Kapittelboekje 2006

 

Gemert, oktober 2006 

Beste Medebroeders, 

Zoals was beloofd, al is het ook wat laat, is hier tenslotte het boekje, waarin vermeld staat het verloop van ons provinciaal kapittel, de beslissingen en het beleid voor de bestuursperiode 2006-2009. 

De beslissingen zijn het resultaat van ons werk gedurende de dagen van het kapittel en geven de lijnen aan in welke richting we ons willen laten leiden en in hoever we nog kunnen bijdragen aan de taak die wij als congregatie hebben in kerk en wereld. 

Dit beleid, uitgesproken en bekrachtigd door de deelnemers aan het kapittel, is het programma van het provinciaal bestuur en de provinciale raad. We hopen dit programma te kunnen verwezenlijken op een systematische manier en rekenen op de belangstelling en de inzet van alle medebroeders. 

Tenslotte vragen we het boekje te gebruiken in de huis- en regiovergaderingen om op deze wijze het provinciaal bestuur te helpen de provincie te leiden op de weg die we allemaal wensen.

Tenslotte aan de medebroeders die menen niet veel meer te kunnen doen als gevolg van leeftijd of ziekte, hier een aansporing van Pater Libermann: "Geef je over aan onze goede Meester door beschikbaarheid in het werk of soms, als Hij het toelaat, op non-actief. Hierin bestaat het voordeel van de missionaris: in gezondheid zich opofferen aan God door het werk en in ziekte hem een nog groter offer brengen door niet actief deel te kunnen nemen. (ND D( p.379) 

Het Provinciaal Bestuur:
J. Gordijn, P. Pubben, B.v. Tol,  Fr. Wijnen

Kapittel:  

Het kapittel van de Nederlandse provincie C.S.Sp. in 2006 werd gehouden te Gemert,  in twee sessies: de eerste sessie was van 18  t/m 20 mei 2006, de tweede sessie was van 7 t/m 9 juni 2006. 

AAN HET KAPITTEL NAMEN DEEL  

rechtens:           de leden van het provinciaal bestuur: J. Gordijn. P. Meeuws, T. Gruijters.
                       
de leden van de provinciale raad: F. Wijnen,
                        P. Pubben, O.v.d. Brink.

gekozen:          communiteit Gennep/ Boxmeer:     J. Berndsen, T. Rutjes.
                       communiteit Gemert:     J.v.d. Wildenberg, C. Kok
                       regio Weert:      L. Verhaag, H.v. Dillen.
                       regio Maas en Waal en Hattem:     H. Zandbelt,
A. Tijssen.
                       regio Halfweg, Duitsland en Frankrijk:
J. Nieuwenhuizen.
                       Brazilië, Trinidad en USA:     P.v.d. Drift.
                      
Afrika: J. Habets.

Kandidaten met meer dan 7 stemmen en niet gekozen als afgevaardigden:
                        F. Timmermans, C. Bruin, A. de Jong,

                        P. Delisse, B.v. Tol, M. Wilson, J.v. Vegchel,
  
                     S. de Lange, M.v. Moorsel.

Gevraagd door het provinciaal bestuur:
                        propaganda: J.v. Schaijk.

                        kapittelboekje: P. Cuijpers.
                        missionarissen op verlof:  T. Willemsen,
K. Gradussen, M. Beusmans,            Mgr.L. v. Heijgen.

                        vertalers: C. Anyaeze , C. Eba'a.

                        medestanders: P. Beckers, M. Jansen,  Tr. Keet C.v. Kuijk, T. Smits, J Wilmer, D. Waarma.

                        genodigden:  zusters v.d. H. Geest: L. v. Uffelen.

                        algemeen bestuur: J. Kingston.

                        provinciaal van Nigeria: A. Onyeneke.

                        coördinator van de Europese groep: D. Olin.


HOE WAS DE INTERNE ORGANISATIE VAN HET KAPITEL ?
 

F.Wijnen en S. de Lange werden voorgesteld en geaccepteerd als moderatoren van het kapittel.

G. Hogema en C. v. d. Poel werden benoemd tot  informateurs/formateurs voor het nieuwe provinciale bestuur.

J. de Boer en J. Woolderink  werden gekozen om de financiële zaken van de provincie te controleren.

Het secretariaat werd verzorgd door: M.v. Moorsel en T. Smits 

Er werd als volgt vergaderd: het  thema werd mondeling ingeleid. Sommige thema's werden besproken in kleinere groepen, andere plenair. 

WAT WAS ER TIJDENS HET KAPITTEL VAN 2006 AAN DE ORDE? 

-          De verkiezing van een nieuw provinciaal bestuur,
" misschien het laatste dat wij in de gebruikelijke vorm zullen kiezen"  (T.Gruyters in zijn openingswoord).

-          De inschakeling van leken in bestuursfuncties.

-          De toekomst van de huizen die aan de Nederlandse provincie toebehoren.

-          De toekomst van onze werkzaamheden in Nederland met name in Eindhoven en Rotterdam, of via het Afrika Museum in Berg en Dal en de propaganda.

-          De werkzaamheden in het Zuiden  (Afrika, Brazilië en elders).

-          Medestanders.

-          De nieuwe ontwikkelingen bij het ontstaan van de Europese Groep.  

