H. Geest in Nederland 

Gedachten en Anekdotes


De Stichters

Een "Pittige" Stichter? Trots reed Claude François Poullart des Places begin Oktober 1697 op een mooi zwart paard en omgord met zijn zwaard naar Nantes om daar aan de universiteit te gaan studeren. Hij was samen met iemand anders. Toen zij Nantes naderden, raakten zij in een twist met een "vrachtrijder". Waarschijnlijk heeft het gegaan over wie voorrang had: de fiere ruiters of de armzalige boerenkar.

De twist liep zo hoog op dat Claude zich op een gegeven moment diep beledigd voelde. Hij trok zijn zwaard en sloeg erop los. De man op de bok van de kar liep twee verwondingen op en diende een aanklacht in bij de justitie.

Dit hoorde de vader van Claude. IJlings reed die naar Nantes en slaagde erin de aanklacht in te laten trekken door de gewonde man schadeloos te stellen en door gebruik te maken van een "advocatenstreek". Zo kon zijn zoon aan vervolging ontsnappen.

 

Een Bange Libermann?  

Toen de kleine Yekl Libermann eens op straat een priester, gekleed in toog, terug zag komen van het kerkhof , werd hij zo bang dat hij de eerste de beste winkel binnen vluchtte en zich daar onder een bank verborg, bibberend van angst.

 

Zwerver?  

Op weg van Rennes naar Rome verbleef Libermann enige tijd in het Jezuďetenklooster van Lyon. Hij wilde zijn plannen aan de overste daar vertellen. Deze luisterde een moment naar deze zwerverachtig uitziende ex-seminarist met al zijn zenuwtrekjes en barstte toen in lachen uit.  Zonder verder nog een woord te zeggen verliet hij de kamer

 

Verraad!  

In het noviciaat van de Congregatie van het Onbevlekt Hart van Maria in Notre Dame du Gard stond pater Kobčs, de assistent novicen-meester, juist aan de deur toen de postbode kwam. Er was een brief en  hij was dus de eerste die hem in handen kreeg.  Het was de brief uit Rome met de goedkeuring voor de fusie. Hij las de brief en stormde de conferentiezaal binnen, waar  Libermann juist bezig was een lezing te geven aan de novicen. "Verraad" schreeuwde hij, "Wij zijn verraden." Noch hij, noch zijn medebroeders hadden verwacht dat hun Congregatie van het Heilig Hart van Maria door de fusie in feite zou worden opgeheven. Ze zou dus echter volledig geďntegreerd worden in de Congregatie van de H. Geest.

 

Zanzibar 1863  

De paters Antoine Horner en Edward Baur en de broeders Celestin en Félicien komen als eerste spiritijnen aan op Zanzibar op 16 juni 1863. Om 6 uur 's avonds krijgen ze de sleutel van de missie overgereikt. Een van de eerste opmerkingen die de fris geschoren nieuwe paters te horen kregen, was dat zij hun baard moesten laten staan. Volgens de kenners in Zanzibar was dat absoluut noodzakelijk als ze niet als vrouwen aangekeken wilden worden en dus geminacht door de Arabieren. Zij schrijven hierover: "We moeten onze baard laten staan. Dat is iets wat hier niet zo erg aangenaam en geriefelijk is.We hebben hiervoor verlof aangevraagd aan de Zeereerwaarde Pater Algemeen Overste. Die heeft ons een voorlopig verlof gegeven "tot nader orde".

Gedachten  

"Als een Spiritijn niet wenst te preken voor de doden maar voor de levenden, moet hij uitgaan van wat er leeft onder zijn toehoorders. Als hij dat doet, zal hij het fluisteren van de H. Geest horen in wat er leeft onder de mensen. Je moet dan wel onderscheid kunnen maken tussen wat van God komt en wat nergens toe leidt."

 

"Het geestelijk aanpassingsvermogen, dat karakteristiek zou moeten zijn voor een Spiritijn, vraagt van hem, dat hij de positie die hij heeft ingenomen, de richting waarin hij, God weet hoeveel jaren, keihard heeft gewerkt zonder treuren meteen verlaat als blijkt dat hij het verkeerde spoor had gekozen en dat zonder zich vast te klampen aan het verleden."

 

Onze stichters hebben nooit zaken verabsoluteerd. Een voorbeeld hiervan is Libermann die schreef in 1844: De hoogste autoriteit binnen de congregatie is noch de leefregel, noch de overste, maar de meerderheid van de leden. (N.D, 4,191)

 

De derde Algemeen Overste van de Monfortanen schreef in de 18e eeuw:, dat de Spiritijnen bereid zijn daarheen te gaan waar er gewerkt moet worden voor het heil van de zielen. Zij wijden zich bij voorkeur aan het werk voor de missie, in eigen land of daarbuiten. Zij bieden zich aan daar te gaan en te leven in de armste en meest verlaten plaatsen, die plaatsen waarvoor moeilijk arbeiders te vinden zijn.

