Van de Restauratie tot de Fusie in 1848

 

Pater Jacques Bertout was de metgezel geweest van pater de Glicourt op de reis naar Guyana die schipbreuk leed. Terug in Frankrijk werd hij professor in de theologie. Vervolgens wordt hij eerste Assistent van de Algemeen Overste die zijn oom was en was zo getuige van de verschrikkingen van de revolutie. Hij moest vluchten naar Engeland omdat verraden werd dat hij doorging met zijn pastorale activiteiten.

In 1802, na het sluiten van de vrede, keerde hij meteen terug naar Parijs. Hij vond een Algemeen Overste die niet meer in staat was zijn taak te vervullen. Alles moest weer van de grond worden opgebouwd terwijl de leden overal verspreid waren en velen van hen al blijk hadden gegeven niet meer geïnteresseerd te zijn in een nieuw begin.

Doorzetter
Zelfs zonder geld, huis, studenten en personeel wilde Bertout niet opgeven. De eerste stap was te proberen van de regering een vergunning te krijgen voor de restauratie van de gebouwen. Anderen zaten met hetzelfde probleem. Er werd dus een gezamenlijk verzoek geschreven door de Lazaristen, de Missions Etrangères de Paris en de Spiritijnen. Als antwoord op un verzoek vaardigde Napoleon het besluit uit dat ze een fusie moesten aangaan om te komen tot één missionair instituut. De drie zagen de mogelijkheid hiervoor echter niet. De paus kwam naar Parijs vanwege de kroning van Napoleon. Hij presenteerde een memorandum van 12 punten die de kerk in Frankrijk aangingen. Een van de artikelen betrof de restauratie van de Congregatie van de H. Geest en van haar seminarie.

h._geest_begin.jpg (764 bytes)

"La Chyperie"Terug
Het jaar daarop vaardigde Napoleon inderdaad een besluit uit waarin de congregatie wettelijk werd erkend en werd ook haar eigendom "La Chyperie" te Orléans teruggegeven. De andere vroegere bezittingen waren echter verkocht.

La Chyperie kon het doel van de Congregatie maar moeilijk dienen en Bertout werkte aan de teruggave van de andere vroegere bezittingen. In afwachting daarvan huurde hij een gebouw in de "rue Cherche-Midi" om daar een college en klein seminarie te beginnen. In 1824 werd dit seminarie overgebracht naar een gebouw vlak bij het vroegere "moederhuis" in rue Lhomond.

Napoleon kwam in conflict met de paus en bekend met de trouw van de Congregatie van de H. Geest aan de paus, vaardigde hij een wet uit tot opheffing van de Congregatie. Bertout ging echter gewoon verder met het college en het seminarie. Ook in de kolonies werd niet gestopt met het werk  voor het herstel van het geloof.

Vraag naar Priesters voor Kolonies
Na de val van Napoleon en de restauratie van de monarchie werden weer grote aantallen priesters gevraagd voor de kolonies. Bertout maakte duidelijk dat hij niet veel kon doen zolang de wettelijke status van de Congregatie niet hersteld was en de vroegere bezittingen niet waren teruggegeven.

h._geest_begin.jpg (764 bytes)

Gevolg: Herstel
Dat resulteerde, op 3 Februari 1816, in een koninklijk besluit tot herstel van de Congregatie van de H. Geest en tevens in de opdracht de Franse kolonies te voorzien van priesters. De Congregatie ontving hiervoor een subsidie van 5.000 francs per jaar. Het besluit tot teruggave van de bezittingen bleek tegen het concordaat te zijn. Toch kon Bertout in 1817 een groot-seminarie openen in een gehuurd gebouw terwijl hij doorging met te ijveren voor de teruggave van de bezittingen.

Uiteindelijk stond de regering toe dat Bertout het vroegere seminarie en z.g. Moederhuis terug kocht en tot zijn grote verrassing betaalde de regering zelfs de rekening. In die tijd was er een kweekschool gevestigd die echter niet bereid bleek het gebouw te verlaten. Vanwege een meningsverschil tussen de school en Koning Lodewijk XVIII hief deze in 1822 de school tijdelijk op en  kon Bertout het gebouw in gebruik nemen.