Het kapittel  begon  met de presentatie door het aftredende bestuur van het verslag over een bestuursperiode van zes jaar. 

HET VERSLAG VAN HET AFTREDENDE PROVINCIAAL BESTUUR 

Koos Gordijn leidde het verslag in. Hij gaf aan, dat het verslag de twee bestuursperioden omvat van het huidige provinciaal bestuur. Het verslag volgt de indeling van het beleidsplan uit 2000 met zijn aanpassingen van 2003. Ook komen in het verslag punten ter sprake die buiten het beleidsplan vallen. Zij moeten  geëvalueerd worden, en misschien in het nieuwe beleidsplan opgenomen worden. Het laatste ligt echter in de handen van het kapittel. 

Piet Meeuws gaf vervolgens een overzicht van de verschillende reacties ontvangen op het verslag van het aftredende bestuur. Dit verslag was vooraf ter bespreking aan de confraters toegestuurd.

De reacties betroffen allerlei zaken en waren gevarieerd. Soms werd er waardering uitgesproken. Dit was o.a. het geval bij de zorg van het bestuur voor de medebroeders, speciaal voor hen die recent uit de missie teruggekeerd zijn. Soms  werden er problemen gesignaleerd zoals de moeizame communicatie tussen de werkgroepen en de achterban van medebroeders. Meestal werd er begrip voor de gesignaleerde moeilijkheden getoond zoals bij de kwestie van de toekomst van de huizen van de provincie. In de reacties werd de inzet van de huizencommissie geprezen, ook al lijkt voor een buitenstaander een en ander traag te verlopen. 

EVALUATIE VAN HET BESTUURSVERSLAG DOOR HET KAPITTEL  

Kwesties die in het beleidsplan stonden. 

Aan het kapittel werd als eerste vraag voorgelegd: is het beleid goed beschreven en goed uitgevoerd? Zo niet, wat moet er veranderd worden? 

1.         De antwoorden van de kapittulanten waren over het algemeen positief.

2.         Zo werd de zorg voor de medebroeders, met name de jaarlijkse bezoeken hier en in het Zuiden, alom gewaardeerd. Ook de aandacht voor oudere en/of zieke confraters werd positief beoordeeld.

3.         Een punt van zorg was dat onze huizen, behalve Gennep, niet aan de eisen beantwoorden die door de thuiszorg worden gesteld. Wij hebben immers zelf geen of weinig mantelzorg door familie en zijn dus grotendeels op professionele thuiszorg aangewezen, die uiteraard haar eisen moet stellen.

4.         Er was bij enkele kapittulanten onduidelijkheid over de inbreng van de provincie in het stichtingsbestuur, dat ons kloosterbejaardenhuis in Gennep beheert. Hier kon gemeld worden, dat twee medebroeders de congregatie in het bestuur vertegenwoordigen.

5.         Het belang van de werkgroepen als adviesorganen die de communicatie tussen het bestuur en de confraters kunnen bevorderen, werd door het kapittel onderstreept. Men vond het dan ook belangrijk dat die werkgroepen blijven functioneren ondanks de toenemende moeilijkheden om ze gaande te houden. De oorzaak hiervan is vooral het ouder worden van de leden.

6.         De communicatie met de medebroeders in het Zuiden: door enkele kapittulanten werd opgemerkt dat er heel wat informatie over en weer gaat tussen de betreffende confrater, zijn werk en leven in het gebied waar hij werkt enerzijds en het bestuurslid dat hem bezoekt en dat vertelt over de stand van zaken in de Nederlandse provincie anderzijds. De terugkoppeling naar de provincie zou echter verbeterd kunnen worden, als b.v. de confraters in het Zuiden wat meer (ook schriftelijke) informatie gaven over de ontwikkelingen in het gebied waar ze werken en over de jonge Spiritijnse provincies en stichtingen. Het zou ook helpen als het bestuur die informatie wat minder beknopt doorgaf in de Nederlandse regiobijeenkomsten en werkgroepen.

7.         Er waren vragen over de (afnemende?) invloed van de provincie op de regio Europa met name wat betreft de hulpverlening aan projecten van confraters. Die ondersteuning is nu in Brussel gecentraliseerd en lijkt onpersoonlijker c.q. strenger  te zijn geworden. Als verklaring hiervoor wordt gezegd, dat om hulp te krijgen aan bepaalde eisen moet worden voldaan, afhankelijk van het project en de organisatie waar hulp aangevraagd wordt. In Brussel wordt bekeken welke organisatie de beste kans biedt voor hulp. In Brussel wordt in feite de hulpverlening aan projecten van confraters gecoördineerd en beoordeeld. De hulp, welke beschikbaar wordt gesteld door de Europese provincies, wordt door een commissie verdeeld.

De combinatie van deze twee moet er voor zorgen, dat niemand met een gegronde aanvraag voor hulp buiten de boot valt.                      

8.         De beschrijving van de vraag naar inschakeling van leken en het beleid hierin door het aftredende bestuur gaf op het kapittel aanleiding tot de volgende constatering: door onze vergrijzing worden wij er meer en meer toe gebracht om leken in te schakelen. Tot nu toe is dat echter alleen het geval bij de financiën, het secretariaat, in tuin en keuken, bij de verzorging en als huishoudelijke hulp.