 

Het naleven van deugden van religieus leven moet voor de leden van de congregatie als doel en richting hebben de specifiek apostolisch taken. Libermann ziet bv. niets in de armoedebeleving  als een doel op zich.

 

Over zich aanpassen gesproken! Libermann schrijft: Wij mogen niet vergeten, dat we niet langer leven in een systeem dat zich in het verleden gevestigd heeft. Het ongeluk van de geestelijkheid is dat zij altijd blijven steken in begrippen van het verleden. De wereld gaat vooruit en wij blijven er ver achteraan hobbelen. Wij moeten de wereld volgen terwijl wij de geest van het evangelie vasthouden. We moeten goed doen en het kwade bestrijden in de situatie en overeenkomstig de mentaliteit of het tijdperk waarin de wereld leeft… Elke poging om zich angstig vast te klampen aan de “goede oude tijd” maakt al onze pogingen zinloos. Laten we daarom eerlijk en simpelweg de nieuwe orde accepteren en er de geest van het evangelie in brengen. (N.D. 10.151)

 

Libermann maakte aan zijn missionarissen heel duidelijk de noodzaak om wijd open te staan voor de Afrikaanse culturele omgeving en hij verbood hen ook maar de minste poging te wagen de lokale cultuur te vervangen door die van Europa “Strip jezelf van Europa, haar gewoonten en haar mentaliteit. Wordt zwart met de zwarten. Laat hen in hun wezen. Pas jezelf aan aan de gewoonten, de mentaliteit en de wijze van doen van een volk van God. (N.D. 9.330) Opvallend is hier wel, dat Libermann al de moderne uitdrukking van “volk van God” gebruikte.

 

Libermann had een armoede  van geest of openheid naar de wereld met betrekking tot de vorming van priesters. Hij relativeerde sterk de waarde van wat gewoon was in een bepaalde tijd of in een specifiek land.  “Indien Ieren gevormd werden in Ierland of Engeland zou hun vorming tot het priesterschap veel beter zijn dan de vorming die zij in Frankrijk krijgen… En ze zouden beschermd zijn tegen de vele ondeugden die al zovele tot de ondergang hebben gebracht.” (N.D.3, 135) Of: “Om het succes zeker te stellen (van een stichting in België) moet de organisatie worden opgezet en geleid door Belgische priesters…Vreemdelingen zouden niet voldoende de Belgische manier van doen begrijpen en er mee om kunnen gaan.”(N.D. 8, 94)

 

Libermann beveelt met grote nadruk aan “niet vast te blijven zitten aan ideeën… We moeten soepel genoeg zijn om onze plannen bij te stellen en te veranderen. Ervaring zal daarbij onze gids zijn”

“Het is niet voldoende een vaag en algemeen idee te hebben over situaties of de gang van zaken. Om dingen goed te verstaan, moeten ze  bekeken worden vanuit de praktijk”(N.D.7,82)

 

Libermann moest niets hebben van blinde gehoorzaamheid: “Onze tijd is niet geschikt voor zo’n soort organisatie en blinde gehoorzaamheid komt niet overeen met de mentaliteit van de huidige tijd. Vergeet de Jezuiten. Laat die maar doen wat ze denken te moeten doen. Laat ons van onze kant doen wat we denken te moeten doen en laat anderen maar zorgen maken om wat zij denken te moeten doen. Laten we tolerant blijven.”(N.D.10, 231)

 

Over centralisatie binnen de Kerk zegt Libermann: “” De Geest van God zal nooit daar zijn, waar deze tendens in zekere mate bestaat. De neiging hiertoe is gevaarlijk voor degene die het introduceert. Het drukt een valse mentaliteit op de zielen en op de werken welke geleid worden door zo iemand. Ik zeg ‘een valse mentaliteit’ en daarmee bedoel ik een mentaliteit die zich bevindt buiten de geest van het evangelie.”(N.D. 11,97)

 

Onze beschikbaarheid ten opzichte van God zou tevens een beschikbaarheid moeten zijn  ten opzichte van de medemens. Als de wereld verandert, "moeten wij de wereld volgen, maar wel met behoud van de geest van het evangelie." (N.D. 10, 151)

 

De armoedebeleving, welke Libermann vraagt van zijn volgelingen is een apostolisch georiënteerde armoede, dwz. gericht op de verkondiging van het evangelie aan de armen. Als zodanig vraagt het zo veel als mogelijk een identificatie met de armen op het gebied van het eten, de kleding en de inrichting. (N.D. 2, 260f) Hij was er niet op uit armoede al doel op zich te promoten, maar slechts in zoverre  het "een doel heeft en een richting welke specifiek apostolisch is" Dat vraagt van zijn volgelingen dat zij "in de uiterlijke beoefening van de armoede alles vermijden, wat de schijn zou hebben excessief of overdreven te zijn voor buitenstaanders" (N.D. 10, 559f)

