Libermannherdenking, Poullart de Places door Fr. Timmermans,Claude François Poullart des Places door Cornelis van der Poel, CSSp

Studiedag 09-02-09  
Claude François Poullart des Places

De stuwkracht in zijn leven

Motivatie-Spiritualiteit-Charisma

 

Inleiding

Het leven van Poullart des Places is erg kort geweest.  In totaal dertig jaar en ruim zeven maanden. Gedurende die tijd heeft hij geen wetenschappelijke werken geschreven, hij voerde geen uitgebreide correspondentie waarin geestelijke diepten of geleerde theorieën aan andere mensen werden door gegeven. Zijn geschriften zijn uiterst beperkt: Enige retraite aantekeningen, reflecties over het maken van een keuze voor een levensstaat, fragmenten van een persoonlijke leefregel, een reglement voor zijn seminarie en enige reflecties over het verleden. Alles bij elkaar nauwelijks 100 bladzijden  van A4 formaat.

Hij heeft geen grote en belangrijke organisaties opgericht die de bewondering van de wereld opriepen of die de structuur van Kerk of maatschappij veranderden. Hij was een man die bekend en bemind was in slechts een kleine en beperkte groep mensen, maar toch heeft zijn geestelijke en missionaire stuwkracht een wereldwijde beweging op gang gebracht die zelfs nu, na driehonderd jaar, nog levend en actief is.

Nadenkend over een leven dat zo onbeduidend leek, maar toch zo verreikend is, komt onwillekeurig de vraag naar voren: wat bezielde die man, wat was zijn motivatie, welke gedachtegang gaf richting aan zijn leven, door welk charisma droeg hij bij aan het leven van de kerk?  Eenvoudige vragen die echter wel wat moeilijk te beantwoorden zijn. In deze overweging waag ik een poging zijn bezieling enigszins te begrijpen en zo mogelijk te beschrijven.

Biografische gegevens zijn vanzelfsprekend onontbeerlijk als we een persoon willen begrijpen, maar deze gegevens zijn niet het doel van mijn reflecties. Mijn focus ligt op wat er schuil ging achter de eenvoud van zijn gedrag  en wat de voedingsbron was voor zijn activiteiten. Drie begrippen vermengen zich hier tot een onafscheidelijke eenheid.

Deze drie begrippen, motivatie, spiritualiteit en charisma zijn niet synoniem maar vormen niettemin zulk een onontwarbare eenheid dat we de één niet kunnen begrijpen zonder de anderen. Toch moeten we proberen elk afzonderlijk element duidelijk te verstaan om het geheel te kunnen over zien. Laten we eerst proberen de innerlijke verbondenheid van de drie begrippen te begrijpen. 

God werkt niet in een vacuüm of in het abstracte. Het creatieve dat in de wereld plaatsvindt wordt kenbaar en waarneembaar in menselijk begrip en verhoudingen, maar het stijgt daar ook bovenuit. Van de andere kant, het constructieve en creatieve dat door menselijke activiteit tot stand komt, kan niet uitsluitend  worden toegeschreven aan menselijke planning. Voor de gelovige mens is er altijd de samensmelting van het goddelijke en het geschapene.

Menselijke gesteldheid en toewijding zijn onontbeerlijk in elke menselijke activiteit. Deze gesteldheid en toewijding noem ik de motivatie omdat dit zijn oorsprong vindt in de mens als mens in zijn natuurlijke geschapen conditie. Zodra de mens echter aandacht schenkt aan de diepere betekenis van het leven en dit leven richt op een perspectief voorbij het waarneembare, dan  bereiken  we het terrein van het geestelijke. De mens is méér dan lichaam en wordt geleid door en is gericht op een waarde die boven het waarneembare uitgaat, maar een waarde die toch de centrale kracht betekent van alle menselijk handelen. Deze conditie die tegelijkertijd menselijk en bovenmenselijk is noem ik spiritualiteit. Dit is niet synoniem met motivatie maar het is wel het richtinggevend en vormgevende element dat de menselijke activiteit tot één geheel maakt. De combinatie van motivatie en spiritualiteit heeft dikwijls een doelgerichtheid waarin menselijke situaties gevuld worden van goddelijke tegenwoordigheid of, anders gezegd, waarin goddelijke leiding en liefde worden uitgedrukt in menselijk handelen. Dit samenvloeien van menselijke en goddelijke doelgerichtheid noem ik charisma. Dit is dan in de diepste zin van het woord de samensmelting van een goddelijke oproep en menselijke inzet voor een speciaal doel in de Kerk of in de gemeenschap.

Wat was nu in het leven van Claude François Poullart des Places deze combinatie van krachten die aan zijn korte leven een eindeloze stuwkracht gaf? 

Motivatie

Het begrip motivatie kan omschreven worden als “Het geheel van factoren waardoor het menselijk gedrag gericht en gestimuleerd wordt.1 Motivatie is niet een bepaalde, losstaande karaktertrek, maar een reflectie van de hele persoonlijkheid  met al zijn verschillende kwaliteiten. Het is de combinatie van aangeboren eigenschappen, invloeden van jeugd, van familie, van omgeving, van opvoeding en van de mogelijkheden die het leven biedt. Met dit in gedachten wil ik in het kort kijken naar het leven van Poullart des Places.  

Claude François was het eerste kind en de enige zoon in een zeer welgestelde familie, nauw verbonden met vroegere adel.2 Het was ook een zeer godsdienstige familie verwant aan hogere kerkelijke autoriteiten. De vader was als advocaat verbonden aan het parlement van Bretagne te Rennes en een gerespecteerd zakenman.3 Het herstel van de oude adellijke titel was een onderdeel van hun dromen.4 De geboorte van een zoon was een godsgeschenk.5 De oude adel kon nu weer worden hersteld. Door de naamgeving werd het kind verbonden met de adellijke afstamming, in het doopsel werd een speciaal verband gelegd met gerespecteerde autoriteiten.6 Het kind werd vanaf zijn geboorte toegewijd aan de H. Maagd en haar ter ere werd hij tot aan zijn zevende jaar in het wit gekleed.7 Op de verbazend jonge leeftijd van acht jaar werd hij als dagstudent ingeschreven aan het Jezuïeten college in Rennes. Onder begeleiding van een mentor behaalde hij uitzonderlijk goede resultaten, zodat hij op 12 jarige leeftijd zijn academische studies voltooid had.  

De Jezuïeten hadden niet alleen hoge academische standaards, zij boden ook een zeer godsdienstige ontwikkeling aan. Claude François beantwoordde hieraan op zijn eigen manier. Met enkele vrienden organiseerde hij een soort godsdienstig gericht groepje dat regelmatig samenkwam voor gebed en religieuze praktijken.8 Hij deed dit buiten weten van ouders of mentor. Het was zijn werk, zijn geheim. Het geheim werd echter spoedig ontdekt en, ofschoon met pijn, liet hij toch dit initiatief los in gehoorzaamheid aan zijn leiders.9 Dit kleine incident laat echter een interessante combinatie zien van persoonlijke onafhankelijkheid, van samenwerking met anderen en van een religieuze gezindheid die niet louter persoonlijk was.

In deze korte opsomming zien we hoe diverse invloeden in zijn jonge leven bij elkaar komen. Het is niet ongewoon dat onderliggende stromingen in de persoonlijkheid van ouders en omgeving in een soort gevoelsoverdracht onbewust en zonder woorden worden doorgegeven aan kinderen en zo een drijfveer worden voor hun streven en activiteit. Het lijkt mij dat in de ouders de ambitie voor wereldlijke grootheid en een diep godsdienstige gevoeligheid een eenheid werden die kracht en richting gaf aan hun leven en zo ook een invloed uitoefende op het streven en op de persoonlijkheid van Claude François.

Claude  had een scherp verstand en daarbij een scherp observatie vermogen. Het feit dat hij op 8 jarige leeftijd zijn academische studie kon beginnen aan het Jezuïeten college in Rennes wijst in die richting en de resultaten bevestigden dat de ouders een correcte keuze gemaakt hadden. De gewoonte dat leerlingen uit welgestelde families onder toezicht stonden van een mentor kan hebben bijgedragen aan zijn studie ijver, maar dat vermindert niet de persoonlijke toeleg en toewijding van Claude zelf. Aanleg en doelgerichtheid waren hem als het ware aangeboren. Hij hield er van persoonlijk initiatief te nemen ofschoon hij zich liet inspireren door wat hij zag. Pierre Thomas vertelt ons hoe één van zijn geliefkoosde spelen was het bouwen van kapelletjes en altaartjes en het nabootsen van ceremonies die hij in de kerk gezien had.10 Als zijn huisgenoten het spel moe werden hield hij er mee op om er toch later weer mee terug komen. Claude kon zich wel aanpassen, maar hij kon niet opgeven.

Het regiem van de school en de gelegenheid tot godsdienstige ontwikkeling werkten er aan mee om deze “bijna aangeboren” neiging nog verder te voeden. Dit openbaarde zich in de bovenvermelde poging om met enkele vriendjes een soort religieuze groep te beginnen voor gebed, versterving en naastenliefde. Hij wilde dit geheim houden voor ouders en mentors. Hij wilde onafhankelijk te werk gaan. Het was, als het ware, “zijn” werk. Hij moest er me ophouden. Hij gehoorzaamde, maar dat was voor hem, zoals hij later vertelde, een zeer zwaar offer.11

Eén van de opvallende trekken van zijn persoonlijkheid was zijn neiging naar (misschien behoefte aan?) orde en discipline. Van jongs af aan moest hij daarmee leren leven onder het wakend oog van ouders en mentors. We zien deze noodzaak later door schemeren in zijn persoonlijke leefregel waarin tijd en duur van gebed nauwkeurig worden vastgesteld.12 Het morgengebed zal niet langer duren dan een kwartier. Er moet tijd overblijven voor meditatie. Een lang gebed van toewijding aan de H. Drie-eenheid vat hij samen in één paragraaf die alles zegt maar waardoor hij ook tijd wint. Een soortgelijke mentaliteit is ook duidelijk zichtbaar in de regels die hij opstelde voor de communiteit van het seminarie van de H. Geest.13  Planning en tijdsbesteding  waren nauwkeurig bepaald.   

Volgens onze tegenwoordige begrippen was hij veel te gedetailleerd, maar het tekent wel een persoonlijkheid die op elk moment van de dag arbeid en Godverbondenheid tot een eenheid trachtte te maken. Hij leefde in en cultuur van 300 jaar geleden waarin persoonlijkheid en communiteit in heel andere verhoudingen stonden dan tegenwoordig. Deze details zijn minder belangrijk. Het voornaamste punt voor ons is dat we de onderliggende stuwkracht van zijn leven verstaan, namelijk, een persoonlijkheid waarin toewijding en verbondenheid met God een onafscheidelijke eenheid vormen. We zien dat in hem de beleving van zulke persoonlijkheid kwaliteiten als “zelfvertrouwen”, hij wist wat hij deed en wat hij wilde, hij  kon zich zelf aanvaarden met zijn goede en minder goede eigenschappen, we zien een “fijngevoeligheid” de wensen en noden van anderen waren belangrijk voor hem en telde mee in de beslissingen die hij nam,  hij had “toewijding”, hij legde zich met hart en ziel toe op wat hij moest doen, deze drie kwaliteiten namen de leiding van zijn leven over. Het zijn ook juist deze eigenschappen die de mens openstellen voor Gods genade en door diezelfde genade tot de hoogste bloei komen.14  Relatie met God en persoonlijke inzet worden dan één princiep van menselijke ontwikkeling. Dit brengt ons bij ons tweede perspectief, spiritualiteit. 