De vraag aan het kapittel is nu zich uit te spreken over de inschakeling van leken in alle sectoren en functies, ook in die van het provinciaal bestuur.

Het kapittel geeft aan het nieuwe bestuur een mandaat om deze mogelijkheid te onderzoeken en eventueel stappen te ondernemen om een leek aan te nemen als adviseur van het provinciaal bestuur.

9.         De toekomst van de huizen is een ingewikkelde materie, welke om deskundigheid vraagt op diverse terreinen.  

Voorgesteld werd om aan de huizencommissie een  mandaat te geven om in alle vrijheid te handelen onder eindverantwoordelijkheid van het provinciaal bestuur. Dit zal later op het kapittel worden hernomen.

10        Het Missionair Team Eindhoven en het team Rotterdam zijn goed begeleid door het aftredende bestuur. De betrokkenheid van dit bestuur is als weldadig ervaren.  

Kwesties die niet in het beleidsplan voorkwamen. 

Aan het kapittel werd gevraagd of er door het huidige bestuur goed is omgegaan met zaken die niet in het beleidsplan stonden? Moeten er van deze zaken punten worden opgenomen in het nieuwe beleidsplan? 

1.         Een van die zaken is het jubileumjaar. Hierop kijken wij met trots terug. Het jubileumjaar is een bijzondere periode geweest met verbroedering tussen de medebroeders en een goede uitstraling naar buiten. Ook het jubileumboek " In de Kracht van de Geest " was een succes. De jubileumtentoonstelling geeft een goed overzicht van de geschiedenis en de activiteiten van de congregatie en de Nederlandse provincie. Dankzij de zusters van de H. Geest en enkele medebroeders kan deze nog steeds bezichtigd worden.

Daartegenover staat dat de geplande video niet is gemaakt. Ook is de vernieuwing van de communiteiten waar men op hoopte, niet altijd tastbaar of aanwijsbaar geworden.

Het kapittel beveelt aan de dynamiek van het jubileumjaar te gebruiken en verder uit te werken in het nieuwe beleidsplan van het aantredende provinciaal bestuur.

2.         Is er goed omgegaan met het Afrika Museum in Berg en Dal?  

Het kapittel vraagt om meer aandacht te geven aan het Afrika Museum, dat een blijvende herinnering is aan het werk van de congregatie hier in Nederland, in Afrika en in  Brazilië. Het biedt een waardige presentatie van de culturen uit het Zuiden en geeft zodoende een eigentijdse invulling aan de missie van de congregatie.

Voor de voortzetting van de samenwerking tussen congregatie en museum is volgens het kapittel een goede communicatie belangrijk. Het is van belang ook in de toekomst de culturen uit het Zuiden goed te blijven presenteren. Als voorbeeld van goede samenwerking tussen de congregatie en het museum wordt het besluit genoemd om mettertijd de boeken van de Missie Informatie Dienst over te doen gaan naar het Afrika Museum.

3.         Archief: te zijner tijd zullen de documentatie en de andere archivalea die belangrijk zijn voor provincie en congregatie, worden ondergebracht bij de Klooster Archieven Nederland in St. Agatha en in Chevilly. 

VOORBEREIDING VAN DE VERKIEZING VOOR EEN NIEUW PROVINCIAAL BESTUUR 

-Besproken werd welke opdracht te geven aan de formateurs. Het kapittel kwam tot de volgende opdracht: een team samenstellen van medebroeders die kunnen luisteren, samenwerken en besluiten nemen. Ze moeten verder bereid zijn om vakkundige leken van buiten aan te trekken. Verder is aandacht voor spiritualiteit uiteraard belangrijk. Een team met een Engels -, een Frans - en een Portugees - sprekend lid zou ideaal zijn.

-          Als 2e punt kwam aan de orde de vraag uit hoeveel personen het provinciaal team in deze tijd zou moeten (mogen) bestaan. Als mogelijkheden werden genoemd: twee medebroeders of drie; een team van twee fulltimers  

plus een parttimer die niet perse in Gemert hoeft te wonen; twee medebroeders met een sterkere provinciale raad of met werkgroepen met grotere bevoegdheden; een team met twee medebroeders en een leek als parttimer voor management. 

Op 19 mei werd de opdracht aan de formateurs opnieuw besproken. Uiteindelijk  kwamen uit de discussies drie alternatieven naar voren:

            *            een provinciaal bestuur van drie fulltime medebroeders zoals het aftredende bestuur;

            *            een provinciaal bestuur van enkele fulltime en enkele parttime medebroeders;

            *            of een provinciaal bestuur met daarin een leek als medebestuurder of adviseur.

De voorkeur ging wel uit naar de eerste van deze drie mogelijkheden. De optie met een leek als medebestuurder werd aangegeven als in strijd met de huidige spiritijnse leefregel. 

Tijdens de eerste sessie van het kapittel werden verder nog een aantal belangrijke inleidingen gepresenteerd door onze gasten uit het buitenland. 

NIGERIA 

Augustine Onyeneke vertelt over de ontwikkelingen die hebben plaats gevonden sinds de eerste spiritijn in 1885 in Nigeria kwam.  Hij maakte duidelijk wat de Biafra oorlog (1967-1970) betekent heeft voor het land en de congregatie. Opgemerkt mag worden, dat de Nigeriaanse provincie de snelst groeiende provincie is binnen de congregatie. Op dit ogenblik telt deze 302 priesters, 5 broeders en 227 scholastieken. De leden van de provincie werken in alle werelddelen. Augustine schuwde niet de problemen aan te roeren van de culturele verschillen tussen de vele etnische groepen in zijn provincie. 