 

Meer nog dan op materiele armoede legt Libermann de nadruk op de armoede van geest - dwz. op het niet gehecht zijn aan ideeën, gewoonten en wijzen van zaken bekijken. Zijn mannen zouden wijd open moeten staan om meerdere opvattingen en manieren van doen te accepteren als zij het apostolaat willen koesteren. Hij verklaart ronduit, dat "het ellendige van de priesters altijd is geweest dat zij blijven steken in begrippen van het verlden"terwijl de wereld verandert. Zij zoude "eerlijk en eenvoudigweg de nieuwe orde hebben moeten accepteren (N.D. 10, 151) Niet vooroordelen maar ervaring zoud onze gids moeten zijn,, maar voor iemand die niet de armoede van geest bezit is niet in staat "echte ervaring op te doen" (n.D. 8.47) om de eenvoudige reden dat hij alles bekijkt en beoordeelt overeenkomstig zijn vooroordelen.

 

Zelfheiliging: Libermann verwachtte van zijn volgelingen heiliging van hun persoon, maar vanaf het begin van de congregatie gaf hij een apostolische dimensie aan deze eis. Hij vroeg van hen geen pure heiliging om hun eigen ziel te redden, maar "met de bedoeling dat mensen er toe gebracht worden in hen en in hun gedrag Degene te herkennen die hen gezonden heeft ... hun Heer en Meester Jezus (N.D. 2, 237. Hij herhaalde deze aanrader in 1849 in de regels die hij toevoegde aan de oude regels van de Spiritijnen als delers in het apostolisch leven van Jezus . "Het is duidelijk dat de spiritijnen eerst Gods Rijk in hun eigen hart moeten vestigen op de meest perfecte manier zodat zij naar het voorbeeld van Jezus als model kunnen dienen (N.D. 10, 505, art 3)

 

Libermann heeft steeds aangegeven grote eerbied te hebben voor ieders persoonlijke wijze van menszijn en wenste geen obstakels op te werpen tegen de actie van de H. Geest op eenieder. ... "We moeten er altijd voor oppassen het zoeken naar de ideale perfectie tegen te werken. Daarom, laat ieder in zijn eigen wezen (dwz.  zijn manier om dingen te zien, zijn karakter, zijn manier van denken") God heeft de mensen gemaakt zoals ze zijn; Zij zijn bereid alles te doen om het goede te verwezenlijken. We moeten hen aanmoedigen en dan zal ieder handelen op de wijze die hem/haar van boven af is ingegeven" (N.D. 8, 111ff)

 

Over een discussie over het verstaan van de gehoorzaamheid bij andere congregaties schreef Libermann "Laten we niet intolerant worden" (N.D. 10, 236) En in een brief aan Le Vavasseur, die aandrong op een zombie-achtige gehoorzaamheid,  werkte hij dat verder uit: "Jij wilt je leden van de communiteit zo perfect hebben en zo verzaakt aan alles, dat wij hen rond kunnen sleuren als marionetten. Dat mag dan wel een mooie show lijken, maar het heeft nooit bestaan en zal nooit bestaan in de kerk.... ( Denkend aan een bepaalde sociëteit, waarover gediscussieerd werd zei hij: "Zij)  zouden op zijn minst de helft van hun leden weg moeten sturen als zij jouw principes zouden willen volgen." (N.D.8.38f)

 

De volgzaamheid van geest waar Libermann op aandringt, verwijst natuurlijk naar het oordeel vanuit de praktijk over wat gedaan moet worden hier en nu en niet naar een theoretisch oordeel over wat beter  zou passen, effectiever zou zijn of meer geëigend alsof je helemaal niet bij betrokken zou zijn. Libermann erkent uitdrukkelijk, dat men in dat opzicht van mening kan verschillen met het oordeel van zijn overste. (N.D. 9, 356) Sterker nog, door te verklaren dat de hoogste autoriteit binnen de congregatie ligt in de wil "van de meerderheid van haar leden" (N.D. 4, 191) wil hij de leden duidelijk maken dat hij van de leden verwacht dat zij duidelijk hun mening geven zodat er bindende beslissingen genomen kunnen worden. Het staat ook vast, dat hij uitgaat van de redenering dat de gevraagde onderwerping verwijst naar de praktische kant uit het apostolisch en religieus leven en niet naar theoretische of wetenschappelijke onderwerpen uit andere koninkrijkjes. Het zou in zijn ogen een waarlijk misbruik van autoriteit betekenen als een overste zou beweren, dat hij zijn 'onderdanen' zou kunnen bevelen aan te nemen dat 2+2=5. (Er wordt gezegd dat er een novicenmeester is geweest die gewend was te insisteren op dit absurde inzicht op gehoorzaamheid.)