Spiritualiteit

Onder spiritualiteit versta ik het geheel van (geestelijke) beweegredenen die richting en vorm geven aan het dagelijks leven en uiteindelijk daardoor alle activiteiten kleuren. Geestelijke of religieuze waarden zijn vanaf de vroegste levensfase een onderdeel geweest van het leven van Claude François. Bij zijn geboorte werd hij toegewijd aan de H. Maagd. Tot aan zijn zevende jaar droeg hij witte kleren ter ere van Maria. Al was het toen nog niet bij persoonlijke keuze, toewijding en godsdienstige motieven speelden zelfs in het allereerste begin van zijn leven een belangrijke rol. Deze godsdienstige motivering had ook een grote invloed op de verhouding tussen ouders en kind. Pierre Thomas vertelt heel uitdrukkelijk “Zijn ouders waren zeer bezorgd om hem godsdienstigheid bij te brengen vanaf zijn prille jeugd en ze lieten niets na om hem een goede en christelijke opvoeding te geven.”15  Het was dan niet verwonderlijk dat zijn leven gekenmerkt werd door een combinatie waarin sociale/ wetenschappelijke ontwikkeling en religieuze waarden in elkaar vloeiden. Een vroeg resultaat daarvan zien we in zijn eerste periode aan de academie bij de Jezuïeten, toen hij met enkele vriendjes een groepje organiseerde dat behalve gebed ook (lichamelijke) verstervingen en goede werken insloot. Hij vond ook een plaats waar ze bijeen konden komen. Het was voor hem een pijnlijke slag dat zijn mentor deze onderneming ontdekte en verhinderde.16  

Zulke religiositeit is te begrijpen als we bedenken dat hij in die tijd nog heel sterk onder toezicht stond van ouders en mentor. Later, tijdens zijn verblijf in Caen, gedurende zijn tweede periode in Rennes was zijn gedrag meer bij vrije keuze maar het bleef toch zeer religieus georiënteerd. Hij wilde zelfs theologie gaan studeren aan de Sorbonne. Zijn ouders overtuigden hem dat een studie in de rechten altijd nuttig zou zijn ook als hij priester werd. Claude vertrok naar Nantes. Gedurende zijn studietijd in Nantes, was hij nog meer aan zichzelf overgelaten en dit leidde tot meer betrokkenheid bij het studenten leven en bij studenten activiteiten, maar de neiging om geestelijke waarden een plaats te geven in zijn leven bleef bestaan.

Gedurende deze tijd in Nantes was zijn levensstijl anders dan wat het geweest was. Hij gebruikte zijn geld en talenten en maakte zelfs schulden die hij zorgvuldig voor zijn ouders verborgen wilde houden. Zonder in extremen te vallen was zijn aandacht veel meer op de “wereld” gericht, zoals verwacht kon worden van een rijke jongeman met uitstekende sociale kwaliteiten en manieren. Hij genoot er van het middelpunt te zijn van de belangstelling. Hoe plezierig dit leven ook mocht zijn, het gaf hem geen inwendige vrede.

Door zijn studie in de rechten voldeed hij aan het verlangen van zijn ouders en schoof hij zijn eigen wens om priester te worden voorlopig naar de achtergrond. De verlangens en de hoop van de ouders werden opnieuw duidelijk in het feit dat zijn moeder een dure magistraten toga voor hem had aangeschaft toen hij zijn studie in de rechten beëindigd had.17 De innerlijke strijd laaide echter hoog op toen hij zichzelf in toga in de spiegel bekeek. Het contrast tussen wat hij voelde als roeping en wat hij zag in de spiegel eindigde in het bekend incident dat hij zich voornam die toga nooit meer te dragen.                                                                          

Na de voltooiing van zijn studies in de rechten in Nantes heeft hij zich nog ongeveer een jaar bekwaamd in de zaken van zijn vader. Weinig is daarover bekend, maar dat hij zich er niet met hart en ziel aan gaf blijkt uit het feit dat hij na dat jaar een serieuze retraite ging maken waarin hij minutieus elke beweging van zijn hart en van zijn verstand in een dialoog tegen elkaar afwoog. Hij erkende de aantrekkingskracht van eervolle posities en kon logisch beredeneren dat hij ook daar veel goed zou kunnen doen, maar hij zag ook in dat zijn neiging tot laksheid en gemakzucht waarschijnlijk de over hand zouden kunnen krijgen. Hij was in een ernstige inwendige tweestrijd gewikkeld.

Zijn notities  van deze retraite zijn de enige plaats waar we zijn  innerlijke gevoelens, twijfels en beslissingen in enig detail kunnen lezen. Wanneer we er in slagen om door de taal, de woordkeuze, stijl en vroomheids vormen van die tijd heen te worstelen, vinden we geen wonderbaarlijke gebeurtenissen of ongekende  genaden gaven, maar een jongeman die zich bewust is van zijn vele natuurlijke talenten, neigingen, hebbelijkheden en onhebbelijkheden, maar die zich ook door God geroepen wist tot taken die direct verbonden waren met godsdienst en Kerk. Met bijna chirurgische nauwkeurigheid ontleedt hij die neigingen. Hij neemt aan wat goed is en verwerpt wat misleidend kan zijn. Hij erkent dat veel mensen zulke strevingen niet als zondig zouden beschouwen,18 voor hem persoonlijk waren ze echter onaanvaardbaar.19  Deze notities geven het beeld van een jongeman die overtuigd is van de opdracht om zijn talenten te ontwikkelen maar dan zo dat Gods liefde en goedheid daardoor zouden uitstralen in de wereld. Bewust van zijn gaven en roeping laat hij toch zijn uiteindelijke beslissing over aan zijn geestelijke leidsman, niet uit persoonlijke besluiteloosheid, maar om zelfs de mogelijkheid van zelfverheffing en eigenliefde uit te sluiten.20  Uit deze levenshouding spreekt de wil om zich totaal met al zijn talenten in te zetten voor de eer van God. 

Toch kunnen we niet zeggen dat deze volledige overgave de diepste gronden openlegt van zijn spiritualiteit. De doelgerichtheid van zijn overgave is in dat stadium nog te vaag. De volle klaarheid daarvan zien we pas als hij zichzelf in 1703 met een kleine groep arme seminaristen toewijdt aan de H. Geest en aan het Onbevlekt Hart van Maria. Om dit ontwikkelingsproces enigszins te kunnen begrijpen moeten we met hem meegaan naar het Groot Seminarie van de Jezuïeten, Louis-le-Grand, in Parijs.

Dit seminarie was een soort tegenhanger van de Sorbonne. Het kon geen academische graden toekennen maar was wel bekend om zijn solide theologie die eenheid zocht met Rome terwijl de Sorbonne tamelijk sterk beïnvloed was door het Jansenisme. Zijn vriend Grignion de Monfort studeerde ook aan dat seminarie. In hoeverre Grignions aanwezigheid een beweegreden was voor Claude om daar te studeren is onbekend. Zelfs over hun vriendschap op het seminarie bestaan weinig of geen details. Toch is deze seminarie tijd voor Claude bepalend geweest voor zijn geestelijke doelgerichtheid en charisma.

Op de colleges en hogere scholen die door de Jezuïeten geleid werden bestond een geheime associatie genaamd Assemblée des Amis (afgekort als L’Aa) dat gericht was op geestelijke vorming. Het had zijn eigen regels voor bijeenkomsten, gebed, versterving, aalmoezen, zorg voor de armen/zieken, catechismus onderricht, en dergelijke. In de regels van de Assemblée wordt het doel onder andere als volgt beschreven: “….we zijn een groep mensen die verbonden zijn in liefde en wederzijdse bezorgdheid. Dit ligt aan het hart van onze vereniging, we zien dit als de ziel van de Aa, zoekend naar alle mogelijke manieren om als de eerste christenen één hart te zijn en één ziel.”21  Kortom, het was heel sterk godsdienstig en apostolisch georiënteerd.22

De Assemblée zoals die op verschillende colleges en seminaries bestonden, werkten zelfstandig en onafhankelijk van elkaar ofschoon er wel onderling jaarlijkse rapporten uitgewisseld werden, vooral naar het centraal bestuur. Naam en identiteit van leden waren alleen bekend aan de medeleden van de groep zelf, niet aan andere groepen. Er bestond geen algemene ledenlijst. Lidmaatschap was niet vanzelf sprekend. Niemand kon solliciteren om lid te worden, maar de leden waren alert voor gedrag, toewijding, vroomheid, enz. van andere studenten en, na onderling overleg, werd een prospectief kandidaat benaderden met het verzoek toe te treden. Na een voorbereiding en officiële installatie werd zo’n persoon volledig lid van de Assemblée.23 Nader onderzoek wijst uit dat Poullart des Places lid was van de Assemblée in Louis-le-Grand.24

Dit lidmaatschap was voor Claude een serieuze zaak. Het handboek van de Assemblée 25 was de bron voor geestelijk leven. Opvallend en interessant is de overeenkomst tussen zijn eigen retraite voornemens en de regels van de Assemblée. Wat hij zich had voor genomen in zijn “bekeringsretraite” werd versterkt door het programma van gebeden en toewijding van de Assemblée. Claude was in vele zaken strenger dan het handboek zelf en alleen op bevel van zijn geestelijke leidsman verminderde hij zijn praktijken van vasten en boete.26  Zelf had hij zich in zijn retraite al voorgenomen zijn kamer niet in of uit te gaan zonder zich in Gods tegenwoordigheid te stellen door een kort gebed tot de H. Drie-eenheid. Dit paste precies in de regels van het handboek. Wanneer het maar enigszins mogelijk was bracht hij enige tijd door voor het H. Sacrament en hij had de gewoonte enkele malen per week de Communie te ontvangen.

We moeten echter voorzichtig zijn dat we zijn spiritualiteit niet gelijk stellen met zijn gebedsleven. De geestelijke intensiteit van zijn bestaan omvatte ook zijn activiteiten. Studie ijver, maar vooral ook zijn bezorgdheid voor de armen die altijd een deel geweest was van zijn persoonlijkheid, werd nu op een speciale manier deel van zijn geestelijk leven. Wat hij van zijn jeugd af aan had geleerd en wat hij zich had voorgenomen in de retraite werd nu het charisma van zijn leven: de algehele toewijding van zijn talenten en bezittingen voor de opleiding van arme studenten tot een priesterschap dat zich durfde inzetten voor de moeilijkste en minst gewenste taken in de Kerk. Hij wilde Gods liefde brengen naar de meest onbereikbare personen en plaatsen. Dit brengt ons tot het derde punt, zijn charisma.

Charisma  

Charisma, in de betekenis waarin het hier wordt gebruikt, sluit in het  activeren van menselijke talenten en capaciteiten voor een bijzonder doel dat godsdienstig en maatschappelijk bijdraagt aan de ontwikkeling van de gemeenschap. Charisma is, als het ware, het samensmelten van Gods genade en menselijke activiteit voor de eer van God en voor het goed van de menselijke samenleving.

De persoonlijkheid van Poullart des Places werd gekenmerkt door een toewijding van zijn talenten en kwaliteiten voor het goed van de gemeenschap. Zijn geestelijke oriëntatie was een totale Godgerichtheid. Deze Godgerichtheid werd gespecificeerd tot een doelgerichtheid waarbij hij talentvolle maar arme jongemannen wilde opleiden tot priesters die bereid waren de moeilijkste en minst gewenste taken in de kerk aan te nemen en zich daaraan met hart en ziel te geven.

Zijn vrijgevigheid aan zijn studenten bestond niet hoofdzakelijk in het voorzien in studiekosten en onderhoud, maar in het creëren van een levensstijl waarin genade en menselijk talent één onverdeelde bron werden van ministerie en toewijding. Daarom wilde hij voor zijn studenten geen theologische opleiding aan de Sorbonne die bijna noodzakelijk zou leiden naar ereposten en rijke beneficiën. Aan dat soort priesters had de Kerk in die tijd geen gebrek. Hij wilde echter wel de best mogelijke theologische vorming zonder vooruitzichten op rijkdom en zonder invloed van het Jansenisme.

Niet alleen werden de meeste cursussen gevolgd aan het seminarie van de Jezuïeten, ook hun persoonlijkheid en geestelijke vorming was sterk beïnvloed door zijn eigen vorming aan Louis-le-Grand.  Zijn lidmaatschap  in de Assemblée des Amis was een perfecte gelegenheid om zijn eigen mentaliteit, zoals hij die beschreven had in zijn retraite notities “Overwegingen over godsdienstige waarheden”, vorm te geven, te verdiepen en uit te breiden.