ALGEMEEN BESTUUR 

John Kingston van het algemeen bestuur in Rome kon melden, dat de congregatie weer langzaam groeit. De con-gregatie heeft ongeveer 1000 studenten en dat brengt de zware verantwoordelijkheid met zich mee van een goede opleiding.

Er is een commissie opgericht voor het goed opzetten van een secretariaat voor de opleiding. Verder zijn er overal in de congregatie hoopvolle ontwikkelingen gaande. Hij sprak over de steeds groter wordende solidariteit en het verlangen naar eenheid. "Gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping" krijgt de volle aandacht van het algemeen bestuur. John Killcrann is hiervoor speciaal aangesteld. Ook de opleiding tot broeder wordt centraler gesteld. Onderstreept werd de enorme betekenis die broeders hebben gehad voor de missionering. Echter, overal speelt het probleem van de financiën een rol bij de uitwerking van de plannen.  

REGIO EUROPA 

Dick Olin verschafte de laatste informatie over de ontwikkelingen van het spiritijns gebied Europa. Tot deze circonscriptie behoren op het ogenblik drie communiteiten: het noviciaat in Parijs, het secretariaat van Brussel en de pastorale communiteit van Rostock. Hij constateerde, dat overal in Europa creatief gezocht wordt naar missionaire projecten, die beantwoorden aan de behoeften van deze tijd en vallen binnen de doelstellingen van de congregatie. Door het ouder worden van de Europese leden zien we, dat voor de nieuwe projecten jongere confraters worden gezocht uit andere gebieden. Binnen Europa groeit de coördinatie. Als voorbeelden hiervan kunnen genoemd worden de CSECD, welke werkt aan gezamenlijke fondswerving en de CESS, welke de fondswerving verzorgt binnen de Europese circonscripties. Verder zijn er de al reeds lang bestaande Europese commissies als "Appel à la Mission, opleiding, communicatie, archivarissen, economen en provinciaals.

GERECHTIGHEID,VREDE EN HEELHEID VAN DE SCHEPPING 

Ook vanuit Nederland waren er een aantal verslagen: een over "gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping" door Harrie van Loon. Hij schilderde de Nederlandse situatie, maar betrok ook Kameroen in de beschouwing. Daarover schilderde hij de concurrentie met geïmporteerde diepvrieskippen en de rampzalige kap van het oerwoud;  

MISSIONAIR TEAM EINDHOVEN. 

Verder een verslag van Martin van Moorsel over de activiteiten van het Missionair Team Eindhoven. Martin schilderde de veranderingen die hebben plaats gevonden met de komst van Chima en Emmanuel. Hij onderstreepte het belang van een goede opvang, begeleiding en woonsfeer van de jonge confraters uit andere culturen. Emmanuel werkt nog aan zijn taalstudie. Chima heeft het werk onder de buitenlanders uitgebreid tot een goed lopende activiteit. Hij is ondertussen ook werkzaam als coördinator van de paterskerk.  Frans Wijnen is verantwoordelijk voor het binnenstadspastoraat. Jongeren hebben nog steeds sterk de aandacht. Martin van Moorsel hield zich daar vooral mee bezig. Thuis- en daklozen zijn geworden tot een belangrijke activiteit binnen het team.

Chima Anyaeze sprak over zijn inzet in de organisatie "kleurrijk religieus Nederland". Hij sprak over de cultuurshock die confraters en andere religieuzen uit het Zuiden hier in Nederland doormaken. "kleurrijk religieus Nederland" wil een platform zijn waar ervaringen uitgewisseld kunnen worden. Aan de orde kwamen belangrijke kwesties als "geworteld in God en geworteld in jezelf", Europese missionarissen in het buitenland en buitenlandse missionarissen in Nederland, premoderne en postmoderne situaties, het belang van het simpelweg aanwezig zijn bij verschillende leefomstandigheden en evenementen, de vraag wat de toekomst zal brengen, enz.  Vanuit "kleurrijk religieus Nederland" is aangedrongen op een goed draaiboek voor de opvang en begeleiding van buitenlandse missionarissen in Nederland.

GROEP ROTTERDAM 

Frans Timmermans sprak over de situatie en de werkwijze van de groep Rotterdam. Hij merkte op, dat de aanwezigheid van buitenlandse confraters heel wat problemen heeft gegeven, maar dat er ondanks dat veel positiefs van hen is uitgegaan in de parochie. Er is een brug gebouwd tussen Nederlanders en buitenlanders. De groep heeft een moeilijke periode gekend door het overlijden van Leo van Kessel en de wisselingen binnen de communiteit. Er is nu meer stabiliteit en meer overleg. Ook is er meer aandacht gekomen voor gezamenlijk gebed, diaconale activiteiten en een goede werkverdeling.  

Het Missionair Team Eindhoven en de groep Rotterdam worden ook aan het nieuwe bestuur als prioritaire projecten van de provincie aanbevolen. 

