Seminarie van de H. Geest
Rue des Cordiers werd snel te klein. Toen hij hiermee echt in de problemen dreigde te komen kon hij met behulp van vrienden een groter gebouw betrekken in de Rue Neuve Ste. Geneviève, nu Rue Tournefort.
Toelatingseisen
Om op het seminarie toegelaten te worden moesten er buiten de
gebruikelijke voorwaarden, vooral twee anderen vervuld zijn:
Van het begin af werd Claude geholpen met de administratie van het nieuwe gebouw door oudere studenten. Onder hen koos Claude er twee om zijn eerste officiële medewerkers te worden. Na een proefperiode van twee jaar werden ze toegelaten als leden van de Congregatie van de H. Geest.
Societeit?Deze Congregatie van de H. Geest zag Claude als een sociëteit, bedoeld om het oeuvre dat hij gesticht had, het seminarie van de H. Geest, te doen overleven, het goed te laten functioneren en het uit te breiden. Je had dus twee oeuvres,de Congregatie en het seminarie, verschillend maar heel nauw bij elkaar betrokken.
De oorspronkelijke bedoeling was dan ook dat de congregatie een heel beperkt ledental zou hebben. Het was meer bedoeld als een associatie, een vereniging van professoren en directeuren, gekozen vanwege hun talenten en hun bijzondere geschiktheid voor onderwijs, vorming, opvoeding en geestelijke leiding. Ofschoon geen kloosterlingen, dus zonder geloften van seksuele onthouding, armoede en gehoorzaamheid, leefden zij in een gemeenschap, beloofden gehoorzaamheid aan hun oversten en stortten hun inkomsten in de gemeenschappelijke kas.
StudieniveauOndanks het hoge studieniveau konden de studenten geen graden behalen in de theologie. Op de eerste plaats was dit omdat alleen de Sorbonne een doctoraat kon verlenen. Claude stuurde daar niemand naar toe vanwege de zware verdenking van Gallicanisme(streven van de Franse R.K Kerk naar onafhankelijkheid van Rome), Jansenisme (de veroordeelde leer van bisschop Jansenius van Ieperen die een terugkeer naar de leer van Augustinus bepleitte) en Quiëtisme (mystiek-contemplatieve opvatting die het hoogste goed zoekt in de afwending van de wereld en volkomen berusting in Gods wil). Zijn studenten gingen naar het Jezuïetencollege.
Op de tweede plaats was het gevaar groot dat degenen die een doctoraat in de theologie zouden behalen, geneigd zouden zijn steeds weer hogere posten in de Kerk te ambiëren, wat tegen de geest van zijn stichting was.
Claude was niet principieel tegen het behalen van graden. Zijn studenten konden gradueren in bv. Kerkelijk Recht. Het was zeker ook geen anti-intellectuële houding, want het was niet voor niets dat hij zon hoge intellectuele en geestelijke eisen stelde. Steeds meer bisdommen begonnen zich te wenden tot de afgestudeerden van het seminarie van de H. Geest om hen als professoren in de filosofie en de theologie aan te nemen. Afstuderen op het seminarie van de H. Geest werd beschouwd als gelijkstaand met gegradueerd zijn op de Sorbonne.
Belang van studie
Het volgende werd vaak geciteerd als komend van Claude: Een priester
vol ijver voor de zaak van God maar zonder voldoende intellectuele vorming is blind in
zijn ijver en voor een geleerd priester zonder vroomheid is het gevaar altijd groot te
vervallen in ketterij en in opstand te komen tegen de Kerk.
Ongewoon
Men kan zich afvragen waarom Claude niet gewoon een religieuze
congregatie stichtte. In feite brachten de leden toch al de kloostergeloften van
armoede, seksuele onthouding en gehoorzaamheid in de praktijk beleefden. Waarschijnlijk is
de reden dat het voor Claude duidelijk was dat, gezien de situatie van die tijd, regels op
zich ook niet veel zeggen. De geest is belangrijker dan de regel. Ook was er in die tijd
een kerkelijke commissie bezig alle kloosters te sluiten met minder dan 15 leden en dat
aantal had Claude niet. Daarbij kwam ook nog dat het stichten van nieuwe religieuze
instituten verboden werd in Frankrijk. Het stichten van een religieuze congregatie zou
bovendien iets volledig nieuw zijn. De bekende grote religieuze stichtingen van de 17e
eeuw waren allemaal seculiere instituten (Oratorianen, Lazaristen en
Sulpicianen). Iets
nieuws beginnen zou zo extra problemen opleveren.
De regel van 1734 presenteert het seminarie van de H. Geest als volgt: "Conform aan de traditie van Claude priester en onze stichter, zijn de spiritijnen bereid tot alles(spiritijnen worden de priesters genoemd die hun opleiding hebben gehad op het seminarie van de H. Geest): tot diensten in ziekenhuizen, tot het verkondigen van de Blijde Boodschap (het Evangelie) aan de armen en niet gelovigen en tot het bij voorkeur aannemen van de eenvoudigste posten die het meest van iemand vragen en waarvoor maar moeilijk personeel gevonden wordt."
Welke benoeming?De priesters gevormd in het seminarie van de H. Geest waren vrij te kiezen voor een bisdom, voor de missie of om in te treden in een religieus instituut. Velen kozen voor een bisdom in Frankrijk. Het gevolg was dat de Franse bisschoppen het seminarie begonnen te beschouwen als een interdiocesaan instituut.
Anderen vertrokken echter naar Franse koloniën overzee. Ze werkten in Cambodja, China, Tonkin China, India, Siam, West-Indië, Frans Guyana en Québec. In Québec leerde Pierre Maillard de taal van de Micmac en schiep hiervoor een alfabet met hiëroglyfen. Hij stelde bovendien een grammatica en woordenboek samen. Hij werd de Apostel van de Micmac. Le Loutre werd de vader van de Arcadiëers en werd zo direct betrokken bij de politieke strijd tussen Engeland en Frankrijk.
Tot aan de Franse Revolutie (1792) zijn meer dan 1300 priesters opgeleid op het seminarie van de H. Geest.
Terug naar het begin van de bladzijde