Instituut wordt Pauselijk
In Rome had de "Voortplanting van het Geloof" de ontwikkelingen gevolgd en maakte de Congregatie duidelijk dat ze graag zou zien dat deze haar regels zou hebben. Bertout legde haar ter goedkeuring een ontwerp voor. Op 7 Februari 1824 veranderde de Congregatie van een diocesaan instituut tot een pauselijk instituut, maar met de clausule dat de aartsbisschop van Parijs het recht behield de benoeming van de Algemeen Overste te bevestigen.

h._geest_begin.jpg (764 bytes)

Nieuwe Gevaren
Met het herstel van de monarchie kwam ook het Gallicanisme weer op. In 1816 verplichtte de regering zelfs om op de seminaries de Gallicaanse principes te onderwijzen, wat de Congregatie traditiegetrouw, natuurlijk weigerde. De relatie met de regering verstroefde hierdoor.

Een volstrekt ander probleem ontstond toen een commissie van Franse bisschoppen besloot een "Instituut voor Hogere Kerkelijke Studies" op ter richten en dit te vestigen in rue Lhomond. Dit was blijkbaar gedaan met de bedoeling het seminarie van de H. Geest te doen verdwijnen. Elk bisdom zou twee priesters leveren voor de kolonies. Met veel diplomatie wist Bertout dit te vermijden.

Godsdienstvervolging
Godsdienstvervolging werd sterker in 1828. De Jezuïeten moesten hun college sluiten en in het parlement werd de opheffing van de Congregatie van de H. Geest weer besproken. De eindstemming viel uit ten gunste van de Congregatie.

Plunderingen
In 1830 werd de monarchie van de Bourbon’s verdreven en volksbendes plunderden alles wat Bertout met zoveel moeite weer had opgebouwd. De nieuwe regering van Koning Philippe moest niets van de Congregatie hebben en wilde haar priesters uitsluiten van werk in de kolonies. Bertout werd gedwongen het klein-seminarie te sluiten. Vervolgens werden alle subsidies afgesneden wat Bertout noopte tot het naar huis sturen van alle groot-seminaristen. Met de hulp van de congregatie van de "Voortplanting van het Geloof" in Rome kon hij het groot-seminarie weer openen in 1831, maar vanwege de beperkte middelen, slecht voor kleine aantallen studenten. Het gevolg van dit alles was, dat zijn medewerkers de moed verloren.

Cholera
In 1832 brak cholera uit onder de Franse militairen en wel in zulke aantallen dat de ziekenhuizen te klein waren. Bertout stemde er in toe dat het seminarie gebruikt werd als nood-hospitaal. Eenmaal de epidemie voorbij, weigerde de regering de gebouwen terug te geven. Dat was teveel voor Bertout . Hij stierf op het eind van het jaar 1832.

h._geest_begin.jpg (764 bytes)

De Kleine Rest
Na zijn dood bleven er maar drie paters van de H. Geest over: de neef van pater Bertout (Aimable Fourdinier), een mentaal zwakke pater Hardy en een recent ingetreden jongeman (pater Carandiou), die later uittrad. Fourdinier werd de nieuwe Algemeen Overste.

Zijn eerste taak was door het werven van nieuwe leden van de Congregatie te versterken. Hij slaagde daarin. Vervolgens begon hij te onderhandelen met de regering over het teruggeven van de gebouwen. Hij kreeg hiervoor de steun van de minister van de Marine. In 1835 kon de Congregatie het seminarie weer betrekken.

Het grote probleem waarvoor nu nog een oplossing gevonden moest worden, was de financiering. Deze was op dat moment volledig afhankelijk van giften.