WERKGROEPEN 

Koos Gordijn geeft een korte samenvatting over de werkgroepen.
In onze provincie zijn de werkgroepen allen ontstaan na het kapittel van 1973. Dat kapittel sprak de wens uit om werkgroepen op te richten, met het doel de betrokkenheid van de leden te vergroten en directe inspraak op het beleid mogelijk te maken.

Vanaf die tijd kennen wij de sociale, de religieuze, de financiële en de missionaire werkgroep. Daarnaast bestaan er commissies zoals de al jaren functionerende publiciteitscommissie en ad hoc commissies zoals de jubileumcommissie bij gelegenheid van het 300-jarig bestaan van de congregatie en onze 100-jarige aanwezigheid in Nederland. Op het moment is er nog de huizencommissie. Jarenlang is er ook een bibliotheekcommissie geweest.

De werkgroepen en commissies bevorderen de wederzijdse communicatie tussen provinciaal bestuur en medebroeders. Ook hebben zij de inbreng van leken en zusters mogelijk gemaakt vooral via de financiële- en de missionaire werkgroep. 

Gevraagd werd of er misschien een aparte werkgroep voor "gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping" moet komen nu deze thematiek steeds belangrijker wordt. Het is een terrein waaraan wij als ouder wordende groep nog steeds ons steentje kunnen bijdragen. Tot nu toe staat het onderwerp op de agenda van de missionaire werkgroep.

Het kapittel besloot om het zo door te laten gaan. 

In de discussie kwam de vraag op of de niet leden onder de medebroeders zich betrokken voelden bij de werkgroepen. Om deze betrokkenheid te vergroten kwam uit deze discussie het voorstel de uitnodigingen voor de werkgroepen aan alle medebroeders te sturen en niet alleen aan de leden van de betreffende werkgroep of commissie.

Dit voorstel werd echter niet aangenomen. 

MEDESTANDERS 

Op 20 mei presenteerde de medestanders hun spiritualiteit en werkwijze. Dit gebeurde aan de hand van het "visiestuk van de medestanders". Een van de kernvragen was: heeft u de indruk dat medestanders de missionaire inzet van de spiritijnen op hun eigen wijze gestalte geven? Kort samengevat werd daarover het volgende gezegd.

Je moet de spiritijnse inzet in historisch perspectief zien. Vroeger traden wij spiritijnen in bij de congregatie om missionaris te worden, mensen te bekeren en de kerk te stichten. Nu gaat het er om de Geest van Christus te brengen in een na-christelijke  wereld die geseculariseerd en gematerialiseerd is. Maar werken in de Geest van Christus is ons aller spiritualiteit. Wat de medestanders doen is dan ook een voortzetting van de spiritijnse traditie, zij het op een eigen manier. Hun visiestuk verwoordt het als volgt (blz 7): vanuit het motto 'Cor unum et anima una' zetten spiritijnen zich in voor kwetsbare mensen". Medestanders doen dat op hun wijze vanuit een eigen (leken)charisma. 

Bovendien is het zo, dat er altijd verschil zal blijven bestaan tussen de ene generatie en de andere. In de zestiger jaren bestond dit tussen de spiritijnen van vóór en van ná het Vaticaanse Concilie II.

Kortom, de spiritijns missionaire inzet telt vele varianten afhankelijk van het tijdperk, de eigen levensstaat (priester, broeder of leek, celibatair of gehuwd) en het land van herkomst. Maar het gaat er altijd om je dienstbaar te maken.

Niemand kan de Geest monopoliseren. Hij manifesteert zich in vele vormen. Wel moeten we binnen de ene, spiritijnse familie kritisch blijven tegenover elkaar, maar tegelijk ook elkaar blijven vasthouden. 

Na deze bijeenkomst werd de eerste periode van het kapittel afgesloten met een viering. In deze viering werd de nieuwe bundel van de medestanders "Licht dat ons aanstoot " aan alle participanten in het kapittel uitgereikt. 

DE TUSSENPERIODE 

De tijd tussen de eerste en de tweede sessie van het kapittel werd door de formateurs gebruikt om een team samen te stellen van kandidaten voor het nieuwe provinciale bestuur van de Nederlandse provincie van de congregatie van de Heilige Geest. 

 

TWEEDE PERIODE VAN HET KAPITTEL 

van 7 tot 9 juni 2006 

De tweede periode begon op woensdag 7 juni met het rapport van de formateurs. Zij brachten verslag uit van hun pogingen een team van kandidaten voor het nieuwe provinciaal bestuur samen te stellen. 

Het rapport van de formateurs bracht eerst de centrale taken van het nieuwe team in herinnering, zoals die in de loop van de eerste sessie waren vastgesteld.

Deze waren:
-          volgens het spiritijnse charisma leiding geven aan een sterk vergrijzende groep mensen;

-de spiritijnse tegenwoordigheid  in Nederland onderhouden en versterken door speciale projecten, zoals het Missionair Team Eindhoven, het project Rotterdam en het Afrika Museum in Berg en Dal;

-bepaalde huizen (die in Gemert, Weert en Gennep) verder aanpassen aan de woon- en zorgbehoeften van ouder wordende communiteiten en huizen afstoten, die ons doel niet meer dienen

-aangepaste lichamelijke, sociale en geestelijke zorg mogelijk maken voor de medebroeders;

-leken aanstellen in leidinggevende functies van de provincie zonder dat de leden van de congregatie de eindverantwoordelijkheid uit handen geven.  

