Eerste Missies van de Congregatie van het H. Hart van Maria

 

In 1779 was Sénégal toevertrouwd aan de Spiritijnen. Dit betekende in feite dat ze waren gebonden aan het pastoraal werk onder de Franse burgers en militairen. Zij trokken niet de binnenlanden in. Fourdinier, de Algemeen Overste, dacht wel aan het binnenland. Met behulp van zuster Javouhey had hij drie Afrikaanse studenten naar Frankrijk laten komen. Hij schreef hierover aan de Congregatie van de Voortplanting van het Geloof:

Als deze Afrikanen priester gewijd worden, wat ik hoop, dan kunnen zij het geloof naar het binnenland van Afrika brengen. Zij kunnen stroomopwaarts de rivier de Sénégal volgen, iets wat voor blanken onmogelijk is vanwege de hitte. Wat er ook van komt, het is altijd een groot voordeel uit ervaring te leren dat zwarten net zo goed als blanken theologie kunnen studeren en priester kunnen worden.

Vanwege de problemen in Frankrijk kwam Fourdinier niet meer toe aan het uitvoeren van zijn plannen nog meer kandidaten naar Frankrijk te halen en ze daar voor te bereiden.

Op 28 September 1842 schiep Rome het immense Vicariaat van de twee Guinea’s en Sierra Leone. Een Amerikaans priester, Edward Barron, was met enkele metgezellen naar Liberia getrokken om daar te werken onder de plaatselijke bevolking en onder de bevrijde Amerikaanse slaven die zich daar gevestigd hadden. Barron werd de eerste bisschop van het nieuwe vicariaat. Hij zocht hiervoor overal missionarissen, eerst in Frankrijk en later in Amerika. Hij vond ze niet. Terug in Frankrijk en moedeloos van het zoeken, ging hij de H. Mis lezen in de kerk "Notre Dame de Victoires". Hij sprak er met pater Desgenettes.

Kort tevoren was Libermann ook bij Desgenettes geweest om te spreken over zijn problemen. Hij had een noviciaat vol met enthousiaste kandidaten, maar had geen werkterrein voor hen. Vanwege politiek omstandigheden was het niet langer mogelijk missionarissen te sturen naar Haïti, Réunion en Mauritius.

Desgenettes bracht Barron en Libermann bij elkaar. Libermann beloofde meteen vijf missionarissen en spoedig daarna nog eens twee. Om ze reisvaardig te maken bracht Libermann 24 ton goederen bij elkaar. De nieuwe missionarissen waren daar helemaal niet zo blij mee. In hun enthousiasme en idealisme dachten ze voldoende te hebben aan een kruisbeeld en een brevier (gebedsboek voor priesters). Met hun bagage kwamen ze op 29 November 1842 in Liberia aan samen met drie leken, die Mgr. Barron als broeders bestempelde, maar die helemaal niet voorbereid waren. De nieuwkomers wilden zich meteen zo volledig mogelijk aan de Afrikaanse leefgewoonten aanpassen. Ze liepen zonder tropenhelm, dronken ongezuiverd water en lieten het voedsel dat Libermann mee gestuurd had voor wat het was. Het gevolg was dat binnen drie weken zeven van hen ziek waren. Drie stierven er in korte tijd.

Toen de bisschop het slechte nieuws hoorde, stelde hij voor elders te beginnen. Hij dacht aan Bassam, Assinia en Gabon. Het schip waarmee ze reisden, kon niet alle bagage meenemen. Pater Bessieux en een lekebroeder bleven daarom achter. De reizigers kwamen in Bassam aan, maar daar heerste een of andere epidemie zodat ze niet aan land konden. Ze moesten allemaal verder, maar hoorden wel dat in Assinia en Gabon niets voor hun komst was voorbereid. Bij het aan land gaan in Assinia, gingen de matrozen zo slordig met de bagage om dat het grootste deel in zee terechtkwam. Van hieruit vertrokken er drie van de groep over land naar Bassam.

Zowel in Bassam als in Assinia bleek al spoedig dat het zo goed als onmogelijk was echt te beginnen. Bisschop Barron besloot om samen met een pater terug te gaan naar Sénégal om daar de terugkomst van allen voor te bereiden. Zijn reisgenoot stierf onderweg. De boot legde aan in Bassam. De bisschop vond  de confraters daar terug in erbarmelijke omstandigheden. Ze waren ziek met hoge koorts en diarree. Een van de paters  vertrok daarom met de bisschop naar Sénégal. Ondertussen stierf er een lekebroeder in Assinia. De bisschop wilden allen laten evacueren, maar pater Laval was te zwak en stierf. De drie anderen kwamen uiteindelijk weer terug in Frankrijk. Ook in Bassam stierf weer een pater. Broeder Gregory bleef alleen achter.