 

Libermann drong er bij de oversten op aan gehoorzaam te zijn aan de H. Geest en aan alles wat daarmee samenhangt. Aan oversten werd verteld te handelen "in en door het licht van de H. Geest" (N.D. 2,312) en hun functie niet uit te oefenen "in een geest van dominantie en eigen-liefde", maar deze uit te oefenen zoals Christus het uitoefende,  "menselijk, met vriendelijkheid en bescheidenheid" en allen te behandelen met een "vaderlijke tederheid", goed te letten op hun "spiritueel en materieel eigendom, onderwijl hen gelukkig makend en een voldaan gevoel gevend" (N.D. 2, 319, art. 18.f)  Libermann sloot uit van de functie van overste al degenen "die niet de nodige sociale deugden en capaciteiten hadden zoals mensen met een rare manier van denken of met rare manieren, een  zwak of foutief oordeel, iedereen die onbuigzaam was, hard, moeilijk, slecht gehumeurd of arrogant. Om gekozen te worden, behoorden zij soepel te zijn, volgzaam, flexibel, nederig en capabel om te schikken als dat nodig mocht zijn (N.D. 2, 321 ff)

 

De reden achter Libermann's zware eisen voor het oversteschap was, dat hij zich sterk bewust was van het feit, dat God nooit de typische eigenheid van een menselijk wezen zou willen vernietigen. Hij respecteert het unieke ervan.  (ND. 11, 546) Als ieder van ons inderdaad een persoonlijke roeping van God heeft ontvangen, dan volgt daaruit dat deze roeping met eerbied behandeld moet worden ook door onze medemensen, en daar horen ook onze oversten toe. Die persoonlijke roepingen mogen niet worden geperst in een en dezelfde matrijs of vorm. Dat was ook de reden, dat Libermann zo sterk was tegen uniformiteit en reglementering in het religieuze leven. Libermann gebruikte zelden de term 'uniformiteit' en eiste het alleen in gevallen dat het absoluut nodig was. Hij wenste bv. punctualiteit  voor de maaltijden en andere communiteitsactiviteiten - het is tegen de naastenliefde anderen onnodig te laten wachten - en het nakomen van de lokale vormen van beleefdheid als je in een ander land leeft. Maar hij weigerde  uniforme kleding voor iedereen ("We kunnen er niet zo maar eentje in het bijzonder adopteren" N.D. 9, 589), en hij verbood een onderscheiden kleding voor oversten ( N.D. 2, 333, art. 19) 

 

Aanvankelijk verwierp Libermann uitdrukkelijk alle activiteiten in het eigen land en verklaarde missies in "vreemde en verre landen" als de enige aanvaardbare taken. Al snel realiseerde hij zich dat deze positie heel gevaarlijk was en in 1847 schreef hij dat, als deze regel zou worden uitgelegd in de zin dat in eigen land de congregatie alleen activiteiten mocht ontwikkelen die bedoeld zijn ter ondersteuning van de missies "ad extra" het "belangrijk is dat de constitutie van de congregatie wordt veranderd"(N.D. 8, 293). 

 

Libermann waarschuwde zijn volgelingen tegen trots op het eigen instituut en afgunst vanwege andere instituten. De leden van de congregatie "moeten oprecht en diep nederig zijn, ieder in het bijzonder, maar ook samen als instituut... Zij mogen niet uit zijn op roem van het instituut of depressief worden wanneer zij zien, dat het eigen instituut niet in hoog aanzien staat... Zij moeten alles doen wat mogelijk is om de congregatie een trouwe dienares van de kerk te laten zijn.( N.D. 2, 298, art. 23) Terwijl de leden "dol moeten zijn op en gehecht aan de congregatie"(N.D. 2, 284, art. 22) zijn afgunst en jaloezie naar andere instituten toe uit den boze; zij zouden "zich moeten verheugen als zij zien, dat andere instituten in hoog aanzien staan en er met groot respect over hen wordt gesproken. ( N.D. 2, 298, art. 23)

 

In de revisie van de Voorlopige Leefregel, welke werd opgesteld nadat de Congregatie van het H. Hart van Libermann was opgegaan in de Congregatie van de H. Geest, verbreedde Libermann in 1849 het werkterrein om meer ruimte te maken voor apostolische inspanningen in het eigen land. In het openingshoofdstuk van de nieuwe Constituties verklaarde hij, dat de algemene doelstelling van de Congregatie was te werken aan "de redding van de zondaars"  en speciaal voor "hen in de grootste nood en voor de meest verlatenen".Trouw aan deze algemene doelstellingen vereist, dat slechts activiteiten ondernomen worden om die mensen te dienen die zich bevinden op "de weg van de ondergang"; of "van zonden te vrijwaren diegenen die het gevaar lopen tot zonden te vervallen; of "de waarheid te leren van onze heilige godsdienst aan hen die er niets van af weten". 