Vervolgens werd de lijst met persoonlijke kwaliteiten opgesomd, waaraan de leden van het provinciale team verwacht worden te voldoen, kwaliteiten die de leden helpen te groeien naar een goed lopend team. Het gaat om personen,
-   die in staat zijn om zelfstandig beslissingen te nemen en verantwoordelijkheid te dragen,  maar die dit willen doen in nauwe samenwerking met anderen;     

-    die open staan voor de inzichten van anderen en de kunst verstaan hun eigen oordeel aan redelijke inzichten van anderen te toetsen;

-    die oog hebben voor de tekenen van de tijd en deze weten in te passen in de richtlijnen van de kerk en de eisen van het religieuze leven;

-    die kunnen luisteren naar wat er voorbij de woorden bedoeld wordt en die de signalen weten op te vangen van wat er onuitgesproken omgaat in het leven van anderen;

-    die menselijke zwakheden en beschadigingen weten te onderkennen zonder ze direct te veroordelen, maar er constructief mee weten om te gaan;

-    die niet bang zijn als priester-religieus raad te vragen - met behoud van eigen eindverantwoordelijkheid - aan deskundige leken en ook op hoger niveau nauw met hen samen te werken, wanneer het materieel of geestelijk welzijn van de congregatie en haar individuele leden dit vraagt;

-    die aan gebed en spiritualiteit een centrale plaats geven in hun eigen leven en de bereidheid hebben die gerichtheid met anderen  te delen. 

Daarna werd in herinnering geroepen welke structuur voor het provinciaal team tijdens de eerste sessie was gesuggereerd. Het kapittel adviseerde toen de mogelijkheid te onderzoeken om een team samen te stellen van drie spiritijnen, allen met volle en gelijkwaardige autoriteit. Als dit niet lukte, kon men de mogelijkheid van bestuursleden in deeltijd overwegen. Deeltijd-bestuursleden hoeven niet in Gemert te wonen, maar moeten wel deelnemen aan de regelmatige bijeenkomsten en "eilanddagen". 

De geheime, slechts oriënterende stemming tijdens de eerste sessie van het kapittel bracht 30 stembriefjes binnen met ieder drie namen. Een naam kreeg  27 stemmen, een tweede 20, een derde 14 en een vierde 11 stemmen. Andere namen kregen 3 of 2 stemmen of slechts een stem. Het veld van kandidaten werd door deze uitslag weliswaar beperkt voor de formateurs, maar het kapittel had duidelijk gemaakt dat zij zich niet hoefden te beperken tot de confraters met de meeste stemmen. 

In een poging om alle bovenvermelde verlangens in acht te nemen en een brede basis te behouden voor consultatie en beraadslaging, stelden de formateurs een team voor van vier confraters, waarvan er twee fulltime en twee parttime zullen zijn. Alle leden van dit team van vier hebben gelijke autoriteit en verantwoordelijkheid. De leider van het team zal uit de fulltime leden gekozen moeten worden. Hoe de deeltijdfuncties zullen worden ingevuld, zal beslist worden door het bestuursteam zelf. 

Als fulltime leden van het bestuursteam stelden de formateurs voor: Frans Wijnen en Bert van Tol. De keuze van Frans werd mogelijk gemaakt doordat Koos Gordijn bereid was zich bij het Missionair Team Eindhoven te voegen.

Als deeltijdleden van het provinciale team stelden de formateurs voor: Koos Gordijn en Piet Pubben.

De keuze van Koos Gordijn werd mogelijk gemaakt doordat er overeenstemming werd bereikt met het Missionair Team over het parttime lidmaatschap van Koos van dit MTE , dat gecombineerd moet worden met het deeltijd lidmaatschap van het provinciaal bestuur. Dit heeft vooral consequenties voor de taak die Frans Wijnen als pastor tot nu toe vervulde in de Catharinakerk.

De keuze van Piet Pubben  leverde volgens de formateurs  minder moeilijkheden op. Hem wordt gevraagd zijn tegenwoordige activiteiten in en rond Gemert aan te passen en te combineren met een deeltijd functie in het provinciale bestuur. 

Het kapittel  koos vervolgens het door de formateurs voorgestelde nieuwe provinciale bestuursteam: Frans Wijnen en Bert van Tol, beiden fulltime; Koos Gordijn en Piet Pubben, beiden parttime met  24 stemmen voor, 2 tegen en twee blanco. 

HUIZENCOMMISSIE 

De heren Th. Naus en G. v.d. Heuvel stelden vervolgens het kapittel op de hoogte van de stand van zaken rond de toekomst van de huizen van de provincie. Dit is een complexe en nauwelijks planbare materie. Dit geldt zeker voor een religieuze congregatie als de onze, waarin de Voorzienigheid zo'n belangrijke rol heeft gespeeld. Toch wist men te komen tot enkele voorlopige standpunten. Dit was vooral te danken aan de heldere inleiding van Theo Naus, de bijdrage van Gerrit v.d. Heuvel, de geanimeerde groepsdiscussies en de vragen van de kapitteldeelnemers. 

Ons uitgangspunt is nog steeds: het realiseren van goede huisvesting in huizen waar ook goede zorg verleend moet kunnen worden aan medebroeders.

