De Congregatie van de H. Geest
Erkenning en Groei

Na de dood van Claude-François Poullart des Places kozen de geassocieerde paters hun collega Garnier als Algemeen overste. Zes maanden later, in Maart 1710 stierf hij, gebukt zowel onder de last van zijn taak als wel onder gevolgen van de strenge winter van 1709.

 

Pater Louis Bouic werd gekozen als zijn opvolger. Hij had zich pas vier maanden hiervoor aangesloten. Hij zou 17 maal herkozen worden en 53 jaar Algemeen overste blijven. Onder zijn leiding begon het Seminarie steeds meer spiritijnen (priesters die hun opvolging hadden genoten op het seminarie van de H. Geest) naar de missie te zenden.

Strijd voor de wettelijke erkenning

De Congregatie van de H. Geest begon als een diocesaan instituut geplaatst onder het gezag van Kardinaal de Nouailles, bisschop van Parijs. Spoedig kreeg de Congregatie te maken met oppositie. De machtige Sorbonne voelde zich met minachting behandeld omdat de seminaristen op het seminarie van de Congregatie van de H. Geest uit principe daar niet kwamen studeren. Het Gallicanisme reageerde geërgerd op de onvoorwaardelijke trouw van de Congregatie aan de H. Stoel. Het Jansenisme was geweldig kwaad omdat zij geen invloed kreeg op de toekomstige priesters op dat seminarie. De tegenstanders slaagden er in Kardinaal de Nouailles achter zich te krijgen. Spoedig bemoeide ook het Franse parlement zich met de zaak.

Er werd een goede gelegenheid gevonden voor een frontale aanval. In 1723 liet een vroom priester, Charles le Baigne, 44000 pond na aan de jonge stichting. Hij deed dat op voorwaarde dat die een seminarie zou openen in de parochie van St. Medard. De familie van le Baigne was daar helemaal niet blij mee en beschuldigde de Congregatie ervan dat zij geprofiteerd had van de vroomheid van hun familielid. Zij gingen een rechtszaak aan. Spoedig daarop kwam de Sorbonne met de beschuldiging dat de Congregatie de rechten van de Universiteit schond door te weigeren daar te gradueren.

h._geest_begin.jpg (764 bytes)

De stok om te slaan werd gevonden in een wet van 1666 die de stichting van colleges, kloosters of gemeenschappen verbood zonder koninklijk verlof. De Congregatie zou zelfs geen recht van bestaan hebben. De wet voorzag echter in een uitzondering voor seminaries onder gezag van de lokale bisschop. De kardinaal van Parijs had zich echter bij het andere kamp geschaard en verklaarde dat het bisdom voldoende seminaries had en geen behoefte had aan een nieuw seminarie, ook niet aan een gewijd aan de H. Geest.

Gelukkig had de Congregatie ook machtige beschermers en deze slaagden er in de nodige papieren van de koning los te krijgen. Er werd zelfs een subsidie van 600 pond aan toegevoegd en de bekrachtiging om de erfenis van de priester Le Baigne in ontvangst te kunnen nemen. De oppositie in het parlement was echter zo sterk dat deze er steeds weer in slaagde de beslissing te blokkeren.

In 1734 kreeg de Congregatie eindelijk de legale status. Het geld van de erfenis was intussen echter ergens verdwenen.

h._geest_begin.jpg (764 bytes)

Groei van de Congregatie

Ondanks de vele steun en de vele giften was de financiële situatie van de Congregatie altijd precair vanwege de grote aantallen studenten. Toch kon in 1732 begonnen worden aan de bouw van een nieuw en groter seminarie (aan de huidige Rue Lhomond in Parijs). Het was klaar in 1734. Van toen af gingen de studenten niet langer college volgen bij de Jezuïeten, maar volgden de lessen op hun eigen seminarie.

Het was ook de tijd dat meer eigendommen verkregen werden, vooral vanwege donaties (Gentilly, Sarcelles, Orleans). Steeds meer bisschoppen zonden hun seminaristen naar het seminarie van de H. geest of vroegen de spiritijnen de directie van hun seminaries op zich te nemen.

Het waren allemaal klappen in het gezicht van het Jansenisme, die dan ook niet stil bleef zitten. Valse beschuldigingen, anonieme pamfletten, enz. waren het gevolg. Het Hooggerechtshof en het Parlement van Lorraine kwamen er aan te pas. Hoewel de Congregatie de processen won, wilde dit geenszins zeggen dat het Jansenisme zich gewonnen gaf. Vooral geschriften van de spiritijnse theoloog Fr. Becquet moesten het ontgelden.

Pater Becquet werd in 1763 tot Algemeen overste gekozen. Hij was meer theoloog dan manager en spoedig bevond de Congregatie zich weer in grote financiële moeilijkheden. Zij werd gered door de Aartsbisschop van Parijs.

Toch is de periode van het mandaat van pater Becquet belangrijk geweest voor de Congregatie en wel om twee redenen:

1   -voor de eerste keer in de geschiedenis kreeg de Congregatie gebieden toegewezen die de geestelijke zorg daar onder haar jurisdictie bracht,

2    -voor de eerste keer in de geschiedenis zond de Congregatie eigen leden uit naar gebieden overzee.

 

Terug naar het begin van de bladzijde.