In 1842 schrijft Libermann: Als de H. Geest ergens inspireert tot een nieuw werk, geeft Hij bijna nooit een volledig uitgewerkte blauwdruk voor de ontwikkeling ervan, maar leidt Hij (de H. Geest) het werk als vereist gebruik makend van de gelegenheden, die zich voordoen. Niettemin ligt de gehele ontwikkeling van dit werk van het begin af aan bevat in het principe waarmee Hij degene bezield aan wie Hij de inspiratie gegeven heeft om dit werk aan te vangen. Daarbij is er een zekere onderlinge verbondenheid door al die verscheidenheden heen. (N.D. 3, 158

Wie zou durven beweren, dat Libermann gedurende zijn leven als christen niet was geďnteresseerd in het belang van de opleiding van priesters? Is het zo vreemd, dat Libermann de H. Geest zag achter het idee dat hem ertoe bracht te zoeken naar een opleiding van priesters zelfs buiten de missies?  En dat interesse in de opleiding van jonge mensen in de missie, waar een kleinseminarie was dat ongeveer dezelfde opleiding had als een college (N.D. 13, 38) vervolgens leidde tot het accepteren van opleidingsmogelijkheden in het eigen thuisland? 

 

Een traditionele manier om naar de missie van de congregatie aan de armen en de verlatenen te kijken is door te zeggen dat evangelisatie ons eerste doel is en dat activiteiten welke niet direct met de verkondiging van het Goede Nieuws van  heil en redding te maken hebben  slechts ondernomen mogen worden als middelen om de evangelisatie te bevorderen. Economische ontwikkeling door agricultuur en industrie, opleidingen, bevrijding van allerlei soorten van onderdrukking, zorg voor de zieken, enz. vallen binnen deze categorie als indirecte middelen om het doel te bereiken. Dit lijkt een zeer aanvaardbare manier te zijn om de hiërarchie aan te brengen in de prioriteiten en in de uitgave van 1958 van "The Spiritans" volgde ik deze opvatting wanneer ik sprak over de missionaire methode van de congregatie (Hfdst XIX, pp 454-474) Ongelukkigerwijze zit er een fout in dat onderscheid tussen directe en indirecte middelen van evangelisatie.  Wanneer wij de hongerigen voeden, de zieken genezen, de onwetenden een opleiding bezorgen alleen maar als een middel om hen zover te krijgen dat zij het heil en de redding van Christus accepteren en het geluk van de hemel bereiken, dan bieden we hen wereldlijke steekpenningen voor hun bekering. Wij zouden niet anders zijn dan politici die stemmen kopen in de verkiezingstijd, en onze actie zou niet de ware liefde voor de armen en de lijdenden laten zien. Als we oprecht zijn, dan zouden we hen bij deze opvatting moeten vertellen: "Jullie honger en ellende interesseren me eigenlijk niet; ik heb iets anders voor de geest. Ik ben slechts gekomen om jullie comfort aan te bieden voor na jullie dood. Maar als jullie bereid zijn dat geluk te accepteren ben ik van mijn kant bereid om jullie nu al enig wereldlijke ondersteuning te geven."

 

Met gerechtvaardigde woede zouden onze missionarissen zo'n absurde beschuldigingen ver van zich af geworpen hebben. Zij waren oprecht geďnteresseerd ook in het geluk van de mensen op deze aarde. Echter dit laat alleen maar zien, dat hun manier van werken niet strookte met de traditionele theorie, niet dat hun theorie correct was. Als we de beroemde uitspraak van Maurice Merleau-Ponty mogen parafraseren: Om uit te vinden wat het volk werkelijk in beweging zet, kijk dan niet naar hun mooie theorieën, maar kijk naar wat werkelijk hun drijvende kracht is, die ervoor zorgt, at zij in beweging komen. Op zijn eigen wijze had Karl Marx hetzelfde inzicht verkondigt, noch ideeën. noch duidelijk uitgesproken  bedoelingen bepalen het verloop van de geschiedenis, maar dat doet alleen de interne logica die inherent is aan onze acties.

We mogen hieraan toevoegen dat, ofschoon Libermann soms spreekt over economische en sociale ontwikkeling als een middel tot evangelisatie, hij niet zegt dat deze ontwikkeling alleen maar een middel is.  Hij beweert juist het tegenovergestelde in een richtlijn, waarin hij aangeeft, dat als bepaalde mensen "zich verzetten tegen de stem van het geloof, de missionarissen niet moeten stoppen hen de nodige menswetenschappen en vakkennis te geven en wel met dezelfde liefde en zorg als (zij laten zien) naar diegenen toe die het geloof aanvaarden". (N.D. 10, 515 f)

 