Op dit moment is het beter om ons op de drie locaties (Gennep, Gemert en Weert) te richten:

-        gezien het nog grote aantal medebroeders.

-        vanwege het risico dat we bij een van de locaties onze plannen niet kunnen realiseren.

-        gezien dat Weert waarschijnlijk minder problemen geeft dan Gemert en Gennep.

Gemert als kasteel blijft een moeilijk gebouw. Iedere weg die je kiest zal weerstand oproepen bij gemeente en bewoners. Voor Gemert is het belangrijk een goede totaaloplossing te vinden, die in een keer geregeld wordt. Het provinciaal bestuur zal in een van de wooneenheden komen.

Weert biedt de meeste kans dat nieuwbouw en verbouwing snel gerealiseerd kunnen worden. Er zullen afspraken gemaakt moeten worden, dat wij er gebruik van kunnen blijven maken zolang wij willen.  Bovendien heb je dan aan de locatie een goede bestemming gegeven.

Wat Gennep betreft: door de veranderingen in de wetgeving is de omvang van ons verzorgingshuis niet langer toereikend voor de 24-uurs zorg. De opties zijn dus: uitbreiden door bij te bouwen ofwel uitbreiden door samenwerking te zoeken met andere zorgcentra. Zowel bij de huizencommissie als bij het stichtingsbestuur van Gennep staat het belang van de medebroeders en de mogelijkheid tot de juiste verzorging voorop.

Dan nog de standpunten voor de locaties die in aanmerking komen voor verkoop of verhuur, omdat ze minder geschikt zijn voor aanpassing aan de woon- en zorgbehoeften van  vergrijzende confraters. Dit betreft de huizen in Berg en Dal en Halfweg.

Het huis in Berg en Dal, de "villa", is onverbrekelijk verbonden met het Afrika Museum. De voorkeur gaat dan ook uit dit te zijner tijd te verkopen of te verhuren aan de stichting Afrika Museum. Door de uitbreiding en renovatie van het Afrika Museum is de schuldenlast aanzienlijk geworden. De stichting is daarom op dit moment niet in staat om de villa te kopen of  te huren, maar zou dit graag doen in de nabije toekomst.

Het huis in Halfweg is verkocht, en moet in het najaar  worden opgeleverd.     

Het huis in Eindhoven is, gezien zijn functie, thans geen onderwerp van studie en blijft voorlopig eigendom van de Nederlandse provincie. 

Voorgesteld werd om aan de huizencommissie een  mandaat te geven om in alle vrijheid te handelen onder eindverantwoordelijkheid van het provinciaal bestuur. 

PROPAGANDA 

De eerste dag van de tweede sessie van het kapittel werd besloten met een presentatie van de activiteiten van fondswerving. Deze worden in onze Nederlandse provincie "propaganda" genoemd. Het betreft de Kerstactie met zijn bekende en alom gewaardeerde kalender, de Jozefactie en de Pinksteractie. Elke actie wordt vergezeld met een aangepaste brief. Na elk van de drie acties gaat een bedankfoto uit aan diegenen die geld hebben gestort.

Ineke Eisenburger, die met Ad Tijssen en Jan van Schaijk de propaganda behartigt, leidde de besprekingen in. Zij gaf aan, dat het adressenbestand van de propaganda voortaan niet meer door de zusters uit Heesch beheerd wordt, maar door "Breed", het postorderbedrijf van een sociale werkplaats. Het adressen-bestand loopt langzaam terug en telt nog ongeveer 14.500 adressen. Ad Tijssen gaf aan dat het moeilijk is om bij de drie brieven telkens origineel te zijn. Ook merkt hij weinig belangstelling van de medebroeders, zodat hij zich afvraagt of ze nog wel achter de propaganda staan. Hierop kwamen unaniem positieve reacties, zowel over de acties zelf als over de inzet van Ad, Jan en Ineke. De propaganda is nog steeds de moeite waard, zowel wat betreft het financiële resultaat als de reacties van de aangeschreven mensen. Het is waar dat het werk voor de propaganda nu meer bureauwerk is dan vroeger, en het is dan ook begrijpelijk dat dit minder aantrekkelijk is dan het directe contact met de mensen die ons een goed hart toedragen. Het kapittel sprak zijn waardering uit voor de inzet van Ad, Jan en Ineke en verwachtte een verdere voortzetting van de activiteiten. 


INZET VAN LEKEN 

Piet Meeuws gaf een overzicht van wat er gedaan is sinds het kapittel van 2000, toen het probleem van het gebrek aan personeel voor allerlei functies al uitdrukkelijk aan de orde was.

Er werden door het kapittel van 2000 enkele vragen gesteld bij de mogelijkheid of wenselijkheid van het aanstellen van leken. Het was iets nieuws vooral wat  de bestuursfuncties betrof. Er werd toen gevraagd:

-        Moeten wij niet intensiever zoeken naar invulling van functies binnen onze eigen gelederen?

-        Zijn er misschien taken die spiritijnse zusters of medestanders kunnen en willen uitvoeren?

-        Zijn er onder de uitgetreden medebroeders geen specialisten op allerlei gebied, die ons kunnen helpen?

