François Libermann

 

Yekl, de roepnaam voor Jacob, was de naam die François Marie Paul kreeg bij zijn geboorte op 11 April 1802. Hij was de zoon van Rabbi Libermann uit Saverne in de Elzas. Zijn moeder Lea stierf toen hij 12 was. Zijn vader was ultra-conservatief en wilde zijn familie beschermen tegen alle invloed van buiten. Vader Libermann vond dat alles wat men hoorde te weten in het leven, te vinden was in de Heilige Schriften en de Talmud. Het enige wat ze daarbuiten mochten leren was Duits maar dan vanuit het Hebreeuwse alfabet. Napoleon had na de Franse Revolutie een wet uitgevaardigd die iedereen verplichtte Frans te leren, maar dat weigerde de Rabbi.

Yekl was zeer intelligent, gehoorzaam en zeer gevoelig. Zijn vader had altijd gedroomd een zoon te krijgen die een groot licht zou zijn voor Israël. Yekl zou die zoon zijn.

Op 20 jarige leeftijd stuurde vader Libermann Yekl naar Metz. Het was misschien niet zozeer om hem daar hogere studies in de rabbijnse leer te laten maken dan wel om de talenten van zijn zoon te showen en hem kennis te laten maken met de vele bekende rabbi’s die daar leefden. Hij had aanbevelingsbrieven meegekregen voor twee rabbi’s. Bij de eerste werd Yekl ontvangen op een manier die hem diep kwetste en de tweede had steeds een slecht humeur en behandelde hem met hardheid. (ND,I,60-61)

Yekl werd bevriend met een katholieke jongeman, Jean Tietscher, die hem inwijdde in het Frans, Latijn en Grieks. Via Jean kwam Yekl in contact met de Europese cultuur. Daardoor begon twijfel over zijn levenswijze hem te bekruipen Het overgaan van zijn oudste broer naar het katholicisme bracht nog meer verwarring. Toch schreef hij nog aan zijn broer. Met allerlei argumenten en redeneringen die waarschijnlijk meer bedoeld waren om zichzelf te overtuigen dan zijn broer, toonde hij aan dat diens stap verkeerd was. Dan kreeg hij de Hebreeuwse tekst van het Nieuwe Testament onder ogen. Hij las daar iets in van de innerlijke vrede en het geluk die hij bij zijn katholiek geworden oudste broer dacht te hebben ontdekt. Toch stootte al die wonderen die hij daar vond, hem af. Yekl begon zichzelf te beschouwen als een vrijdenker. Hij begon ook best-sellers van die tijd te lezen. Vooral de geloofsbelijdenis van de Savoyaanse plattelands priester in "Emile" (Boek IV, deel II) van Jacques Rousseau maakte grote indruk op hem. De vraag die Rousseau zich stelde over de argumenten voor en tegen de Godheid van Jezus, werd ook zijn vraag: "Tot nu toe weet ik niet wat een rabbijn uit Amsterdam op dit alles zou antwoorden". (ND, I,63)

h._geest_begin.jpg (764 bytes)

Een vriend raadde hem aan naar Parijs te gaan. Hij kreeg hiervoor het verlof van zijn vader. Hij had dit de danken aan het feit dat toen hij terug kwam in Saverne, hij briljante antwoorden wist te geven op alle vragen die zijn vader hem stelde over de Bijbel en de Talmud. Zijn vader vertrouwde hem daarna volledig.

In Parijs ging hij eerst naar zijn broer Felix, die juist katholiek was geworden. Daarna ging hij naar Mijnheer Drach, de vroegere directeur van de Hebreeuwse school in Parijs, die ook overgegaan was tot het katholicisme. Deze wist voor hem een plaats te vinden op het college St. Stanislas. Hij kreeg daar een cel, een klein kamertje. Hij werd er naar toe gebracht en kreeg de boeken van Lhomond "Geschiedenis van de Christelijke Leer" en "De Geschiedenis van de Religie" om die door te werken. Hij voelde zich daar heel verlaten en alleen. Hij begon te bidden tot de God van zijn vaderen met de vraag hem duidelijkheid te verschaffen over de vragen die hij had.