Afschaffing Slavernij
De plannen voor de afschaffing van de slavernij kwamen de Congregatie te hulp. De regering voorzag problemen als niets gedaan zou worden om de vrijheid van de slaven voor te bereiden. Dus werd er een plan opgesteld voor het stichten van scholen en kerken. De regering begon er achter te komen dat ze haar eigen plannen had gedwarsboomd door de Spiritijnen dwars te zitten. De Algemeen Overste kreeg een brief met daarin o.a.:

Het seminarie van de H.. Geest is het enige instituut dat uit de aard van haar doelstelling in staat is de juiste vorming te geven en de kolonies te voorzien van priesters die betrouwbaar zijn. En dit is niet alleen vanwege het hoge opleidingsniveau en hun goed gedrag, maar ook vanwege de speciale roeping en ijver (van de Congregatie) die direct gericht zijn op de zeer specifieke situatie waar het (in de kolonies)om gaat en vanwege de eenheid van de leerstof die alle kandidaten moeten volgen. Daarom vertrouwen wij uitsluitend aan u, pater, de opvoeding en de keuze van de priesters toe en het opstellen van de algemene richtlijnen voor hen die gekozen worden om te werken aan de moeilijke en zeer zware taak van de morele vorming van de zwarten in de kolonies.

Benoemingen en  CSSpRegeringsfunctionarissen
De situatie zoals die beleefd werd in de kolonies was heel anders. Daar hadden regeringsfunctionarissen zich al lang bemoeid met benoemingen. Er waren priesters naar de kolonies gegaan van twijfelachtige reputatie. Om toch respect te krijgen deden ze zich voor als paters van de H. Geest. Het gevolg was wel dat de Congregatie daardoor een slechte naam begon te krijgen. Rome was echter niet bereid de Algemeen Overste autoriteit te geven over de priesters in de kolonies. Wel mocht hij later proberen al de priesters die zich wilden laten overtuigen, in de Congregatie op te nemen. De priesters voelden daar echter niet veel voor. Hij probeerde het opnieuw door de regels van de Congregatie te versoepelen, vooral die regels die de armoede betreffen.

h._geest_begin.jpg (764 bytes)

Verzoek
In 1840 richtte zich een seminarist met de naam Frederique le Vavasseur tot de Algemeen overste, pater Fourdinier. Le Vavasseur was afkomstig van de Réunion. Hij vertelde dat er een groepje seminaristen was dat een nieuwe congregatie wilde oprichten voor de evangelisatie van de slaven in de kolonies. Hij zei dat ze zich wilde stellen onder de bescherming van de Congregatie van de H. Geest om zich te verzekeren van kerkelijke en staatsrechtelijke erkenning. Ze wilden zich niet volledig bij de Congregatie aansluiten, omdat ze kloosterlingen wilden zijn en geen wereldheer.

Libermann
Hun leider, François Libermann streefde ernaar hen in de kolonies te laten werken naast de paters van de H. Geest. Hun leden zouden zich vooral bemoeien met de verwaarloosde slaven terwijl de paters van de H. Geest verder zouden kunnen werken binnen de routine van de structuren van de parochies. Fourdinier zag daar niets in omdat hij verwachtte dat het alleen maar moeilijkheden op zou leveren. Verder had hij ook wel de geruchten vernomen dat die Libermann in bepaalde kerkelijke kringen bekend stond als een ambitieuze bekeerde jood met grootheidswaanzin. Fourdinier verbrak de contacten.

Fourdinier stierf in 1845. De opvolging van Fourdinier was moeilijk. Niemand van de leden van de Congregatie die zich in Parijs bevonden, was bereid de taak van Algemeen overste op zich te nemen. Uiteindelijk ging pater Nicolas Warnet akkoord op voorwaarde dat hij af zou kunnen treden zo snel een nieuwe kandidaat gevonden was.

Fusie?
In die tijd benaderde Rome pater Libermann met het voorstel te fuseren met de Congregatie van de H. Geest. Warnet zag het belang daarvan wel in, maar omdat hij zich slechts zag als een overgangsfiguur, wilde hij de hand van zijn opvolger niet forceren.

h._geest_begin.jpg (764 bytes)

Nieuwe Algemene Overste
De Vicaris Generaal van het bisdom Perpignan, Alexandre Leguay was een goede vriend van de Congregatie. Hij werd benaderd voor de taak van Algemeen Overste en hoewel hij op de nominatie stond om bisschop van Perpignan te worden, ging hij op het aanbod in.