De  traditionele benadering van evangelisatie is: evangelisatie beschouwen als evangelisatie alleen maar als het direct met God, met Jezus, met de Bijbel of met de kerk te maken heeft of eerder nog alleen maar als het woord God, Jezus of Bijbel exclusief en uitdrukkelijk gebruikt wordt in een tekst, in een lied, in een voordracht, enz.. Het voornaamste bezwaar tegen deze kijk op het begrip evangelisatie is dat het een kijk is met oogkleppen op. Deze kijk lijdt aan dualisme: hemel tegenover aarde, ziel tegenover lichaam, religieuze behoeften tegenover wereldlijke behoeften. Het tegenovergestelde van dit dualisme is een holistische benadering, een die de mens ziet als volledig menselijke wezens, geschapen door God. Door deze benadering te volgen wordt onze missie niet slechts voornamelijk, maar in zijn totaliteit een missie van evangelisatie. Het is dan niet een missie alleen maar om zielen te redden voor de hemel of alleen maar om lokale kerken te vestigen met als enig doel zielen te redden voor de hemel, maar dan gaat het om de verkondiging van Christus de Redder, wiens hele leven openbaring was: Jezus' leven liet zien dat het werkelijk mogelijk is voor ons als menselijke wezens om te beginnen samen te leven als Gods zonen en dochters zelfs hier op aarde, ofschoon duidelijk is dat we het perfecte samenzijn in liefde voor elkaar pas bereiken op het einde van onze aardse pelgrimstocht. 

 

Het bezwaar zou kunnen worden gemaakt, dat onze hoop op succes van onze missie  is gebaseerd op de eerste plaats op "het kruis van Christus", dwz. op onze heiligheid, en slechts op de tweede plaats door gebruik te maken van de meest effectieve middelen zoals die  ontwikkeld zijn in de moderne wetenschap. De manier waarop dit bezwaar is geformuleerd, is belast met de stilzwijgende vooronderstelling dat er een fundamentele kloof bestaat tussen het kruis en de moderne wetenschap. Het veronachtzaamt de mogelijkheid dat het Kruis, d.i. de Christelijke heiligheid, mogelijk al is geďncarneerd in de moderne beschaving en in zijn wetenschap als een "universum van cultuur", een karakteristiek welke gemeenschappelijk is aan alle culturen in onze tijd. Natuurlijk, niemand wil claimen dat Christelijke heiligheid op een perfecte wijze is geďncarneerd in de moderne wereld, maar we mogen ons wel afvragen of die incarnatie niet minstens in die mate gebeurd is dat we ons zijn gaan aanpassen. Laten we proberen dit aan te tonen:

Indien de volgelingen van Christus het kruis hebben opgenomen op een betekenisvolle manier, dan moet het dragen van het kruis toch enige blijvende indrukken hebben achter gelaten op de wijze van omgaan met de medemens. De aanvaardbare wijze moet er dan een zijn geworden welke meer liefde en onbaatzuchtigheid toont naar elkaar toe, op zijn minst tot een bepaalde hoogte. Het absolute minimum van deze liefde en onbaatzuchtigheid voor de Christelijke gemeenschap is vastgelegd in de Christelijke wetten. Zij bepalen het minimum van ons handelen bepalen als volgelingen van Jezus.

 

De onderscheiden christelijke manier van leven begon in de tijd van de apostelen, toen christenen zich van anderen onderscheidden door hun liefdevolle betrokkenheid op de armen en verlatenen: "Zie hoe zij elkaar beminnen" (Aanhaling uit Tertulianus). Bekeerlingen werden aangemoedigd hun slaven vrij te laten en dat deden ze ook. Duizenden werden inderdaad vrij gelaten. Op het moment dat het zover was, dat de kerk invloed kon uitoefenen op de keizer, werden wetten aangenomen om de mensenrechten van slaven te beschermen, etc.  Toen er in de middeleeuwen abdijen en kloosters ontstonden, werden ze centra van ontwikkeling en van christelijke liefdewerken. Van hieruit ging de zorg voor anderen over naar de opkomende steden. Het was natuurlijk allemaal nog heel primitief, maar voor die periode was er niets beters mogelijk. De slavernij kon, volgens de inzichten van die tijd,  niet worden afgeschaft zolang slavernij werd gezien als een noodzaak - zelfs nog in de 16e eeuw kon zelfs St. Thomas More zich geen perfecte maatschappij voorstellen zonder slaven zoals hij beschreef in zijn UTOPIA - maar er werden wel pogingen ondernomen om hun situatie dragelijker te maken. Weinig zieken konden worden genezen zolang er geen effectieve geneesmiddelen waren ontdekt, maar wel werden de zieken omgeven door mensen die om hen gaven en die er alles aan deden om hun pijnen te verlichten. Dit alles hielp mee om het Europees geweten te vormen. Toen vervolgens de moderne wetenschap werd geboren en het duidelijk werd dat slavernij niet nodig was en dat zieken vaak konden worden genezen, vroeg dit geweten om steeds meer zorg voor de zieken en om het afschaffen van de slavernij. Opvallend is ook, dat het opkomen van de moderne wetenschap  er niet kwam zonder de drijfkracht welke voortkwam uit het Christelijk geweten.