Pater Bessieux en de lekebroeder die bij hem was gebleven in Liberia, werden opgehaald en ook broeder Gregory kwam op die boot. Op 28 September kwamen ze in Gabon aan en hoewel zeer verzwakt en ziek, besloten ze daar te blijven. Dank zij de zorg van een Franse dokter en de hulp van een Franse commandant, herstelden zij. Ze begonnen meteen met het leren van de inlandse taal. De metgezel van pater Bessieux was door een zonnesteek krankzinnig geworden en was doorgereisd. Hij stierf op zee. Bisschop Barron was zo ontmoedigd, dat hij naar Rome vertrok.

Uiteindelijk kwam al dit slechte nieuws ook in Neuville aan waar Libermann de novicen informeerde. Er deden al allerlei geruchten de ronde en Libermann werd beschuldigd als een krankzinnige jonge mensen op te offeren voor de meerdere eer, roem en glorie van zichzelf. Het slechte nieuws dat Libermann de novicen meedeelde bracht een totaal onverwachte reactie. Alle novicen meldden zich als vrijwilliger voor de twee Guinea’s!

Hoewel hij niet van plan was "Donker Afrika" te laten schieten  verbood Libermann, om de vurigheid te temperen, het zelfs maar ter sprake te brengen. In Januari 1845 had de Congregatie van de Voortplanting van het Geloof het continent toevertrouwd aan de congregatie van Libermann. Libermann was echter niet van plan zijn priesters uit te zenden om ze daar als vliegen te laten sterven. Hij begon dus plannen te ontwerpen voor de vorming van een inlandse clerus. Zo kwam hij dus tot dezelfde gedachte als Fourdinier, de Algemeen overste van de Congregatie van de H. Geest.

Toch zond hij drie man versterking. Het waren deze keer mensen met ervaring in Haïti, waar  ze zich hadden moeten terugtrekken vanwege politieke problemen. Hij gaf hun strikte instructies zich te verzorgen en tijd te nemen te acclimatiseren.

Een van de drie nieuwe mensen was pater Tisserant. Hij werd benoemd tot Apostolisch Prefect. Vanwege ziekte reisde hij later dan de twee anderen, maar kwam om in een scheepsramp en bereikte nimmer Afrika. Hij werd vervangen door pater Jérome Gravière die vertrok met nog twee metgezellen. Later volgden nog weer meer paters.

Leguay was Algemeen Overste van de Congregatie van de H. Geest op dat moment. De relatie met de congregatie van Libermann was niet goed. Leguay weigerde de nieuwkomers van Libermann aan te bevelen bij zijn eigen mensen. Op het werkterrein overkwamen persoonlijke contacten tussen hen de meningsverschillen.

De situatie was zeer ingewikkeld omdat de kerkrechtelijke verdeling van het gebied, toevertrouwd aan de respectievelijke congregaties, niet duidelijk was. De spiritijnen hadden Sénégal gekregen en alle daarvan afhankelijke gebieden. De Congregatie van het H. Hart van Maria had alle niet bezette gebieden van de Afrikaanse westkust. De grootste verschillen kwamen echter voort uit het verschil in de manier van werken van de twee congregaties.

De mannen van Libermann maakten nog vele fouten in aanpak en persoonlijk verzorging, in hun contact met de Franse autoriteiten en met de plaatselijke bevolking. Verschillende keren stond hun missie dan ook op instorten.

Libermann reageerde ook positief op een vraag van een bisschop van Australië om daar te komen werken. Van de beloften en afspraken gemaakt door de bisschop kwam niets. Zelfs de beschrijving van het werk bleek niet te kloppen. Zij waren gevraagd voor de aboriginals die in grote getale aanwezig zouden zijn. Maar er waren er praktisch geen te vinden op de plaats waar zij werden benoemd. De missionarissen ontvingen ook totaal geen materiële en financiële steun van de bisschop. Ze zochten daarom hun eigen weg, maar moesten opgeven.

Terug naar het begin van de bladzijde.