Het fundament van een leven volgens L’Aa, was een diepe devotie tot de H. Geest en tot het Onbevlekt Hart van Maria.27 Gebaseerd op deze tweevoudige toewijding waren er regels voor gedrag, tijdsbesteding, versterving, bijstand aan hulpbehoevenden, enz.  Het is in een zekere zin verwonderlijk dat hij zijn seminarie toewijdde aan de H. Geest want eerder in zijn leven, in zijn retraites and retraite notities wordt de devotie tot de H. Geest amper of niet genoemd. Hij sprak in tegendeel wel dikwijls over de plaats van de H. Maagd in zijn leven. Toch werd de devotie tot de H. Geest een centraal punt in zijn stichting en reglement. Het lijkt niet onwaarschijnlijk om hierin de invloed te zien van de Assemblée des Amis dat zijn leven begon te beheersen.28 De hele levensstijl was geheel doordrongen van godsdienstigheid en apostolische gerichtheid. Dit is duidelijk terug te lezen in de eerste fundamentele regel die hij schreef voor zijn seminaristen. “Alle studenten moeten een diepe devotie hebben tot de H. Geest aan wie zij op een speciale manier zijn toegewijd. Zij zullen ook een bijzondere devotie hebben tot de H. Maagd onder wier bescherming zij zich aan de H. Geest hebben aangeboden.” 29 Deze vorm van algehele toewijding was niet alleen een weerspiegeling van zijn persoonlijke devotie maar het was ook zijn levensstijl en hij beleefde dit met zijn studenten en voor zijn seminarie. Toen het aantal studenten toenam en de verantwoordelijkheid voor hun vorming (te samen met zijn eigen studies) te veel werd voor hem alleen, vormde hij met anderen (zoals Michel-Vincent Le Barbier,30  Ms. Caris en later Ms. Garnier en Louis Bouïc) een gemeenschap die een basis kon vormen voor een wettelijk en kerkelijk bestaansrecht.

Een seminarie bestaat niet op zichzelf en kan op eigen autoriteit geen kandidaten voordragen voor wijdingen. Priesters moeten voor hun wijding een bestaansbasis hebben door een beneficie, door een bisdom of door een religieuze communiteit. Het aartsbisdom van Parijs, onder Kardinaal de Noailles, erkende het seminarie van de H. Geest geleid door Poullart des Places, ofschoon hij liever gezien had dat de studenten cursussen gevolgd hadden op het diocesaan seminarie in plaats van bij de Jezuïeten. Zijn persoonlijk respect voor Poullart des Places en diens bedoelingen moeten hierbij een belangrijke rol gespeeld hebben zoals later (in 1726) bleek uit zijn antwoord aan de Jansenisten die probeerden het seminarie van alle kanten te belagen. Hij antwoordde ”zolang het inderdaad bijdraagt aan de eer van God, zal ik zijn werk nooit in de weg staan.31 Hetzelfde antwoord werd door hem diverse malen herhaald als de Jansenisten bleven proberen het seminarie van de H. Geest op te heffen.

Het is altijd moeilijk om een bepaald charisma te beschrijven. Charisma zijn nu eenmaal te nauw verbonden aan het drievoudig perspectief van persoonlijkheid, genade en doelstelling. Het charisma van Poullart des Places is geen uitzondering. Toch kunnen we er twee specifieke karakteristieken in onderscheiden, die echter sterk in elkaar overvloeien, namelijk, een apostolische gerichtheid die gespecificeerd werd  door een mystiek van de armoede.32 

Die apostolische gerichtheid had hij al eerder verwoordt in zijn retraite aantekeningen waarin hij zegt: “Ik zal U bekend maken aan mensen die U niet meer kennen. Persoonlijk diep bewust van de wanorde in een ziel die slechte gewoonten aan genomen heeft, wil ik er bij hen op aandringen, hen overtuigen en voortstuwen hun leven te veranderen zodat gij in eeuwigheid geprezen zult worden door mensen die U anders in eeuwigheid vervloekt zouden hebben.33 Dit apostolisch plan zal hij later gaan uitvoeren door als het ware zijn eigen stem en vurigheid te verveelvoudigen in de opleiding van arme studenten tot priesters die anders hun stem niet hadden kunnen laten horen maar nu zouden spreken op plaatsen die gewoonlijk buiten de route vielen van apostolische werkers. Hij zag de armoede als de meest menselijk uitdrukking van totale afhankelijkheid en daarom is het ook de plaats waar Gods scheppende en verlossende liefde voor de mensheid het duidelijkst zichtbaar kon worden. Die armoede kon elke vorm aannemen van sociale verwerping, fysieke noden, psychische of emotionele pijn of spirituele vervlakking. Zijn priesters moesten bereid zijn voor alle mogelijke functies en we vinden hen dan ook in religieuze communiteiten, in locale bisdommen, in de missiegebieden in het verre oosten, als leraren  en directeuren op seminaries in Frankrijk, Canada en elders.34 

Bij de eerste indruk lijkt het vreemd dat Poullart des Places ondanks zijn sterke missionaire inslag schijnbaar geen georganiseerde missie congregatie gesticht heeft doch alleen maar een seminarie voor de opleiding van arme studenten tot priesters die waar ook ter wereld konden gaan werken. Of hij dit opzettelijk zo bedoeld heeft is moeilijk te zeggen. Hij wilde priesters opleiden die bekwaam en bereid zouden zijn voor elke taak in de Kerk en bij voorkeur op moeilijkste plaatsen. Hij wilde ruimte, toewijding en vrijheid in omstandigheden waarin de persoonlijkheid van de priesters zich het meest effectief kon ontwikkelen in de dienst van de Kerk.

Misschien was er toch ook nog een andere reden, namelijk, de burgerlijke wetgeving. Hij leefde in een tijd waarin in de Franse regering antiklerikalisme hoogtij vierde. Een decreet, uitgevaardigd door Louis XIV in 1666 verbood de stichting van elke nieuwe religieuze communiteit. In verband daarmee konden geen nieuwe seminaries of communiteiten worden opgericht maar seminaries konden alleen maar direct van de bisschop afhangen. Ze konden geen wettelijke identiteit krijgen en kregen ook geen officiële kerkelijke goedkeuring. Claude kon wel  een verblijfplaats hebben waar arme studenten samenwoonden en elders theologie studeerden. Onder deze termen kon hij wel met vrienden (andere leraren) een soort wettelijke erkende stichting vormen met onafhankelijk bestaansrecht, terwijl tegelijkertijd de aartsbisschop van Parijs zijn goedkeuring gaf dat dit een vormingshuis zou zijn voor arme studenten.35

Het  charisma van Poullart des Places moet daarom in de eerste plaats niet gezocht worden in de stichting van een religieuze communiteit zoals we dat gewoonlijk verstaan, maar in zijn totale overgave aan de inwendige roepstem van God om missionarissen op te leiden die geen eer of rijkdom zochten maar die bereid waren zich geheel te geven aan de

evangelisatie op plaatsen en tussen mensen die anders Gods woord niet zouden horen en die deze taak zouden vervullen in eenheid met en gehoorzaamheid aan de Kerk. Toen zo’n twintig jaar na de dood van Claude François de directeuren van het seminarie de regels en constituties van het seminarie ter goedkering voorlegden aan de regering en aan de aartsbisschop (van Parijs) kopieerden ze eenvoudig de intentie die de stichter in zijn regels had uitgedrukt: “Het instituut heeft als doel de opvoeding van armen klerikale studenten die tot alles bereid zijn: helpen in ziekenhuizen, armen en zelfs heidenen te evangeliseren, de nederigste en zwaarste posities waarvoor moeilijk mensen te vinden zijn, niet alleen aannemen maar daar zelfs voorkeur aan te geven boven andere taken.36 Gebaseerd op deze doelstelling verkreeg het seminarie in 1734 officieel het wettelijk recht om legaties aan de nemen, en verkreeg het ook  een officiële kerkelijke erkenning van het aartsbisdom. Deze officiële erkenningen waren niet op de eerste plaats een aanname van de organisatie door de stichter maar van zijn spiritualiteit die in een organisatie gestabiliseerd werd. Decennia later is dezelfde spiritualiteit terug te vonden in een document, bewaard in de archieven van het seminarie van Quebec: “Zij (de heren opgevoed in de geest van de L’Aa) laten bijna overal duidelijke bewijzen na van hun vroomheid en naastenliefde: men hoeft maar binnen te gaan in ziekenhuizen, af te dalen in gevangenissen, rond te kijken in de huizen van armen en verdrukten, de velden in te gaan, door de provincies te reizen, naar de overkant van de oceaan vertrekken, om overal verbaasd te staan over de wonderen van een nooit aflatende toewijding.37

 Nadenkend over het charisma van Poullart des Places komen onwillekeurig de gedachten van Psalm 119 in mijn geheugen: “Kostbaarder dan goud of zilver, Heer, is de levensweg die Gij ons aantoont.38

Deze speciale geest van toewijding doordrong zijn leven en zijn boodschap zo volledig dat het “Seminarie van de H. Geest” decennia later nog bekend stond als één van de meest betrouwbare plaatsen voor de opleiding van toegewijde en effectieve missionarissen.

Conclusie

Wat hier in deze bladzijden wordt aangeboden is uiterst beperkt en oppervlakkig maar misschien kan het een hulp zijn om dieper door te dringen in de ongelofelijke geestelijke rijkdom van een man die zo kort geleefd heeft maar die toch in de Kerk een beweging in het leven geroepen heeft die nu na 300 jaar nog op volle toeren bijdraagt aan de verwezenlijking van de boodschap en de missie van Jezus. Wat Claude Poullart des Places ons nagelaten heeft is niet, in hoofdzaak, een organisatie. Hij schreef een reglement voor zijn seminarie dat in alle opzichten een onderdeel zou kunnen zijn van de  regel voor een strenge religieuze communiteit, maar het was een regel die zijn vervulling alleen vond in een onvoorwaardelijke toewijding aan het missionaire ideaal van Jezus zelf. Claude François staat voor ons als een man die onder de stuwkracht van de H. Geest zich zelf totaal inzette in een geest van liefde en dienstbaarheid om de roepstem van God te laten horen tot in de verste hoeken van de wereld.

Laat dit jaar van Claude François Poullart des Places niet eenvoudig een herinnering zijn aan zijn leven maar een voorzetting en verdieping van zijn geestelijke tegenwoordigheid in het tot leven brengen van de roeping van de mensheid. Een mensheid dat geschapen is naar het beeld van God om door het volle gebruik van talenten waarin mens en genade één krachtsbron vormen in de apostolische en heiligende taak van de Kerk. Als we in die geest leven dragen we zijn charisma weer uit en dragen we bij aan een antwoord op de secularisatie, individualisatie en vervlakking van het tegenwoordige christendom.

Claude François Poullart des Places heeft, misschien speciaal voor onze tijd, een belangrijke boodschap.

Cornelis van der Poel, CSSp

1. De Grote van Dale onder motivatie. Zie ook Encyclopedia Encarta onder motivation.
2
. Joseph Michel, Le chemin de Poullart des Places. Mémoire Spiritaine, No 16, p. 44.
3
. Henry Koren, The Spiritual Writings of Father Claude François Poullart des Places, Duquesne University, 
   
1959. p.17.
4
. Joseph Michel, Op. Cit. P.44.
5
. Mémoir of Father Thomas, geciteerd door Fr. Henry Koren, Op. Cit. p. 229. [De references naar Fr. Thomas 

   
of  naar Fr. Besnard  zal ik nemen uit Koren’s werk zoals aangehaald in endnoot 3]
6
. Henry Le Floch, Claude François Poullart des Places, Séminaire Français, Rome, 1906, p. 19.
7
. Mémoir of Father Thomas, geciteerd door Fr. Henry Koren, Op. Cit. p. 229 
8
. Mémoir of Father Thomas, op.cit. p. 231. Of deze gebedsgroep een origineel idee was van Claude of dat het
   
misschien verband hield  met een bestaande Assemblée des amis groep op het college is geschiedkundig op 
    dit ogenblik niet met zekerheid te zeggen. Vergelijk: Joseph Michel: L’influence de L’Aa. Pp. 20-29.