 

Sommige invloeden of eisen van het christelijk geweten, bv. het afschaffen van de slavernij, de zorg voor de zieken en de armen, vrijheid van religie, zijn nu algemeen geaccepteerd door alle geciviliseerde naties, op zijn minst op papier. Je hoeft geen christen meer te zijn om deze te accepteren. Er wordt van gezegd, dat zij  "geseculariseerd"zijn.  Maar het zien als secularisatie is slechts een van de manieren om te kijken naar wat er is gebeurd. Wanneer we het van de andere kant bekijken kunnen we ook zeggen, dat de acceptatie van zulke eisen laat zien dat de wereld gechristianiseerd is en wel zo, dat de wereld respect en liefde voor de medemens is gaan accepteren. Wat veranderd is, is dat zulke opvattingen niet langer het monopoly van de kerk of kerken zijn. En daarbij is het duidelijk, dat ware liefde de voorkeur geeft aan de meest perfecte middelen boven de minder effectieve. Dit alles laat zien, dat het eenvoudige onderscheid tussen "perfecte middelen" en "het kruis van Christus" geen recht doet aan de complexiteit van het gegeven; deze twee overlappen elkaar.
Volgens een astronomische berekening was het op de 28ste mei in het jaar 585 voor Christus, dat   in de avond de Griekse filosoof Thales van Miletus naar buiten zijn achtertuin inliep om de eclips van de maan te observeren welke hij had voorspeld. Hij keek zo strak naar de hemel dat hij niet oplette waar hij liep en in een modderige sloot viel. Bij het zien van haar bemodderde baas, die naar binnen kwam om zich te wassen, lachte de huishoudster om hem en zei: "Hier is een man, die alles over de hemelen wil weten, maar die zelfs niet weet hoe hij in zijn eigen tuin moet rondlopen."Zij verkneukelde zich in de duidelijke verlegenheid van deze beroemde man van de oude wetenschap, maar Plato prees hem. Voor Socrates heeft iemand die tot de waarheid wil komen, geen tijd te verliezen met "de dingen van de wereld" en voor Plato zijn degenen die zich toewijden aan "de ziel en de waarheid", niet thuis en willen zij niet thuis zijn op deze wereld (Theaetetus 176b). Aristoles zegt precies hetzelfde. De mens zoekt het geluk, maar geluk is alleen maar te vinden in de beschouwing van de waarheid. Dat is de reden dat iemand, die authentiek mens wil zijn en oprecht vrij, zichzelf zo veel als mogelijk toewijdt aan de beschouwing van de eeuwige en onveranderde waarheid en hij vermijdt het zich te mengen in het leven van alle dag van deze wereld (Nic. Ethics 1,6) Aristoteles had nog een reden om de wetenschap te zien als een wetenschap die zich alleen maar bezig houdt met de eeuwige en goddelijke waarheid.

 

Aristoteles vond dat materie te grillig en te veranderlijk was om begrijpelijk te kunnen zijn - het was eerder het waarachtige principe van onbegrijpelijkheid - zodat er geen verwachting kon bestaan om ooit enige hoop te kunnen koesteren vooruitgang te boeken in een waar verstaan van materiele zaken.  Bovendien was er geen motief of prikkel om te trachten enige mate van begrip voor materie te bereiken, omdat alles wat nodig is voor het leven en voor comfort van leven allang ontdekt was of uitgevonden; Dus waarom zou een wijs iemand zich druk maken om er zijn aandacht aan te geven. Niet belemmerd door wereldlijke beslommeringen is de authentieke mens helemaal vrij. Hij heeft vrije tijd waarin hij zijn waarachtig menselijke mogelijkheden kan ontwikkelen in contemplatie. 

 

Omdat wetenschap noch in staat was de mens te leiden in de praktische bezigheden van zijn wereld van alle dag noch het wilde, kon de wereld van het werk slechts geleid worden door een ongepolijste ervaring, ontdaan van enig begrijpelijk verstaan; b.v. eieren worden hard en boter smelt in een hete pan, maar waarom dit zo is blijft voor altijd onbegrijpelijk. Op deze manier kon werk gemakkelijk gezien worden als iets dat mensen, die op zoek zijn naar de ware vrijheid,  onwaardig is; het was eerder iets dat overgelaten moest worden aan submensen of slaven. De komst van het christendom bracht geen fundamentele verandering in deze kijk op de wereld. Haar predikers volstonden er mee deze Griekse filosofie te "dopen" en er theologische conclusies uit te trekken, zoals; het geluk van de hemel bestaat in de contemplatie van het wezenlijke van het meest pure wezen, God zelf.  Of; een christen zou zich niet druk moeten maken over zijn lot in deze wereld, maar slechts over zijn uiteindelijke bestemming in de hemel. Een beetje geduld werd gevraagd voor het miserabele lot van de "verbannen kinderen van Eva" hier op deze aarde, maar spoedig zouden hun zielen zich verheugen in de eeuwige gelukzaligheid van de contemplatie van God. (Maar haasten we ons te zeggen dat de christelijke praktijk over het algemeen veel beter was dan deze "christelijke" theorie en het laat daarmee eens te meer zien dat theorie en praktijk niet altijd hand in hand gaan)