De nieuwe overste wilde echter niets weten van een fusie met de volgelingen van Libermann. De zorg van de verwaarloosde slaven behoorde gewoon bij de pastorale taken van een pastoor van een parochie, vond hij. Om meer kandidaten te kunnen trekken stelde Leguay nieuwe regels op voor de Congregatie , maar hij vergat dat hij niet het recht had regels van een pauselijk instituut te veranderen. De "Voortplanting van Geloof" gaf hem de nodige dispensatie, maar slechts voor één jaar.

Leguay had opgevangen dat de regering een plan aan het opstellen was voor de pastorale activiteiten in de kolonies waar voor de Spiritijnen geen plaats meer was. Hij deed onmiddellijk de nodige stappen waarna de regering verzekerde dat de Spiritijnen niet buiten het nieuwe plan gesloten zouden worden.

Onderhandelingen met Rome
Om het probleem met de nieuwe regels van de Congregatie op te lossen, stuurde Leguay pater Loewenbruck naar Rome met nieuwe voorstellen. Eenmaal in Rome brak in Parijs in 1848 de Februari revolutie uit. De nieuwe directeur van de kolonies, Victor Schoelcher, was sterk tegen de slavernij. Enkele priesters die Leguay uit de kolonies naar Frankrijk had teruggestuurd, hielpen mee de geruchten aan te wakkeren dat Leguay tegen de afschaffing van de slavernij was. Schoelcher liet duidelijk blijken dat hij af wilde rekenen met de Spiritijnen. Leguay begreep dat de enige manier om de Congregatie van de H. Geest te redden, zijn aftreden zou zijn. Op 2 Maart 1848 werd zijn ontslag aanvaard.

In Rome waren ze zich nog niet bewust wat er zich in Parijs afspeelde. De nieuwe regels werden goedgekeurd. In de praktijk bleken deze echter verwoestend te werken voor het communiteitsleven. Ze brachten overal veel verwarring.

De Congregatie zat met het probleem van de opvolging van Leguay. De vraag wie geschikt zou zijn om de relatie met de regering te verbeteren, speelde hiermee samen.

h._geest_begin.jpg (764 bytes)

Vader van de Negers
Pater Monet  was in 1846 terug gekomen naar Frankrijk vanuit de Réunion waar hij missionaris was. Hij was daar bekend als de "Vader van de Negers" of als een "Tweede Petrus Claver". De regering had hem zelfs benoemd tot Ridder in de Legion d’Honneur vanwege zijn vele verdiensten. Terug in Frankrijk sloot Monet zich aan bij de Spiritijnen. En als Spiritijn keerde hij in 1847 terug naar de Réunion. Vóór hij daar aankwam, had het bericht het eiland bereikt dat de slavernij afgeschaft zou worden. De slaveneigenaren gaven Monet hiervan de schuld. Bij zijn aankomst werd er geschreeuwd: "Weg met Monet" "Dood aan Monet". Hij kon veilig in de pastorie komen maar het bleef dagenlang onrustig. Uiteindelijk besloot de gouverneur hem naar Frankrijk terug te sturen. Het kostte deze wel zijn functie.

Voor Schoelcher was Monet n.l. een held omdat hij zijn leven geriskeerd had voor diens besluit. Toen Monet de nieuwe Algemeen Overste werd, was dit tot grote voldoening van Schoelcher. Dat weerhield deze er echter niet van de subsidies voor het seminarie met 50% te bekorten en te eisen dat Monet zijn kandidaten voor Vicarissen Generaal zou accepteren.

Een van de laatste beslissingen van Monet was het in de Congregatie opnemen van drie nieuwe priesters. Dit gebeurde in Augustus 1848. Het was een provisorische beslissing omdat de fusie met de Congregatie van het Onbevlekt Hart van Maria op het punt stond zich te voltrekken.

Terug naar het begin van de bladzijde