   
 
Zijn betrokkenheid,  de geheimhouding van zijn lidmaatschap en zijn teleurstelling over het  onderbreken ervan         kunnen wel met zekerheid worden aan genomen.
9
. Mémoir of Father Thomas, op.cit, p. 231
10
. Mémoir of  Father Thomas, op. cit. p.229
11
. Mémoir of Father Thomas, op. cit. p. 231
12
.  Mémoir of Father Thomas, op.cit, p. 117-119
13
. Mémoir of Father Thomas, op.cit. pp.159-221
14
.  De wederzijdse inwerking tussen persoonlijkheid en genade is uitvoeriger uitgewerkt in mijn “Ministry and 
           Spiritual Growth” Spiritan Publications, Onitsha, Nigeria, 2001, pp. 25-57
15
. Koren. Op.cit. p.229
16
. Koren, op.cit. p. 231
17
. Besnard, gedrukt in Koren, Spiritual Writings… p. 279
18
. Koren, op.cit. p. 47
19
. Ibidem
20
. Koren, op.cit. p.113
21
. Geciteerd uit Maurice Gobeil in zijn (on)gepubliceerde studie over Cor Unum et Anima Una, in een
referentie naar
        “The Holy Family Group, in de Archieven van het seminarie in Quebec.
22
. Een korte beschrijving van de L’Aa kan men vinden in Joseph Michel, L’influence de L’Aa  sur 
       Claude
François Poullart des Places, Beauchesne, Parijs, 1992, pp. 15-17
23
. Joseph Michel, L’Influence de L’AA, p.44
24
. Op. cit. p. 35-36, esp. No viii & ix 
25
. Het handboek van de assemblée was Pratique des vertus chrétiennes propres 
       à la Congrégation de Notre
Dame, vermeld in Michel, L’Influence de L’Aa. P. 13.
26
.  Mémoire de Pierre Thomas,  als in Koren, The Spiritual Writings… p. 271
27
. Joseph Michel, L’influence de L’AA…p. 65
28
. Joseph Michel, L’influence de L’AA…p, 66 ff
29
. Koren, The Spiritual Writings of Poullart des Places, p. 165.
30
. Joseph Michel, Du nouveau sur les sources de la spiritualité de Poullart des Places et 
       sur la genèse de son 
œuvre, in Aux racines de l’arbre spiritain, Christian de Mare, 
       30 Rue Lhomond, 75005. Paris. 1998, p.
111
31
. Joseph Michel, Claude François Poullart des Places, Éditions Saint Paul, 6, Rue Cassette, Paris, 1962. p. 212.
32
. Henry Koren, Essays on the Spiritan Charism and on Spiritan History, Spiritus Press, Bethel Park ,PA 1990, 

       Pp. 15-18.  Ook beschreven in Cristian de Mar, Aux Racines de l’arble spiritain, Pp, 178-180.

33
. Henry Koren,  The Spiritual Writings.. p. 63
34
. Henri Le Floch, geciteerd in Joseph Michel, « L’ambiance doctrinale d’une fondation. » 
       In Christian de
Mare, « Aux racines de l’arbre spiritain », p. 145
35
. Joseph Michel: L’ambiance doctrinale d’une fondation,  
      
in Aux racines de l’arbre spiritain, Christian de
Mare. Pp. 141-151
36
. Joseph Michel,  L’influence de L’Aa.. p.74, met verwijzing naar Latijnse tekst gegeven door Henry Le Floch, 

   
     1906, p. 534.
37
. Genomen uit Petit traité de l’estime que l’on doit avoir de L’Aa, geciteerd in 
       Joseph Michel, L’influence de
L’Aa, p.74.
38
. Antifoon van het gebed voor overdag op donderdag van week ii.

Claude François Poullart des Places

Herdenkingsdag

2 Oktober 2008

Zijn Leven gaat door na zijn Dood

Cornelis van der Poel, cssp

 

De herdenking van Poullart des Places die wij vandaag vieren heeft een bijzondere betekenis omdat het de 299ste verjaardag is van zijn dood. Nu is 299 op zich zelf niets bijzonders behalve dat we volgend jaar de 300ste verjaardag herdenken. Dan kijken we terug op drie eeuwen sinds zijn sterven.

Zijn leven heeft maar dertig jaar en enkele maanden geduurd, maar toch is dit korte leven drie honderd jaar later nog van enorm belang voor veel mensen  Na drie eeuwen kijken we met bewondering, dankbaarheid en blijdschap terug op de korte dertig jaren die hij op deze wereld heeft doorgebracht en waarin hij met zijn korte leven een waardevol stempel gedrukt heeft op het leven en de ontwikkeling van de Kerk van Christus.

            Zijn levensloop kennen we min of meer. Verschillende belangrijke datums uit zijn leven zijn ons niet geheel vreemd, zoals:

Geboren op 26 Februari 1679;
Zijn scholing in filosofie en rechten te Rennes en Nantes in de jaren 1695-1701;
Zijn openlijke afstand van een positie in de magistratuur 1701;
Het begin van het seminarie van de H. Geest in 1703;
Zijn priester wijding in 1707;
Zijn sterven in 1709.

            Het zijn nuchtere chronologische feiten die echter een enorme hoeveelheid van succes en teleurstelling, van vreugde en pijn, en van inwendige twijfel en diepe geestelijke vreugde verbergen. We hebben hierover gehoord in het verleden en in de komende maanden hoop ik in meer detail zijn persoonlijk en geestelijk leven als stichter en leider te belichten. Op dit ogenblik wil ik me liever bezinnen op het meer onbekende gedeelte van zijn leven, namelijk,

Zijn leven na zijn dood, ofwel,
zijn missionaire bijdrage
ofwel,
 
“per ongeluk” ordestichter.

            Poullart des Places heeft persoonlijk nooit zijn vaderland verlaten om ergens in de vreemden het evangelie te verkondigen maar zijn missionaire geest sprak duidelijk uit zijn gedrag. Het was niet zozeer zijn verlangen om persoonlijk in de vreemden het evangelie te brengen. Zijn voornaamste bezorgdheid was de opleiding van waardige priesters die de leer en het leven, de liefde en de toewijding van Jezus nieuw leven zouden inblazen waar dat ook nodig mocht zijn. Zijn grote zorg was het leven van de Kerk onder de gewone mensen. Organisatie en administratie waren niet zijn geliefde bezigheid, ook al zag hij het belang er van in. Bekend is zijn antwoord aan zijn intieme vriend Grignion de Montfort. Deze zag ook de noodzaak van missionaire activiteit onder het gewone volk in, speciaal in Bretagne. Hij wilde dit aanpakken op een georganiseerde manier met een religieuze congregatie die zich daar speciaal op toe zou leggen. Hij zag in Claude, met zijn training in retorica, filosofie en theologie, een veel belovende kandidaat en collega voor zijn plannen. Claude’s antwoord was eerlijk, concreet en duidelijk. 

Ik voel me niet aangetrokken tot het preken van missies, maar ik ben me te diep bewust van het goed dat ze kunnen doen om niet met je mee te werken en niet onafscheidelijk met je verbonden te blijven. Je weet dat ik sinds enige tijd alles wat ik tot mijn beschikking heb uitdeel aan arme studenten om hen in hun studies te helpen. Ik ken er verschillende die uitstekende kwaliteiten hebben maar die wegens gebrek aan middelen die talenten niet kunnen ontwikkelen. Zij waren daarom gedwongen om talenten te begraven die zeer belangrijk kunnen zijn voor de Kerk als ze de gelegenheid krijgen. Dat is het doel waar ik naar streef als ik hen in één huis bij elkaar breng. Ik denk dat dit is wat God van mij wil. Ik word hierin bevestigd door onbevooroordeelde  personen die me reden geven te hopen dat zij aan het onderhoud van deze studenten zullen bijdragen.

Als ik met Gods genade hierin kan slagen dan kun jij op missionarissen rekenen. Ik zal ze voor je opleiden en jij zult ze aan het werk zetten. Op deze manier zullen jij en ik allebei tevreden zijn.[i] 

            In enkele regels geeft Poullart des Places hier zelf een inzicht in de diepste motivatie van zijn roeping en van het missionaire karakter er van. Laten we deze twee punten een beetje nader beschouwen. 

1.                Priester opleiding als diepste motivatie van zijn roeping.

 

Voor Poullart des Places bestond zijn roeping hierin dat hij zijn persoonlijke talenten en al zijn aardse bezittingen in dienst zou stellen van talentvolle studenten die wegens gebrek aan middelen hun roeping niet zouden kunnen volgen. Het was niet zijn bedoeling die studenten op enigerlei wijze aan zich te binden. Hij wilde de Kerk dienen met de opleiding en vorming van priesters die konden bij dragen aan de verdieping van het leven in de Kerk. Zijn seminarie was niet gebonden aan een bepaald bisdom. Het was ook niet zijn plan om een broederschap of congregatie te stichten die zulk een opleiding als een speciale taak op zich zou nemen. Hij wilde een seminarie van waaruit de priesters konden gaan waar ze het meest nodig waren in de Kerk.

Zijn idee was misschien onpraktisch, maar het karakteriseert de onzelfzuchtige persoonlijkheid van Poullart. Zijn houding herinnert mij aan het woord van Johannes de Doper, die zich zelf geheel wegcijferde om Jezus naar de voorgrond te trekken met de gedachte: Ik moet minder worden, Hij moet groeien.  Voor Poullart des Places moest de Kerk groeien en wilde hij zelf verdwijnen in de achtergrond.

Dit verdwijnen in de achtergrond was niet zo eenvoudig. Het aantal studenten op het seminarie groeide snel. Op die eerste Pinksterdag, 27 Mei 1703, waren ze met 12 studenten, in 1704 waren er 40, 1709 was het getal ongeveer 70. Vanwege het toenemende aantal werd het noodzakelijk om ruimere woongelegenheden te zoeken.

Een meer belangrijke factor was echter de organisatorische en administratieve ontwikkeling. Poullart des Places zag spoedig in dat een verantwoorde opleiding  en vorming van de studenten te veel waren voor hem alleen. Daarom, met enkele professoren en formateurs van het seminarie vormde hij een communiteit die gezamenlijk de verantwoordelijkheid ging dragen. Zij waren de leden van de “communiteit van de H. Geest” die naar binnen zowel als naar buiten de verantwoordelijkheid droeg voor het seminarie. Deze vorm van “communiteit” zette zich voort en daarom bleef het leden aantal klein zodat zelfs na ander halve eeuw slechts 62 namen  als “leden” voorkomen in het algemeen register.

            Ofschoon de aartsbisschop van Parijs zijn toestemming gegeven had voor een seminarie voor de opleiding van priesters, werkte het seminarie echter toch zonder officiële kerkelijke of wettelijke erkenning. Desniettemin was het zeer bekend en het gebeurde meer dan eens dat belangrijke giften en legaten aan het seminarie werden gegeven. De bekendheid van het seminarie en de vrijgevigheid van weldoeners en vrienden maakten echter een wettelijke en canonieke erkenning noodzakelijk, maar maakten ook vijanden. 

Sommige legaten werden aangevochten door families of om politieke redenen. Vaak ook door de rivaliteit van de Sorbonne of door Jansenistische stromingen.[ii]  {Het wordt soms gezegd dat Poullart des Places, uit zogenaamde nederigheid,  niet wilde dat zijn studenten hogere of doctorale studies maakten. Niets is minder waar. Hij wilde de hoogste en beste opleiding die mogelijk was. Maar, in die tijd was de Sorbonne de enige universiteit die doctorale opleiding mocht geven voor theologie. De universiteit was echter onder jansenistische invloed, die Poullart absoluut niet wilde, bovendien, een doctoraat van de Sorbonne was een soort vrijbrief voor hogere functies en  beneficiën. Hij wilde priesters hebben in het veld, niet op rijke posten. Deze houding ontstak ook de woede van de Sorbonne en van de Jansenisten.} 

Het werd de taak van M. Louis Bouïc de canonieke en juridische erkenning te bewerkstelligen.[iii]  Die noodzakelijkheid werd overduidelijk toen in 1723 een gift gegeven werd van 44,000 Lire. Vanwege de sterke objecties van  tegenstanders, voornamelijk van de Jansenisten, was M. Bouïc aanvankelijk geneigd om de giften terug te geven, maar om de officiële wettelijke erkenning van het seminarie te krijgen ging hij door met de procedures. Het duurde  nog tot 1726 voor hij de eerste (on)officiële burgerlijke vergunning kreeg om legaten aan de nemen. Die vergunning werd pas in 1734 officieel bevestigd.