 

Werk werd nog steeds gezien als iets vernederends - en daarom gedaan door religieuze orden - als een straf voor de erfzonde maar natuurlijk ook als een noodzaak voor veel mensen. Deze ongewenste bezigheid kon worden geheiligd door het formuleren van een goede intentie. Zo kon je het werken opdragen als offer voor de arme zielen of voor de bekering van de zondaars. Er was echter een opvallend verschil tussen de Griekse en de christelijke houding ten opzichte van werken. Hoewel ze de Griekse begrippen van wetenschap en werk overnamen, maakten Christenen een onderscheid tussen werk en arbeiders. Zij vroegen om liefde en respect voor de arbeiders die net zo goed als hun meesters, waren verheven tot de waardigheid van de kinderen van God, broeders en zusters van Christus. Zij kwamen niet tot een theologie van de arbeid, maar zij ontwikkelden wel een theologie van christelijke liefde voor arbeiders; arbeiders waren mensen. Christenen eisten dat hun rechten als menselijke wezens werden gerespecteerd, zelfs als zij slaaf bleven. 

 

Maar onder degenen die geen slaaf waren, moesten de meesten toch gewoon werken: "Iemand die niet wenst te werken, heeft ook geen recht op eten,"zei de H. Paulus. Maar buiten dat zouden die personen met werken iets moeten verdienen, zodat zij ook iets konden geven aan de armen, de weduwen, de wezen, de zieken, enz. Met andere woorden, zij zouden iets moeten kunnen geven aan diegenen die staan buiten het circuit van de gewone structuren van de werkende wereld.  Zij zouden liefdadigheid in de praktijk moeten brengen. Christelijke liefdadigheid stond buiten de normale wereld; mensen deden er aan in hun vrije tijd en gaven van hun overvloed. En het was gericht op mensen in buitengewone omstandigheden, op hen die niet langer in staat waren om voor zichzelf te zorgen. Bovendien werd het leeuwenaandeel van deze werken van liefdadigheid uitgevoerd door mensen die zich uit het gewone leven hadden teruggetrokken om de buitengewone staan te omhelzen van leden of geaffilieerde leden van religieuze instituten. Uiteindelijk was in de meeste gevallen het doel om lijden en noden draagbaar te maken, niet om ze op te heffen. Want dit laatste stond nog buiten de horizon van de visie van de mens. Had Aristoteles zelf de wereld niet verteld dat alles wat er aan behoeften en comfort nodig is in het leven al voorzien was en dat er geen vooruitgang verwacht kon worden in de toekomst? 

h._geest_begin.jpg (764 bytes)

Weert, Klein Seminarie. Uit het dagboek.

1946 Voor de Paasvakantie van 1946 gaan de seminaristen van Weert eerder naar huis, omdat de spoorwegen na Aswoensdag geen studenten meer vervoeren.

 

30 September 1946 Godfried Bomans op bezoek
Het gedeelte vóór de pauze valt in de smaak, maar … "na de pauze, waarin het souper genuttigd werd, scheen hij als het ware niet meer te weten dat hij sprak voor priesterstudenten. Er waren nogal scherpe kantjes aan die we niet konden appreciëren ondanks de vorm waarin ze gekleed waren."

 

8 Juni 1954, Softball Het softball team van het seminarie wordt in Eindhoven voor de vijfde maal kampioen. De overste die niet was meegegaan, wil het team feliciteren en vertrekt per bromfiets naar Eindhoven. Het wordt een dure reis. Hij krijgt een drievoudige bekeuring: Hij reed zonder belastingkaart, zonder voorrem en hij reed op de snelweg!

 

1955 Zwemmen Daar momenteel gemengd zwemmen, althans in het zuiden van Nederland nog niet algemeen gewoon is, maar toch de scheiding tussen dames en heren in de IJzeren Man miniem is, hebben Missiehuis en pensionaat en scholen van St. Louis één middag per week het totale zwembad afgehuurd.

Het was de gewoonte dat de meer dan 200 studenten altijd als een groep gingen wandelen. Ze vormden zo een lange colonne met paters als begeleiders. Zo ging, in het begin van de jaren 50,  de colonne ook eens op weg naar het zwembad. Van verre kon je het zwembad al zien liggen. Dat was een nadeel, want de begeleidende pater kon al van verre zien dat er meisjes aan het zwemmen waren. Dus de hele colonne maakte rechtsomkeer en moest terug naar de beschutting van het seminarie.

Terug naar het begin van de bladzijde.