-        Moet er niet gezocht worden naar een manier om bestuurstaken uit te splitsen, zodat het mogelijk wordt taken die niet direct met besturen te maken hebben, te laten uitvoeren door leken. 

In de groepsgesprekken en daarna in de plenaire discussie kwam een zeker ongeduld naar voren: "Dit lijkt wel een herhaling van eerdere kapittels en uitgebreide provinciale raden." Toch leek de benadering over dit onderwerp  nu wat positiever en minder vrijblijvend dan in vorige jaren. Er werd ook op gewezen dat in allerlei geledingen leken al vele jaren tot ieders tevredenheid met ons zijn gaan samenwerken. 

Uiteindelijk bevestigt het kapittel aan het nieuwe provinciale bestuur het mandaat van het vorige kapittel om "stappen te ondernemen om in het provinciale bestuur leken op te nemen met bijzondere expertise, maar wel onder eindverantwoordelijkheid van het provinciale bestuur."   

HET FINANCIËLE VERSLAG EN DE KASCONTROLE 

Otto v. d. Brink heeft in samenwerking met Theo Naus het financiële verslag gemaakt en het voorgelegd aan de kapittulanten.

Jos de Boer en Jan Woolderink hebben bij de kascontrole alles in orde bevonden en dit in een brief van 29 mei 2006 aan de kapittulanten bericht.

Na enkele vooral informatieve vragen dechargeerde het kapittel  de provinciaal econoom. 

VERHAAL OVER DE P.A.C. 

Charles Eba'a Asse vertelt over zijn provincie van oorsprong, de P.A.C. ( de provincie van Centraal Afrika ). Zelf is Charles afkomstig uit Kameroen. Dit land is een van de vier "regio's" van de P.A.C. Drie andere regio's zijn de R.C.A. (de Centraal-Afrikaanse Republiek), Gabon en Congo-Brazzaville. De P.A.C. heeft vier regionale oversten en een provinciaal. Deze laatste resideert in Douala in Kameroen.

De vier regionale oversten zijn: Nzapalainga Dieudonné in R.C.A., Ossebi Nicaise in Congo-Brazzaville, Daniel Taba in Gabon, en Armand Fessi in Kameroen. 

De P.A.C. is zes jaar geleden ontstaan op ons eerste kapittel te Libreville in Gabon, waar Ferdinand Azegue uit Kameroen werd gekozen tot eerste provinciaal. Na hem kwam Lambert Ndjana en momenteel is het Daniel Mbimi. Tijdens dat eerste kapittel in juni 1999 zijn enkele prioriteiten gesteld, die op het tweede kapittel, in Ngoya bij Yaounde in Kameroen, werden herbevestigd:
-        eerste evangelisering,

-        opvoeding van de jeugd,

-        gezondheidszorg en geestelijke begeleiding,

-        vrede en gerechtigheid, beheersing van conflicten, en interreligieuze dialoog met de Islam en met de traditionele religies. 

Charles gaf nog kort aan hoe de medebroeders in de vier landen vorm proberen te geven aan genoemde prioriteiten en besloot zijn voordracht met deze woorden:

"De namen van alle missionarissen die in centraal Afrika gewerkt hebben blijven voor altijd in onze harten geschreven."

 AANBEVELINGEN VAN HET KAPITTEL

Op vrijdag 9 juni de laatste dag van het kapittel 2006 werden de aanbevelingen die tijdens de kapiteldagen waren geformuleerd, doorgenomen en vastgesteld. 

1.         Het kapittel geeft het bestuur mandaat om stappen te ondernemen om in het provinciale bestuur leken op te nemen met bijzondere expertise, maar wel onder eindverantwoordelijkheid van het provinciaal bestuur. Het blijven adviseurs.

            a.            Er zal altijd eerst gekeken moeten worden naar de medestanders.

            b.            Deze leken mogen vrijwilligers zijn of betaalde krachten.

2.         Het provinciale bestuur organiseert gesprekken in de diverse communiteiten over de inzet van leken in deze gemeenschappen, om te bepalen hoe de richtlijnen van het kapittel in deze per communiteit uitgevoerd moeten  worden.

3.         De projecten Eindhoven en Rotterdam blijven speerpunten van de provincie. Het bestuur moet deze projecten goed blijven begeleiden en daarover communiceren.

4.         Het bestuur moet naar wegen blijven zoeken om de dynamiek van het jubileumjaar voortgang te doen vinden.

5.         Het kapittel beveelt aan om het aanbod van de "talentenlijst" van de medestanders actiever te benutten.

6.            Informatie en communicatie tussen provincie en missionarissen is van belang. Het bestuur wordt gevraagd missionarissen te prikkelen om wat actiever te zijn in het schrijven over hun werk, de nieuwe provincies en stichtingen.

P.B. wordt gevraagd de binnengekomen informatie wat minder beknopt door te geven in de regiobijeenkomsten en werkgroepen.

7.         Het kapittel is van mening dat de drie acties van de propaganda voor veel mensen zoveel betekenen dat ze   gehandhaafd moeten blijven, zolang ze een positief resultaat hebben voor de congregatie.

8.         Het kapittel beveelt aan de communicatie over  het Afrika Museum te bevorderen. 

Het kapittel werd afgesloten met een viering, waarin het nieuwe bestuur voorging.

 

                                                                        Paul Cuijpers.