Ook een officiële kerkelijke erkenning was noodzakelijk. Poullart des Places had alleen maar regels en reglementen geschreven voor de seminaristen, maar de ontwikkelingen van het seminarie als burgerlijke en kerkelijke persoonlijkheid vroegen om een officiële doelstelling  en organisatie. De eerste officiële goedkeuring van de regels van deze nieuwe gemeenschap kwam in 1734 toen de aartsbisschop van Parijs de regels van de communiteit van de H. Geest goedkeurde.

 

2.      Het missionaire karakter van de communiteit van de H. Geest.

M. Bouïc nam ook werken aan buiten het seminarie van de H. Geest, maar het bleef oorspronkelijk nog beperkt tot de opleiding van priesters zoals in seminaries van Meaux en Verdun, en voor de bevriende congregatie van Grignion de Montfort. De studenten die op deze seminaries studeerden en klaar waren om priester gewijd te worden waren niet automatisch leden van de “communiteit van de H. Geest”. Zij werden lid van de communiteiten (Montfortanen) of van de bisdommen waar zij hun missie arbeid gingen uit oefenen. Ofschoon er natuurlijk een zekere band bleef bestaan tussen de individuen en het seminarie waren de leden niet meer afhankelijk van het seminarie zoals religieuzen afhankelijk blijven van hun communiteit.

Het was door het toedoen van l’abbé de Isle-Dieu, hoofdaalmoezenier voor de Franse koloniën, dat de priesters van de H. Geest ook buiten Frankrijk gingen werken.  De aartsbisschop van Quebec, Canada, had deze man benoemd als zijn vicaris generaal om in Frankrijk priesters te werven voor zijn aartsbisdom. Verschillende priesters van het seminarie van de H. Geest beantwoordden aan zijn oproep en gingen naar Canada en werkten daar niet alleen in de opleiding van andere priesters, maar ook als pastores onder de Acadiens en andere volken. Ze trokken met de Franse troepen mee en verspreidden zich over grote delen van Amerika. Door de oorlog tussen de Fransen en Engelsen vluchtten/emigreerden veel mensen van Acadia naar de eilanden St. Pierre en Miquelon. Op aandringen van de Abbé de Isle-Dieu, werd de communiteit van de H. Geest verzocht de geestelijke zorg voor die eilanden op zich te nemen. Dit was het eerste gebied dat aan de zorg van de Congregatie van de H. Geest werd toevertrouwd.[iv] Dit gebeurde in 1763. M. Becquet was toen de overste van seminarie van de H. Geest. Hij was ook de eerste die zich “Algemeen Overste van de Congregatie van de H.Geest” noemde. Rond die tijd ook trokken de Jezuïeten zich terug uit het Oosten van Zuid Amerika en werd de Congregatie van de H. Geest door Rome aangezocht de zorg voor de Franse kolonie van Guyana over te nemen.

Deze historische gegevens zijn uiterst kort en oppervlakkig. Het is ook helemaal niet mijn bedoeling een voordracht te geven over de geschiedenis van de Congregatie. Ik wil alleen maar nadenken over één bepaald aspect in het leven en charisma van Poullart des Places. 

We noemen hem stichter van een belangrijke missie Congregatie, maar hij had nooit de bedoeling een congregatie te stichten, desniettegenstaande speelde en speelt zijn werk nog een grote rol in de missionering of evangelisatie in alle delen van de wereld. Hij wilde zich zo min mogelijk bemoeien met het uitwerken van grote plannen en projecten. Hij wilde priesters vormen die bezield waren van maar één ding, door leven en leer verlichting te brengen aan armen en verworpenen, om de gewone mens te leren leven in en met en door de liefde van Christus.

Poullart demonstreerde dit door zijn eigen leven. Zijn vermogen, zijn krachten, zijn toewijding werden volledig ingezet om anderen geluk en innerlijke vrede te bezorgen. Naar gelang zijn eigen leven en gedrag steeds strenger en meer ascetisch werd groeide zijn bezorgdheid en betrokkenheid voor anderen. 

Organisatie was niet zijn doel, maar toen hij zag dat enige vorm van organisatie noodzakelijk was om de opleiding meer effectief te maken, legde hij de fundamenten voor een organisatie. Hij verenigde zijn leraren en formateurs in een communiteit om eenheid en gelijkstemmigheid te bevorderen in de vorming van priesters. Hij kon zich aanpassen aan de eisen van het ogenblik zonder zijn ideaal uit het oog te verliezen. Juist door zich aan te passen verscherpte hij zijn ideaal en maakte het gangbaar. De priesters die hij vormde liet hij de vrijheid zich te bewegen buiten zijn eigen communiteit. Ze stonden tot de beschikking van de Propaganda Fide of op aanvraag van individuele bisschoppen. In zijn hart wilde hij de vervulling van twee wensen: de liefde van God in de harten van de mensen en het welzijn van de Kerk. 

Zijn opvolgers waren bezield van dezelfde motivatie en hadden dezelfde openheid voor aanpassing. Een voorbeeld daarvan is Louis Bouïc, de tweede opvolger van Poullart des Places. Onder de druk van de Jansenisten en om stand te houden naast de Sorbonne zag hij goed in dat organisatie en officiële kerkelijke en burgerlijke erkenning onmisbaar waren. De oorspronkelijke toestemming van de aartsbisschop van Parijs aan Poullart des Places om een seminarie te mogen leiden werd spoedig bestreden. Onder druk van de Sorbonne  en  van de Jansenisten trok de aartsbisschop zich terug. Een legaat aan het seminarie in 1723 stelde de zaak weer opnieuw in het volle licht. De legaat werd sterk aangevochten en werd pas in 1726 door het burgerlijk gezag aan het seminarie toegekend. De Sorbonne en de Jansenisten gaven echter niet op en het duurde tot 1734 voordat het seminarie officieel door de staat werd erkend met een legale status. In dat jaar keurde ook de nieuwe aartsbisschop van Parijs de regels van de congregatie goed[v] en werd de stichting van Poullart des Places officieel een kerkelijke instelling. Hierdoor werd de droom van de stichter, die nooit zo’n officiële instelling beoogd had, op een heel andere manier toch een werkelijkheid. Zijn ideaal van solide priester opleiding en missionaire betrokkenheid werd aangepast aan de eisen van de tijd en was nu klaar voor een wereldwijde activiteit. 

Hoe wereldwijd deze verspreiding was weten we uit onze eigen geschiedenis. We ontmoeten echter een bevestigende beschrijving daarvan uit een heel onverwachte seculiere hoek. In de uitgave van  de Grand Dictionnaire Larouse uit1833, dus vóór de fusie van de Congregatie van de H. Geest met de Congregatie van het H. Hart van Maria, wordt onder de sectie van religieuze statistieken de Congregatie van de H. Geest (dus de stichting van Poullart des Places) als volgt beschreven:

“Deze congregatie was gesticht in 1703 om jonge mensen van arme afkomst op te leiden voor de klerikale staat. Zij waren bestemd om de minst gezochte en moeilijkste taken aan te nemen, de diensten in ziekenhuizen en missies. De congregatie van de H. Geest is samengesteld uit leden die toegewijd zijn aan de missies in China en India; anderen hebben zich verbonden aan missies in Canada en Acadia; en tenslotte zijn er missionarissen in Afrika (in Goré, in Sénégambie en in Senegal).”[vi] 

Dit is hoe de congregatie in de seculiere wereld bekend was. Een fanatiek katholiek historicus zou het niet nauwkeuriger hebben kunnen beschrijven. Zelfs nu, meer dan 150 jaar na de fusie met de congregatie van het H. Hart van Maria, heeft deze beschrijving nog zijn waarde.

Het ideaal van Poullart des Places, de opleiding en vorming van mensen die toegewijd zijn aan elke vorm van apostolaat waarin speciale toewijding en moed gevraagd worden, is nog steeds geldig. In missie gebieden, in ziekenhuizen, in gevangenissen, in vluchtelingen kampen, in seminaries en onderwijs inrichtingen kunnen zijn volgelingen een plaats vinden  wanneer ze in onzelfzuchtige toewijding hun krachten en talenten durven in te inzetten om Gods liefde te beleven in menselijke vorm.

Claude-François Poullart des Places stierf 299 jaar geleden op zeer jonge leeftijd, maar in die korte jaren heeft hij een taak volbracht die door de eeuwen heen voortduurt. Hij heeft echter het ideaal van zijn leven, missionering in eigentijdse vorm, als een uitdaging aan zijn volgelingen door gegeven. Het is een uitdaging die wij, op onze beurt,  vrijwillig hebben aanvaard


Charles Besnard, smm., St. Louis Grignion de Montfort et M. Claude François Poullart des Places. Als  geciteerd in Henri Koren, Spiritual Writings of Poullart des Places. P. 282 (283)

[ii]  Henri Koren, The Spiritans, Duquesne University Press, Pittsburgh, PA, 1958, p. 22-23.

[iii]  Gérard Vieira, 300 ans d’histoire spiritaine au service de la mission. Mémoire spiritaine No 16, 2002, p. 8-9

[iv]  Gérard Vieira, Op. Cit. p. 10

[v]  Henri Koren, op.cit p. 22

[vi]  Paul Coulon, L’heritage de Poullart des Places, in Mémoire spiritaine, No 17 ,  2003, p. 3

 

Regio Berg en Dal, 8-10-2008

Inleiding Frans Timermans, CSSp 

Toewijding aan het Apostolaat  

Geestelijke gerichtheid

om het

Rijk van Gods liefde

te Vestigen en te Steunen

 

Een mystiek van de armoede

Leven en werk van Claude François Poulard des Places

We kennen allemaal in grote trekken het leven en het oeuvre van onze eerste stichter: zoon van een rijke zakenman en magistraat in Rennes, en die zijn doopnamen ontleende aan zijn peetouders: grote namen uit de aristocratie van die stad. Het was de tijd van Lodewijk de XIVe, de “grand siècle” van Frankrijk. Zijn vader had hem in gedachten voorbestemd voor een briljante carrière, en hoopte dat via hem de adellijke titel terug zou keren in de familie die in 1668 verloren was gegaan. Van zijn vader erfde Claude een natuurlijke ambitie, hij droomde ervan te schitteren, hij voelde zich thuis in de voorname ambiance van zijn milieu. En hij was geniaal. Al op 15 jarige leeftijd had hij het gymnasium bij de Jezuïeten af, en om de twee jaar te overbruggen voordat hij naar de universiteit kon, liet zijn vader hem twee jaar extra studies maken in welsprekendheid. Al maakte hij het al vroeg duidelijk dat hij het beroep van zijn vader: dat van magistraat aan het parlement van Rennes, niet voor zichzelf zag zitten, dat wil nog niet zeggen dat hij mindere grootse plannen had.

Zijn moeder was een bescheiden en erg gelovige vrouw. Zij had een grote invloed op het karakter en de ontwikkeling van haar zoon. Haar eigen vroomheid bracht ze over op hem. Hij was gewoon, dagelijks naar de mis te gaan. Zijn moeder nam hem mee als ze naar gewoonte arme en zieke mensen ging bezoeken om hun discreet wat hulp te bieden. Bij zijn dagelijkse kerkgang ontmoette hij ook steeds Louis Marie Grignon de Montfort, zijn medeleerling op het gymnasium. Ze sloten vriendschap voor het leven. Onder invloed van de AA (een soort clubs voor geloofsverdieping die in Jezuïeten colleges bestonden), werd zijn vroomheid wat overdreven en zweverig. Hij was een beetje een man van uitersten – naar de ene of naar de andere kant van zijn geloofsbeleving. Gelukkig was er een van zijn leraren,  abbé Bellier, die hem daarvan genas en hem meenam op zijn bezoeken aan het ziekenhuis van St. Yves, waar Claude zelf een trouwe bezoeker werd van de invaliden en armen die er verpleegd werden.

In die tijd groeide het verlangen in hem, priester te worden, tot schrik van zijn vader die heel andere plannen voor hem had.

