Seminarie van de H. Geest


h. geest moederhuis4.jpg (8161 bytes) 
Op Pinsterzondag, 27 mei 1703 ging Claude met een twaalftal jonge studenten van het huis in de Rue des Cordiers naar de kapel van de zwarte Madonna in de kerk van St. Etienne des Grès. Zij wijdden zich daar toe aan de verkondiging van de Blijde Boodschap. Deze gebeurtenis wordt beschouwd als het begin van de Congregatie van de H. Geest.

Rue des Cordiers werd snel te klein. Toen hij hiermee echt in de problemen dreigde te komen kon hij met behulp van vrienden een groter gebouw betrekken in de Rue Neuve Ste. Geneviève, nu Rue Tournefort.

 

Toelatingseisen
Om op het seminarie toegelaten te worden moesten er buiten de gebruikelijke voorwaarden, vooral twee anderen vervuld zijn:

  1. Je moest arm zijn
  2. Je moest bereid zijn je toe te wijden aan de moeilijkste en meest verwaarloosde werken in "Gods wijngaard"
  1. De reden voor deze eerste voorwaarde was te vermijden dat kandidaten zich slechts zouden aanmelden om carrière te maken in de Kerk. Dit was niet ongewoon in die dagen vooral niet voor zonen uit adellijke families.

    Dit betekende niet, dat zomaar alle kandidaten uit arme families geaccepteerd werden. Bij de beoordeling van de kandidatuur werd de familie achtergrond goed bestudeerd en slechts kandidaten uit eenvoudige families van onbesproken gedrag werden geaccepteerd. Arm betekende in die tijd niet noodzakelijkerwijs noodlijdend. Het was wel zo dat er maar weinig mensen met een normaal inkomen het zich konden veroorloven hun kinderen op een internaat te laten studeren. Zelfs ouders van kinderen van de middenklasse konden dat niet.

    Arm betekende voor Claude zeker niet vies, vuil, brutaal of onbeschoft. Hij lette daar sterk op. Hijzelf is altijd een volledig "gentleman" gebleven.

  2. Het was Claude op gevallen dat ondanks de grote aantallen priesters, de gewone, simpele geestelijke verzorging weinig aandacht kreeg. De priesters hadden andere zorgen. De stichter van de nieuwe congregatie wilde echter "herders" opleiden, geen "huurlingen".

    De stichting van het nieuwe seminarie kwam op een moment dat vele opleidingen in een crisis verkeerde, vooral ook vanwege de Jansenistische invloeden. Het was ook niet voor niets dat de opleiding van het seminarie van de H. Geest zo veeleisend was op intellectueel en geestelijk niveau (drie jaar filosofie, vier jaar theologie en voor de besten ook nog twee jaar meer: één voor Kerkelijk Recht en één voor H. Schrift.)

Van het begin af werd Claude geholpen met de administratie van het nieuwe gebouw door oudere studenten. Onder hen koos Claude er twee om zijn eerste officiële medewerkers te worden. Na een proefperiode van twee jaar werden ze toegelaten als leden van de Congregatie van de H. Geest.

h._geest_begin.jpg (764 bytes)

Societeit?

Deze Congregatie van de H. Geest zag Claude als een sociëteit, bedoeld om het oeuvre dat hij gesticht had, het seminarie van de H. Geest, te doen overleven, het goed te laten functioneren en het uit te breiden. Je had dus twee oeuvres,de Congregatie en het seminarie, verschillend maar heel nauw bij elkaar betrokken.

De oorspronkelijke bedoeling was dan ook dat de congregatie een heel beperkt ledental zou hebben. Het was meer bedoeld als een associatie, een vereniging van professoren en directeuren, gekozen vanwege hun talenten en hun bijzondere geschiktheid voor onderwijs, vorming, opvoeding en geestelijke leiding. Ofschoon geen kloosterlingen, dus zonder geloften van seksuele onthouding, armoede en gehoorzaamheid, leefden zij in een gemeenschap, beloofden gehoorzaamheid aan hun oversten en stortten hun inkomsten in de gemeenschappelijke kas.

