Er waren nogal scherpe kantjes aan die we niet konden appreciëren
ondanks de vorm waarin ze gekleed waren." |
|
| 8 Juni 1954,
Softball |
Het softball team van het seminarie wordt in
Eindhoven voor de vijfde maal kampioen. De overste die niet was meegegaan, wil het team
feliciteren en vertrekt per bromfiets naar Eindhoven. Het wordt een dure reis. Hij krijgt
een drievoudige bekeuring: Hij reed zonder belastingkaart, zonder voorrem en hij reed op
de snelweg! |
|
| 1955 Zwemmen |
Daar momenteel gemengd zwemmen, althans in
het zuiden van Nederland nog niet algemeen gewoon is, maar toch de scheiding tussen dames
en heren in de IJzeren Man miniem is, hebben Missiehuis en pensionaat en scholen van St.
Louis één middag per week het totale zwembad afgehuurd. Het was de gewoonte dat de meer dan 200 studenten altijd als een
groep gingen wandelen. Ze vormden zo een lange colonne met paters als begeleiders. Zo
ging, in het begin van de jaren 50, de colonne ook eens op weg naar het zwembad. Van
verre kon je het zwembad al zien liggen. Dat was een nadeel, want de begeleidende pater
kon al van verre zien dat er meisjes aan het zwemmen waren. Dus de hele
colonne maakte
rechtsomkeer en moest terug naar de beschutting van het seminarie. |
|
|
|
|
|