Na zijn twee jaar aanvullende studie in de welsprekendheid, ging hij in Rennes naar de universiteit waar hij wijsbegeerte ging studeren. Ook daar waren de Jezuïeten zijn leermeesters. Hij sloot die periode af met de beroemde “Grand Acte”: een briljante voordracht waar later de hele upper ten van de stad over sprak. Die episode is vereeuwigd in het beroemde schilderij van Jouvenet dat later is teruggevonden in een Museum in München, en dat we allemaal kennen.

Daarna volgt een rechtenstudie in Nantes om aan de wens van zijn vader tegemoet te komen. Dat eindigt met de welbekende scene waarin zijn moeder een prachtige advocatentoga voor hem maakt: hij trekt hem aan, bekijkt zichzelf in de spiegel, en verklaart dan plechtig dat hij hem nooit meer zal dragen. Toch is dat nog niet het moment van zijn radicale bekering. De komende twee jaar woont hij thuis en helpt zijn vader in diens talrijke business ondernemingen. Langzaam raakt de gedachte aan het priesterschap die steeds nog aanwezig was, op de achtergrond, als hij deel gaat nemen aan het leven in de high society en de gedachte aan carrière maken steeds sterker wordt. Dat zijn karakter niet altijd even aangenaam was blijkt uit een ruzie die hij had in die tijd, die hij met de blote sabel wilde beslechten. Het slachtoffer deed aangifte van de geweldpleging en het kostte vader des Places al zijn invloed om de zaak buiten de rechtszaal te houden. Claude schaamde zich daar later diep over. Was het dit incident dat hem tot nadenken bracht? Het mondaine leven had toch al een nare bijsmaak in hem achtergelaten: hij voelde dat  hij tot andere dingen geroepen was. Hij maakte een retraite bij de Jezuïeten en besloot aan zijn leven een andere wending te geven. De oude aantrekkingskracht van het priesterschap keerde terug tot ontsteltenis van zijn vader die al een adellijke verloofde voor hem op het oog had. Hij troostte zich met de gedachte dat er dan misschien een kerkelijke carrière in zat voor zijn zoon.

Op dat moment was het bij Claude nog niet opgekomen om zijn leven aan de armen te wijden. Zijn plannen gingen uit naar een theologiestudie aan de Sorbonne: de meest prestigieuze universiteit van Parijs – de enige die graden van doctor in de theologie mocht afgeven.

Opnieuw maakt hij een retraite, die hij later zijn bekeringsretraite zal noemen. Het moet een heel diepgaande spirituele ervaring zijn geweest die zijn leven op zijn kop zette. Hij ziet zichzelf voor het eerst zoals hij werkelijk is: briljant en vol talenten, maar ook vol van zichzelf  en egoïstisch in zijn ambities. Wat God ziet is anders dan wat de mensen zien: niets om trots op te zijn, doofheid voor de stem van God, een groot gebrek aan edelmoedigheid en vooral aan geloof. Het wordt een keerpunt in zijn leven: een radicale ommekeer. 

Hij wil ernst maken met zijn priesterroeping, en die behelst voor hem voortaan de dienst aan de armsten. Dat wil hij voor zichzelf. Hij geeft het idee op om aan de Sorbonne te gaan studeren. Zijn keuze valt op het College St. Louis le Grand, van de Jezuïeten. Zo zien we dat van zijn kinderjaren af de Jezuïeten hem hebben gevormd – in de rudimentaire leefregel die hij later voor zijn seminarie zal maken, vind je dat ook terug. Hij schrijft naar huis dat hij afziet van alle geldelijke steun, behalve de som van 60 ponden per jaar: het minimum dat geëist wordt door het toenmalige kerkelijk recht – blijkbaar was dit net genoeg voor een priester om van te leven. Zijn vader wilde hem er 4000 geven – dat weigerde hij en de oude heer was gekwetst “omdat hij het principe van de armoede op zulk een hoge toon uitdroeg”.

Tijdens zijn studie op St. Louis le Grand waren de schoorsteenvegertjes uit het verre Savoye, aan de Italiaanse grens, de eerste verschoppelingetjes waar hij mee in contact kwam. Hij hielp er een aantal met wat geld en leerde hun het evangelie. Toen kwam hij in contact met een categorie die hij niet kende: arme jongens die graag priester wilden worden, er ook de kwaliteiten voor hadden, maar geen geld hadden  voor het seminarie. Hij begon met één ervan onderdak en onderhoud te geven, maar het waren er al gauw meer. Je vraagt je af waar hij het geld daarvoor vandaan haalde, daar hij absoluut niets van zijn familie aan wilde nemen. Nu waren er in die tijd meer priesters die een aantal van zulke studenten onderhielden. Ze leefden in communiteiten en er zijn 6 van die communiteiten bekend. Deze werden vaak gesteund door rijke weldoeners. Misschien waren er ook mensen die Claude hielpen. Hier wordt voor Claude duidelijk wat God van hem wil. Priesters vormen die zich helemaal aan de armen zullen wijden. Die ook zelf arm willen zijn en solidair met de armen die ze moeten dienen. Dat wordt zijn levenswerk.

Het aantal studenten groeit  snel. Al gauw moet hij groter behuizing huren. En dat tot drie keer toe. De drie locaties  lagen allemaal vlak bij wat nu de Rue Lhomond is – vroeger Rue des Postes is waar Mr Bouic, zijn opvolger, het seminarie van de H. Geest zou vestigen. In de laatste behuizing die hij voor zijn studenten huurde, heeft hij maar één dag doorgebracht. Hij werd er doodziek binnengedragen en stierf er de volgende dag, op 2 oktober. 

De communiteit van de H. Geest onderscheidde zich duidelijk van de 6 andere. Dat viel ook anderen op, en zorgde voor tegenwerking en zelfs openlijke vijandschap van invloedrijke mensen en ook van één van die studenten communiteiten, die het scheldwoord “placistes” voor hen bedachten. Vooral hun nauwe band met de Jezuïeten en de openlijke ook materiële steun die ze van dezen ontvingen, maakte hen tot mikpunt van agressie. In die tijd vierde namelijk het jansenisme nog hoogtij. De Aartsbisschop van Parijs, Kardinaal de Nouailles, was Jansenist, en ook de aan de Sorbonne was het Jansenisme heel invloedrijk. Een van die studentencommuniteiten, St. Barbara geheten, werd door de Sorbonne gesponsord en was sterk jansenistisch ingesteld. De Jezuïeten bevonden zich in het andere kamp: ze verzetten zich sterk tegen het jansenisme en bestreden het vanuit hun College St. Louis le Grand. Ze beriepen zich daarbij op Rome, dat later ook formeel het Jansenisme zou veroordelen. Tegelijk speelde in die dagen het Gallicanisme een sterke rol: een beweging voor de autonomie van de Kerk in Frankrijk, tegen een te grote invloed van Rome. Dat kende ook veel aanhangers onder de bisschoppen, ook van Kardinaal de Nouailles. Zo werd ook aan de communiteit van Claude verweten dat ze papisten waren, of ultramontanen zoals dat later zou heten. Die controverse leverde in de kerk heel wat spanningen op en interne ruzies. De Romegetrouwen  waren in de minderheid en niet erg populair.

Toch was – volgens P. Michel, de beste biograaf van Claude – die theologische kwestie niet de eigenlijke reden waarom Claude erop stond om bij de Jezuïeten te blijven. We zien hem nooit in dat soort theologische disputen verwikkeld. Wat hij wilde was een solide vorming tot het priesterschap – goede studies en een gedegen spirituele vorming, die hij zelf van jongs af aan bij de Jezuïeten had gevonden. En tegelijk was er die “mystiek van de armoede”, waarvoor de Jezuïeten hem alle ruimte gaven, terwijl ze hem tegelijk discreet bleven helpen, ook financieel.

Waaruit bestaat dan die “mystiek van de armoede”?

Op de eerste plaats is het een gesteltenis van geest en hart. Claude had in zijn eigen leven de leegte ontdekt achter ijdelheid en wereldlijke ambitie. De armoede van die leegte buigt hij om tot armoede van geest. Voortaan wil hij zijn hele leven in Gods handen geven, openstaan voor elk appel aan hem gericht. Overgave zal de kern worden van zijn leven. Hij zal een grote fijngevoeligheid ontwikkelen voor elk teken van Godswege in zijn leven: in en door de ontmoetingen en gebeurtenissen van elke dag. Niet voor niets wijdt hij zichzelf zijn groepje arme studenten toe aan de H. Geest. Schrijft hij in zijn leefregel dat openheid voor die H. Geest en vertrouwen op zijn kracht de kern van hun spiritualiteit zal zijn. En hun voorbeeld het H. Hart van Maria, juist in haar algehele beschikbaarheid voor God in de H. Geest.

Door zich scherp bewust te worden voor de bedrieglijkheid van rijkdom en macht en eigenwaan, ziet hij ook duidelijk waarom de armen kostbaar zijn voor God. De grootheid van een mens ligt er op de eerste plaats in, Gods kind te zijn. Hij ziet de rijkdom en kwaliteiten in zijn arme studenten, en wil ze daarom alle kansen geven om die rijkdom en talenten tot ontwikkeling te brengen, op de eerste plaats hun geestelijke kwaliteiten. En hij denkt ook aan de waarde en de rijkdom die de armen en kanslozen hebben in Gods oog, en die ook de kerk zou moeten erkennen. Daarom wil hij speciaal voor hen een keurkorps vormen van goede en heilige priesters. En hij weet dat een voorwaarde is dat ze echt één zullen kunnen worden met hun parochianen, hen van binnenuit begrijpen en verheffen kunnen. Dat, zegt P. Michel, is voor hem de voornaamste grond voor de strenge armoede-eisen op zijn seminarie, en voor de soberheid waarin ze moeten leven. Om niet gewend te raken aan een comfortabel leven, in betrekkelijke overvloed, zoals dat op de meeste seminaries het geval was. Want dat comfort zouden ze ook later in hun parochies niet vinden. Het is de bekoring van hen die, vroeger in armoede levend, zich aan die armoede hebben weten te ontworstelen en er nooit meer naar terug willen. De bekoring die we nu zien bij sommige seminaristen in Afrika, als ze aan het comfort van hun nieuwe leven zijn gewend. Door hen te verbieden aan de Sorbonne te studeren, zullen ze ook later geen hoge kerkelijke ambten. kunnen bekleden. Ze moeten zijn “parati ad omnia”, en klaar om bij voorkeur te gaan daar waar moeilijk priesters voor gevonden worden. Dat wil niet zeggen dat hij er tweederangspriesters van wil maken: hun opleiding moet in niets minder zijn dan die in de andere seminaries. Dat alles maakt zijn seminarie zo speciaal.

Hij durft het overigens geen seminarie te noemen: alleen de bisschop kan een seminarie oprichten. De kardinaal ziet het zeker niet met instemming dat zijn studenten in de leer zijn bij de Jezuïeten, maar langzamerhand is de reputatie van zijn gemeenschap zodanig dat de kardinaal toch vertrouwen in hen heeft en ook accepteert om hen te wijden.

Maar Claude heeft wel veel hooi op zijn vork genomen. Bij alle zorgen voor het reilen en zeilen van de communiteit, de materiële zorgen, het zoeken van geschikte huisvesting voor de steeds groeiende aantallen (bij zijn dood zullen het er 70 zijn), het geven van de geestelijke vorming, is hij ook zelf nog student die zijn tijd voor zijn studie nodig heeft. Hij kan er niet tegenop, raakt in wat we vandaag zouden noemen een soort burn-out, die tegelijk een geestelijke crisis is. Opnieuw trekt hij zich terug voor gebed en bezinning. Hij maakt de balans op: hij doet te veel alleen. Hij is helemaal alleen als leider in zijn groep. Er is geen priester in huis voor de eucharistie en de geestelijke begeleiding. Hij ziet wat hem te doen staat. Hij vindt een jonge priester, een vroegere medestudent, een zekere Barbier. En nog twee anderen, die nog geen priester zijn maar wel leiderscapaciteiten hebben: Garnier en Caris. Met hen zal hij voortaan de verantwoordelijkheid delen. Barbier neemt hem ook de zorgen van het economaat uit handen. Hij kan zich nu ongestoord voorbereiden op zijn priesterwijding. Die vindt plaats in 1707. zijn familie is dan helemaal uit het beeld. Er is niemand uit Rennes om de vreugde van die dag te delen.