De stap naar het doopsel was niet gemakkelijk, maar na veel innerlijke strijd werd hij gedoopt op 24 december 1826 en kreeg de doopnamen François-Marie-Paul. Leven vanuit geloof werd toen voor hem een ware staat van geluk. Met het doopsel kwam ook het verlangen om priester te worden. Hij verbleef nog enkele maanden op het college Stanislas, maar werd in 1827 overgeplaatst naar St. Sulpice.

Men kan zich voorstellen wat een klap het was voor Rabbi Libermann dat vijf van zijn negen kinderen katholiek werden. De grootste klap kreeg Rabbi Libermann toen Yekl, dat toekomstige grote licht voor Israël, katholiek werd. Yekl werd dan ook door hem vervloekt. Dit betekende heel wat voor de gevoelige Yekl.

Vlak voor de wijding tot subdiaken werd hij getroffen door een aanval van epilepsie. Dat sloot de weg naar het priesterschap af. Omdat men medelijden met hem had, mocht hij op het seminarie blijven wonen. Toch werd hij daar vanwege zijn diep geloof, zijn intelligentie en de manier waarop hij met zijn handicap omging, de geestelijk leidsman van vele studenten. Hij werd zelfs door de Eudisten in Rennes gevraagd hun novicen meester (geestelijk leidsman) te worden. Als novicen meester was hij verantwoordelijk voor de geestelijke vorming van novicen die al priester waren. Hij bleef dit doen tot 1839. Mede door de aanmoedigingen van vroegere medestudenten op St. Sulpice was hij ervan overtuigd geraakt, dat hij geroepen was tot een andere taak nl. het stichten van een instituut dat zich zou inzetten voor de verwaarloosde slaven in de Franse kolonies.

Een gedeelte van de verdere tocht van zijn leven wordt beschreven in de tekst met de titel: "Congregatie van het Heilig Hart van Maria" en "De eerste Missies van de Congregatie van het H. Hart".

h._geest_begin.jpg (764 bytes)

De Laatste Maanden

In mei 1851 schreef Libermann zijn "Instructies aan Missionarissen". Het is een werkje van 61 bladzijden wat als zijn geestelijk testament gezien kan worden.

Op het einde van het jaar 1851 begon Libermann steeds vaker te klagen dat hij zeer moe was. Zijn gezondheid was altijd al zwak geweest, maar werd nu toch snel echt slecht. In december maakte hij nog een reis naar Notre-Dame du Gard en verbleef er ongeveer drie weken. De meeste tijd bracht hij echter door op bed.

Terug in Parijs kwam hij bijna zijn kamer niet meer uit. Pater Le Vavasseur schreef aan zijn broer: "Het is ongeveer dezelfde ziekte als drie jaar geleden. Hij kan praktisch niets mee eten. Hij volgt praktisch een volledig dieet."

Op 27 januari 1852 ontving hij het Sacrament van de Zieken. Op de avond van 30 januari kreeg hij het nog klaar om enkele woorden te spreken: "Ik zie jullie voor de laatste keer. Ik ben blij u te zien. Geeft uzelf aan Jezus, alleen aan Jezus. God is alles. De mens is niets. Een geest van opoffering, ijver voor de glorie van God en voor de zielen."

Zijn doodstrijd duurde tot 2 februari. Hij stierf tegen drie uur 's middags op het moment dat zijn confraters in de naastgelegen kapel het Magnificat van de vespers van het feest van Maria Lichtmis, het feest van de Opdracht van Jezus in de tempel, zongen.

De plechtige begrafenis vond plaats in de kapel van het "Moederhuis" in Parijs. Zij lichaam werd overgebracht naar Notre-Dame du Gard, waar hij werd begraven. In 1865 werd het opgegraven en naar Chevilly gebracht. Ook daar bleef het niet. Het werd in 1867 overgebracht naar de kapel van het "Moederhuis" van de Congregatie van de H. Geest onder de Bescherming van het Onbevlekt Hart van Maria in Parijs.

In het "Moederhuis" is de kamer die Libermann bewoonde tot aan zijn dood, omgebouwd tot een huiskapel. Zijn bureau is in de oorspronkelijke staat bewaard.

Libermann werd eerbiedwaardig verklaard op 19 juni 1910.

 

Terug naar het begin van de bladzijde.