Studieniveau

Ondanks het hoge studieniveau konden de studenten geen graden behalen in de theologie. Op de eerste plaats was dit omdat alleen de Sorbonne een doctoraat kon verlenen. Claude stuurde daar niemand naar toe vanwege de zware verdenking van Gallicanisme(streven van de Franse R.K Kerk naar onafhankelijkheid van Rome), Jansenisme (de veroordeelde leer van bisschop Jansenius van Ieperen die een terugkeer naar de leer van Augustinus bepleitte) en Quiëtisme (mystiek-contemplatieve opvatting die het hoogste goed zoekt in de afwending van de wereld en volkomen berusting in Gods wil). Zijn studenten gingen naar het Jezuïetencollege.

Op de tweede plaats was het gevaar groot dat degenen die een doctoraat in de theologie zouden behalen, geneigd zouden zijn steeds weer hogere posten in de Kerk te ambiëren, wat tegen de geest van zijn stichting was.

Claude was niet principieel tegen het behalen van graden. Zijn studenten konden gradueren in bv. Kerkelijk Recht. Het was zeker ook geen anti-intellectuële houding, want het was niet voor niets dat hij zo’n hoge intellectuele en geestelijke eisen stelde. Steeds meer bisdommen begonnen zich te wenden tot de afgestudeerden van het seminarie van de H. Geest om hen als professoren in de filosofie en de theologie aan te nemen. Afstuderen op het seminarie van de H. Geest werd beschouwd als gelijkstaand met gegradueerd zijn op de Sorbonne.

h._geest_begin.jpg (764 bytes)

Belang van studie
Het volgende werd vaak geciteerd als komend van Claude: Een priester vol ijver voor de zaak van God maar zonder voldoende intellectuele vorming is blind in zijn ijver en voor een geleerd priester zonder vroomheid is het gevaar altijd groot te vervallen in ketterij en in opstand te komen tegen de Kerk.

Ongewoon
Men kan zich afvragen waarom Claude niet gewoon een religieuze congregatie stichtte. In feite brachten de leden  toch al de kloostergeloften van armoede, seksuele onthouding en gehoorzaamheid in de praktijk beleefden. Waarschijnlijk is de reden dat het voor Claude duidelijk was dat, gezien de situatie van die tijd, regels op zich ook niet veel zeggen. De geest is belangrijker dan de regel. Ook was er in die tijd een kerkelijke commissie bezig alle kloosters te sluiten met minder dan 15 leden en dat aantal had Claude niet. Daarbij kwam ook nog dat het stichten van nieuwe religieuze instituten verboden werd in Frankrijk. Het stichten van een religieuze congregatie zou bovendien iets volledig nieuw zijn. De bekende grote religieuze stichtingen van de 17e eeuw waren allemaal seculiere instituten (Oratorianen, Lazaristen en Sulpicianen). Iets nieuws beginnen zou zo extra problemen opleveren.

De regel van 1734 presenteert het seminarie van de H. Geest als volgt: "Conform aan de traditie van Claude priester en onze stichter, zijn de spiritijnen bereid tot alles(spiritijnen worden de priesters genoemd die hun opleiding hebben gehad op het seminarie van de H. Geest): tot diensten in ziekenhuizen, tot het verkondigen van de Blijde Boodschap (het Evangelie) aan de armen en niet gelovigen en tot het bij voorkeur aannemen van de eenvoudigste posten die het meest van iemand vragen en waarvoor maar moeilijk personeel gevonden wordt."

h._geest_begin.jpg (764 bytes)

Welke benoeming?

De priesters gevormd in het seminarie van de H. Geest waren vrij te kiezen voor een bisdom, voor de missie of om in te treden in een religieus instituut. Velen kozen voor een bisdom in Frankrijk. Het gevolg was dat de Franse bisschoppen het seminarie begonnen te beschouwen als een interdiocesaan instituut.

Anderen vertrokken echter naar Franse koloniën overzee. Ze werkten in Cambodja, China, Tonkin China, India, Siam, West-Indië, Frans Guyana en Québec. In Québec leerde Pierre Maillard de taal van de Micmac en schiep hiervoor een alfabet met hiëroglyfen. Hij stelde bovendien een grammatica en woordenboek samen. Hij werd de Apostel van de Micmac. Le Loutre werd de vader van de Arcadiëers en werd zo direct betrokken bij de politieke strijd tussen Engeland en Frankrijk.

Tot aan de Franse Revolutie (1792) zijn meer dan 1300 priesters opgeleid op het seminarie van de H. Geest.

Terug naar het begin van de bladzijde