Dan komt het jaar 1709. Het is een rampjaar. De winter is ongewoon streng. Frankrijk is leeggebloed door de verkwistingen en de oorlogen van de Zonnekoning. Er is geen enkele steun voor de armen in het land. 30 000 mensen sterven er van de kou alleen. Daar komt nog een ziekte-epidemie  bovenop, die duurt tot ver in de zomer.

Je kunt je voorstellen hoe moeilijk het was in die maanden om 70 seminaristen te voeden en te kleden. Claude en zijn metgezellen doen ook wat ze kunnen voor de zieken en voor de ondervoeden. Dan wordt hij zelf ziek: zijn gezondheid is altijd delicaat geweest. Hij loopt een pleuris op die hem in korte tijd zal vellen. De ziekenhuizen zijn al overvol: men verpleegt hem thuis. Tot overmaat van ramp vindt dan juist de verhuizing plaats naar hun nieuwe pand. Eén dag zal hij er wonen, dan sterft hij. :Rustig en vredig”, zegt zijn biograaf, helemaal overgegeven, zoals hij heeft geleefd. Zijn vriend Garnier volgt hem op, maar sterft zelf enkele maanden later.

Maar vertrouwen in de voorzienigheid bedriegt niet. Niet alleen zal de groep deze crisis overleven, ze zal blijven groeien. Waar alle andere stichtingen voor onbemiddelde studenten de een na de ander verdwijnen, blijft de communiteit van de H. Geest bestaan. Het is een groep die leeft van het charisma van haar stichter en de kleine groep van zijn helpers. Er zijn nauwelijks regels, er is nauwelijks enige structuur: ze leven van het vuur dat in hen brandt. Nog vele jaren lang zal de mystiek van de armoede deze groep blijven bezielen, en velen van de priesters die door hen zijn gevormd. Ze werken nu op veel plaatsten in Frankrijk in arme parochies, veel zijn er ingetreden in de congregatie van Grignon de Montfort voor de volksmissies in de campagne. Anderen hebben zich gevoegd bij de Missions Etrangères de Paris, toendertijd de enige congregatie die missionarissen mocht uitzenden naar de koloniën en  naar China. Een belangrijk hoofdstuk van de missie onder de Indianen van Acadië (canada) en Noord Amerika is geschreven door priesters gevormd in het seminarie van Poulard des Places. Tot aan de Franse revolutie alleen heeft het seminarie 1300 priesters gevormd en uitgezonden. Ze noemden zich spiritijnen. Vanaf het herstel van het seminarie van de H. Geest onder Napoleon kreeg het de opdracht, uitsluitend priesters te vormen voor de kolonën

Pas in 1734 zal er een officiële regel komen voor de groep professoren en geestelijke directeuren die dan de staf van het seminarie vormen, en voortaan ook de offiiciële erkenning krijgen van de aartsbisschop en van het parlement (Lettres patentes).

Zoals na de charismatische tijd van Libermann de organisator Schwindenhammer zal zorgen voor de nodige structuur, zo was dat Bouic na de dood van Claude en van Garnier. 50 jaar heeft hij aan het hoofd van de gemeenschap gestaan, haar zelfs ondanks ongelofelijke moeilijkheden: opheffing door de staat, confiscatie van het seminarie, tot twee keer toe, door de perikelen van de Franse Revolutie geloodst, en weer een nieuw begin gemaakt. Tot Libermann werd gezonden, die in 1843 met heel zijn jonge, vitale congregatie, intrad in de oude sociëteit van de h. Geest en haar tot nieuwe bloei heeft gebracht.

Wat opvalt is, dat er na Claude’s dood niet meer over hem is gesproken. Hij verdwijnt als het ware spoorloos Na de begrafenis in zijn anonieme graf. Misschien was hij te jong gestorven – misschien ligt het ook in de aard van zijn persoonlijk charisma: de mystiek van de armoede. In Rennes vindt men niets dat aan zijn naam herinnert, zelfs aan de faam van zijn familie. Je vindt kerken gewijd aan Grignon de Monfort en andere heiligen uit die streek, Er zijn straten en gebouwen naar hen vernoemd. Maar geen spoor van Claude François Poulard des Places. Er zijn ook nooit serieuze stappen ondernomen in de richting van zijn heiligverklaring: zelfs de titel “eerbiedvwaardige Dienaar Gods”is hem nooit toegekend. De Spirtijnse communiteit van Rennes ontdekte een aantal jaren geleden een verre nakomeling van de enige zus van Claude. Maar ze toonde geen enkele interesse en wilde ook geen contact met de spiritijnen. Pas heel laat, vele jaren na Libermann, licht zijn naam weer op in de congregatie en buigt men zich over zijn leven en wat hij ons heeft nagelaten In de kapel van het Moederhuis ligt het graf van P. Libermann en recht daartegenover een ander graf dat de naam en beeltenis van Claude draagt, maar het is leeg. Een Amerikaanse spiritijn, een van de Vietnamese Boatpeople, P. Bihn, zei het zo treffend toen we daar eens samen stonden: wat een wonderlijke boodschap: het lege graf. Is er een krachtiger symbool voor het nieuwe leven?

In zijn voetsporen hebben ook wij geleefd en gewerkt. Zonder misschien aan een mystiek van de armoede te hebben gedacht hebben de meesten van ons in echte armoede geleefd en geprobeerd solidair te zijn met onze mensen. Poulard heeft in zijn tijd geen broeders gevormd. Maar die verbreding van de spiritijnse roeping ligt toch helemaal in het verlengde van wat zijn ideaal was: de verheffing van de armen en hun opvoeding tot volwaardige burgers en christenen. Onze broeders hebben daar een onschatbare bijdrage aan gegeven.

Dat Claude zo totaal uit het zicht is verdwenen voor zo lang, leert ons misschien nog iets: dat we niet wakker moeten liggen van het verdwijnen van onze provincie die we zo sterk hebben gekend en zo wijdverbreid. Zoals het niet ging om hem, zo gaat het ook niet om ons. Op andere plaatsen in de wereld lijkt een nieuwe lente aangebroken voor de congregatie. Zal het duren? We weten het niet. Het is ook niet belangrijk. Wat belangrijk is, dat we nu blijven doen, wereldwijd, waar Claude indertijd mee begonnen is. Zolang God het wil – en dan zal het verder gaan onder de bezieling van de H. Geest in nieuwe vormen. Laten we daar maar op vertrouwen.

Frans Timmermans, CSSp

 

 Libermann Herdenking    

Gemert

2 Februari 2008

Cornelis J. van der Poel, cssp

 

 

Toewijding aan het Apostolaat

 

Beste confraters, zusters;

Een enkele blik in ons adresboekje laat ons zien hoe we voor elk lid van de provincie drie belangrijke datums aangeven, n.l. geboorte, professie of priesterwijding en toewijding aan het apostolaat. Misschien is onze provincie de enige die de toewijding aan het apostolaat zo speciaal vermeldt. Onze Etat du Personnel doet dat niet, we vinden dit ook niet in de directoria van de Amerikaanse of van de Nigeriaanse provincies. Toch heeft de congregatie zelf een speciale formule die ieder van ons heeft uitgesproken aan het einde van onze formele vorming. De toewijding aan het apostolaat heeft blijkbaar een belangrijke plaats in de congregatie. In die context wil ik voor deze Libermann herdenking over twee vragen speciaal nadenken.  (a) Wat is de theologische betekenis en reden voor die toewijding, en (b) Wat betekent deze toewijding voor Libermann en voor de spiritijnen?

 

I            Theologische reflecties op toewijding aan het apostolaat.

 

Het Nederlandse woord “toewijding” heeft een tamelijk ruime (misschien ook vage) betekenis. De betekenis die ik hier wil gebruiken komt overeen met het Latijnse woord “Consecratio”.[i]  Dit betekent meer dan ijverig zijn best doen voor iets. Deze betekenis van toewijding raakt het hart van het menselijk en religieus leven. De Dictionnaire de Spiritualité Ascétique et Mystique beschrijft toewijding als: “Een daad waardoor een ding of een persoon geheiligd wordt. Dit betekent, een daad die een  persoon in een speciale categorie plaatst en aan die persoon eigenschappen mededeelt die hem uit de gewone menselijk verhoudingen wegnemen en hem een waarde/waardigheid  geven die boven de gewone verhoudingen uitgaat.[ii]  Een seculiere dictionaire als Van Dale geeft een soortgelijke betekenis. Hij beschrijft toewijding  als “het wijden van iemand/iets aan een  godheid, heilige, enz.  Een akte van toewijding is dan “een gebed waardoor men zich toewijdt b.v. aan het H. Hart als symbool van Gods liefde.”[iii]

 

In deze beschrijvende definities zie ik  minstens vier elementen die speciale aandacht vragen:

 

 A            Toewijding wordt aangeduid als iets speciaals in het menselijk bestaan.   Het is een heiliging die voorbij het zichtbaar menselijke gaat. Toewijding te zien als een speciale roeping/gave van God houdt op zich echter ook een zekere tegenspraak in. Als we aannemen dat de mens, die in deze wereld leeft, geschapen is naar het beeld van God, dan is een mens zowel geestelijk als lichamelijk. Dit zijn geen twee delen die tijdelijk met elkaar verbonden zijn, een mens is een éénheid. De mens is bedoeld tegelijkertijd de zichtbaarheid te zijn van het geestelijke en de geestelijke waarde te geven aan het lichamelijke.  De mens is van nature geroepen tot een status die het zichtbaar menselijke te boven gaat maar die toch waarde en richting moet geven aan het gehele (ook het materiele) menselijk bestaan. De mens is door de schepping zelf aan God toegewijd, of op God gericht, maar het hoort bij de menselijke waardigheid om deze gerichtheid persoonlijk en bewust te erkennen. Dit geeft ons een volgend punt van belang. 

B                Toewijding is een beslissing die het gehele menselijk bestaan insluit. We leven in een wereld die zichtbaar, tastbaar, voelbaar en waarneembaar is. Daarin leven we en leren we onze identiteit kennen, daarin vinden we onze plaats en .vervullen we onze taak. Juist omdat we onze identiteit in het materiele ondervinden, vraagt  het geestelijke/onzichtbare om een speciale en bewuste aandacht van onze kant.  Deze uitdrukkelijke aandacht is de erkenning van de persoon die we eigenlijk zijn in onze lichamelijk-geestelijke geheelheid. Deze erkenning is het meest menselijke dat we kunnen doen, want deze erkenning is de eerste vereiste om onze menselijke geheelheid te begrijpen. Dit brengt ons naar een verder punt van aandacht.  

C.    Toewijding, als bewuste erkenning van wat we zijn geeft een betekenis en richting aan het menselijk bestaan en aan de menselijke activiteit.Het is een heiliging van de persoon, het geeft een geestelijke waarde aan een persoon zonder dat die persoon uit het dagelijks leven wordt weggehaald. De persoon blijft geheel in het materiele bestaan.  Menselijke (materiele) identiteit en doelstelling blijven niet alleen in tact maar  worden verhelderd en verrijkt. Het aandachtsveld is niet meer beperkt tot het zichtbare en berekenbare, maar is verruimd met een geestelijk perspectief dat de gehele mens omvat. Dit vraagt om een volgend element.  

D.            Toewijding veronderstelt een integratie of samenvloeien van onze geestelijke en fysieke dimensies waardoor een persoon een speciale éénheid wordt als menselijke geheelheid.  De fictieve scheiding van twee aparte delen, lichaam en ziel, valt weg en maakt plaats voor een gesteldheid die de verschillende perspectieven in een persoon tot een éénheid verwerkt. Toewijding wordt dan een act van de gehele mens, een uitdrukking van volledige vrijheid, van zelf bestemming en van persoonlijke verantwoordelijkheid voor de totale inzet van alle talenten voor het bedoelde ideaal of zaak. 

Als we dan toewijding kunnen zien als een bewuste, richting gevende beslissing in ons bestaan krijgen we een betere visie op “toewijding aan het apostolaat”. Een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van het woord “apostolaat” is dan onmisbaar. De Grote van Dale geeft voor apostolaat zes verschillende varianten die allemaal een godsdienstige indicatie inhouden. Drie varianten die ik voor onze reflectie het meest belangrijk acht zijn: dat apostolaat betekent “werkzaamheid als apostel”, ofwel de “activiteit van de kerk ter verbreiding van het geloof”, ofwel de “houding en activiteit van de kerk die gericht is op de wereld.”[iv] Deze drie varianten vertegenwoordigen in ons leven de zending, het doel van de zending, en de mensen op wie de zending gericht is

Als we nu heel in het kort kijken naar de kerkelijke leer dienaangaande vallen mij tussen de massa verwijzingen voornamelijk twee dingen op. Eerst, de kerk kijkt naar de rol van individuen in het geheel van de gemeenschap. Het Tweede Vaticaanse concilie zegt b.v. in het decreet over het apostolaat van de leken: “In het organisme van een levend lichaam is er geen enkel lidmaat dat puur passief tegenwoordig is. Wat deelneemt in het leven van het lichaam neemt tegelijkertijd deel in zijn activiteiten.[v]  Apostolaat is daarom niet een extra toevoegsel dat van buiten af aan de gemeenschap is toegevoegd, het is juist de ontwikkeling van een individu binnen de gemeenschap. Wanneer het begrip “apostolaat” scherper wordt toegepast op religieuze aspecten, zegt hetzelfde document: “Daarom rust op alle christenen de edele taak er aan te werken dat alle mensen over de gehele wereld de goddelijke boodschap van verlossing horen en aannemen.[vi] Apostolaat is daarom niet een voorrecht dat aan sommigen uitverkorenen is voorbehouden. Het is een recht en plicht voor iedere mens, maar binnen deze algemene opdracht hebben sommige mensen een speciale taak, zoals we b.v. aannemen voor orde-stichters, enz.  Op dit ogenblik is mijn vraag: “wat betekent toewijding aan het apostolaat voor Liberman en zijn congregatie?” 

II.             Libermann en Toewijding aan het apostolaat

De gehele levensdrang van Frans Libermann was gericht op één centraal punt, namelijk, de vestiging en de verdieping van Gods liefde in de harten van de mensen. Of we nu onze aandacht richten op zijn brieven, op zijn conversaties, op zijn dienstbaarheid aan anderen, op zijn arbeid voor de meest verlaten zielen, op zijn stichting van een religieuze, missionaire communiteit en de opheffing daarvan om zich te fuseren met de congregatie van de H. Geest, overal vinden we die drang naar een vestiging en verdieping van Gods liefde onder de mensen. Die drang was de diepste stuwkracht van zijn leven en activiteit. Die drang werd werkelijkheid voor hem door toewijding aan de dienst van God. Deze toewijding was niet een van buiten af opgelegde taak. Het was de innerlijke beweegreden voor zijn leven en persoonlijkheid. Wat hij voelde in zijn ziel had een onweerstaanbare invloed op zijn denken en handelen. Het begrip “apostolaat” was voor hem identiek met mens zijn en christen zijn.

Het kan dan geen verwondering wekken dat het woord “apostolaat” zo gemakkelijk uit zijn pen vloeide. We zien het als de leidende gedachte in zijn Règle Provisoire waarin hij schrijft dat: “Het apostolisch leven is niets anders dan het leven van totale liefde en heiligheid dat de zoon van God geleid heeft op aarde voor de redding en heiliging van de zielen en waardoor hij zich heeft opgeofferd aan de glorie van zijn vader.[vii]  In dit éne begrip, apostolisch leven, beschrijft hij, als het ware, het leven van Jezus als zending, als zelf gave, en als zelf opoffering voor de verlossing van de mensen en de glorie van God.  Aan het begin van de Règle Provisoire noemt hij de congregatie van het H. Hart van Maria “een vereniging van priesters die in naam van en als afgezanten van Onze Heer Jezus Christus, zich geheel toewijden aan de verkondiging van het evangelie en aan de stichting van Zijn rijk onder de armste en meest verlaten zielen in de kerk Gods.”[viii]

Het begrip “toewijding” is hem uit het leven gegrepen. Hij gebruikt het heel dikwijls en wat het in zijn gedachten betekent legt hij terloops uit in een felicitatie brief aan Mr. Conny  voor diens wijding tot subdiaken: “Wat een geluk moet het zijn om je geheel en al aan God toe te wijden, het lijkt me het enige waar ik naar zou verlangen als God het zou toestaan.”[ix] Hij ziet deze toewijding in het subdiaconaat als een bijzondere genade waarin een persoon door God als het ware uit het gewone wereldse gedoe naar voren getrokken wordt om begenadigd te worden met een  onmetelijke heiligheid.[x]  Maar hij waarschuwt meteen dat deze heiligheid zijn gewone menselijkheid helemaal niet wegneemt. Hij vervolgt: “Nu moet je niet denken dat je zo veranderd bent dat al je fouten verdwenen zijn en dat je van nu af aan zult zijn als de engelen in de hemel die leven zonder vrees, zonder wantrouwen en zonder bekoringen. Je vlees zal altijd vlees blijven, dat wil zeggen, het blijft altijd miserabel, zwak, arm, vol corruptie en zonde. Maar wat geeft dat voor een ziel die geheel in God leeft, die niet op deze aarde gericht is en die geen andere vreugde of geluk kent dan God alleen aan wie zij geheel toebehoort?  Wees daarom niet ongerust over je zwakheden en bekoringen. Geef je ziel over aan hem die zoveel recht daarop heeft en haar aangenomen heeft om haar nooit meer te laten gaan.[xi]               

Toewijding aan het apostolaat betekent voor Libermann de inzet van de gehele persoonlijkheid tot de roeping om het rijk van Gods rechtvaardigheid en liefde te vestigen waar het nog niet bestaat,  te bevestigen waar het onzeker kan zijn, te ondersteunen en versterken waar het zwak of wankelend is. De toewijding aan het apostolaat is voor hem zo belangrijk dat hij een speciale acte van toewijding als een belofte toevoegt aan de religieuze geloften die niet expliciet over apostolaat spreken.[xii]  Toewijding aan het apostolaat is zo belangrijk dat hij opnieuw een speciale toewijding vraagt op het ogenblik dat men actief aan het apostolaat begint.[xiii]

De tijd laat niet toe om uitgebreide citaten over dit punt uit Libermann’s leer en leven te geven en uit te werken. Laten we echter een ogenblik nemen om te zien hoe die leer in de geschriften van onze congregatie vandáág wordt weergegeven. Hiervoor keer ik me nu naar onze Spiritijnse Leefregel.

 

III.               Toewijding aan het apostolaat in de Spiritijnse Leefregel.  

Onze leefregel geeft geen aparte beschrijving van een toewijding aan het apostolaat. In tegendeel, ze schijnt het te identificeren met de eeuwige geloften. Zo lezen we b.v. onder de titel “Professie voor het leven”: “Door de definitieve toewijding aan het apostolaat spreken wij ten volle uit, wat reeds in het diepst van het hart de intentie was bij onze eerste geloften: ons voor altijd geven aan God in de spiritijnse familie.”[xiv]  De toewijding aan het apostolaat is echter zo intiem verbonden aan het wezen van de congregatie dat toetreden daarin zonder de intentie voor apostolaat een essentiële tegenspraak zou zijn. “In het hart van het volk Gods en temidden van de grote verscheidenheid van roepingen die de H. Geest verwekt, worden wij, spiritijnen, geroepen door de Vader en “afgezonderd” om in navolging van zijn Zoon de blijde boodschap van het koninkrijk te verkondigen.[xv]

De roeping tot het apostolaat hoort bij het “spiritijn zijn”. Welke vorm dit apostolaat aanneemt wordt sterk beïnvloed door de tijd waarin we leven, maar het moet wel de karakteristiek hebben van een reactie te zijn op een moeilijk te vervullen taak in kerk of samenleving. Voor Libermann was deze nood belichaamd in de meest erbarmelijke en mensonterende toestand van de slavernij. De slaven waren in die tijd de “zwarten”. Vandaar zijn bezorgdheid voor het werk onder de zwarten. De bezorgdheid voor de diepste noden in kerk en maatschappij blijft ook ons doel in de geest van Frans Libermann, maar het object verschuift. Uit de vele voorbeelden en mogelijkheden die onze leefregel aan geeft doe ik maar een kleine greep. Zo zegt onze leefregel: “In de kerk nemen wij deel aan de zending van Christus door de verkondiging van het heil. (no 11)  De accenten die de kerk momenteel legt in haar zending maken wij tot de onze:

-         de universele zending als verantwoordelijkheid van de kerken in gemeenschap met elkaar;

-         zending als verkondiging van het evangelie en als stichting van nieuwe kerken,

-         zending als dienst aan en als bevrijding van de mens,

-         zending als dialoog,

-         zending als inculturatie van de boodschap in iedere lokale kerk.[xvi]

 

Het gaat in de tegenwoordige tijd niet meer alléén om fysieke armoede of schending van de menselijke waardigheid, het gaat om de totale menselijke persoonlijkheid die door verregaande secularisatie en individualisatie lijkt te vervlakken tot een bestaan dat geheel binnen het bereik valt van menselijke rede en berekening. De mens wordt dan een beeld van God waaruit de goddelijke kern verwijderd is. De toewijding aan het apostolaat die onze leefregel voorstelt wil deze diepte juist wél insluiten. Zo zegt onze leefregel: “De charisma’s van onze stichters, Poullart des Places en Libermann,  en de trouw aan onze traditie sporen ons aan om, in onze tijd,  op creatieve wijze, antwoord te geven op de behoefte aan evangelisatie.”  En verder: “Ons doel is: het brengen van de blijde boodschap aan de “armen”.  Wij gaan dus heel speciaal naar die volken, groepen en personen die nog niet of nauwelijks de boodschap van het evangelie hebben gehoord, naar hen die in grote nood verkeren, en naar de verdrukten. Wij aanvaarden ook gaarne die taken waarvoor de kerk moeilijk werkers kan vinden.[xvii] 

Het spiritijnse charisma, ontvangen en geleefd door Libermann, beschreven in zijn brieven en werken, medegedeeld aan zijn congregatie als een toewijding aan het apostolaat wordt ook ons aangeboden. Het is onze taak geworden om de eeuwige waarden te beleven in onze eigen tijd, op een eigentijdse manier en daarmee kerk en gemeenschap te inspireren. Tijden veranderen, doelstellingen moeten opnieuw worden ingesteld, maar het is de adem van Gods geest die richting moet geven en die het aanschijn der aarde zal vernieuwen.

Cornelis J. van der Poel, cssp

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


[i]  In deze voordracht maak ik vrij gebruik van mijn vroegere studie Consecration in an Institute of Apostolic Life,  gegeven in een studie maand van het International Centre for Research and animation of the Congregation of the H. Ghost, gehouden te Gentinnes, Belgie, Augustus 1983. Als ook van een voordracht die gegeven is te Halfweg op 2 Februari 1999,  Apostolische Toewijding en Praktische Eenheid

[ii]  Dictionnaire de Spiritualité Ascétique et Mystique, vol IIB, p. 1576

[iii]  De Grote van Dale, onder Toewijding.

[iv] De Grote Van Dale, onder Apostolaat

[v] Decreet over het apostolaat van de Leken, Vaticanum II, 1965. Austin Flannery, Conciliar and Post-conciliar Documents, ed. 1981, p. 768.

[vi] Op. cit. p. 769.

[vii]  Notes et Documents II, p. 290. Zie ook N.D. X, p.505 Esprit de Congregation.

[viii]  Notes et Documents II, p. 235-236

[ix]  Lettres Spirituelles I, p. 519

[x] Op. cit. p.520

[xi] Op. cit. p.520

[xii]  Notes et Documents X. p.498

[xiii]  Notes et Documents X , p. 503

[xiv]  Spiritijnse Leefregel, Congregatie van de H. Geest.  1987, p. 67, no 133

[xv]  Op. cit. p. 9, no 1

[xvi]  Spiritijnse Leefregel  nos 11, 13.1

[xvii]  Spiritijnse Leefregel, nos 2, 4.